Wat is nu feitelijk een boodschap? In eerste instantie denk ik aan een bericht, een kennisgeving
maar waarom denk ik daaraan? De lezer denkt wellicht aan iets heel anders. Die ziet zichzelf een boodschap doen en haalt thee of suiker bij de kruidenier.
Voor mij is het geen zelfstandig werkwoord als bv de tafel. Daarbij denk ik aan een ding,
een blad op vier poten. Goed, drie of één poot kan ook, maar het blijft een tafel waaraan je kan
schrijven of waarop je iets zet. Een boodschap bijvoorbeeld, maar die boodschap kan honderden gezichten hebben in tegenstelling tot de tafel.
Hoe ziet een boodschap eruit? We denken dan aan levensmiddelen of andere inkopen die gedaan zijn, maar een kennisgeving kan ook en wat staat er in zon bericht? Ook dat kan van alles zijn, van een goed tot slecht bericht of een neutraal lijstje met nodige artikelen.
Het is zowel een handeling als een gegeven en zowel concreet als abstract. Naast de boodschap zelf kan er ook een boodschapper zijn, iemand die de boodschappen doet of de boodschap brengt. Tussen doen en brengen kan een wereld van verschil liggen.
Ik denk aan de kleine en grote boodschap, die breng je niet, die doe je, maar is dat nu feitelijk een boodschap? Het is min of meer een gezegde, maar daarnaast kan je toch een andere grote of kleine boodschap doen? Waar denk je dan aan?
Ik moet denken aan een cliënte die aan de balie van de woningbouwvereniging kwam met een klacht over haar toilet. Ik vroeg wat die klacht precies inhield en toen boog mevrouw zich samenzweerderig over de balie en fluisterde in mijn oor: De boodschap blijft liggen.
Duidelijker kon het niet, maar de onderhoudsdienst kwam terug met de vraag: Betreft het een kleine of grote boodschap? Is in dit geval de boodschap concreet of abstract?
Zelf denk ik bij de boodschap al snel aan de boodschapper en aan de inhoud van zijn boodschap. Hoe ziet die er uit en wat heb je te vertellen?
In dit verband moet ik denken aan de Blijde Boodschap en terwijl ik dit schrijf besef ik dat het woord boodschap voor mij bijna synoniem is met Blijde boodschap. De boodschap moet gebracht worden. Er is een boodschap voor iedereen en wel een blijde boodschap.
Deze boodschap gaat boven alle andere boodschappen en betreft ons toekomstig leven, ons eeuwig heil. De boodschapper is uitverkoren om dit nieuws te brengen.
Natuurlijk behoeven we artikelen voor ons dagelijks leven, maar deze boodschap pretendeert meer en wil ons ontlasten van al te platte behoeften.
Mijn moeder was zoon blijde boodschapper. Zij had een roeping, een opdracht.
Zo reisde ik eens samen met mijn moeder per trein. Ik denk dat het op de terugreis was, want het was vroeg in de avond. De trein was vol en wat jongere lui zaten om moeder en mij heen in een vierpersoons-compartiment. Er werd wat gepraat en gelachen, er werden wat opmerkingen gemaakt over mannen die vreemd gingen en vrouwen die alleen reisden. Moeder voelde zich kennelijk aangesproken en zei dat haar man elke avond aan het werk was. “ Ja, ja”, zeiden de medereizigers, “dat zal wel” en keken elkaar lacherig aan. Moeder (serieus): Mijn man is alle avonden druk met kerkenwerk. Dat kennen we, zeiden de jongemannen en lachten luid. Dat prikkelde moeder om op luide toon te verkondigen: Mijn man werkt aan de komst van Gods Koninkrijk. Ik dacht: Moeder, zeg dat nou niet, nu denken ze dat we van de Jehova getuigen zijn.
Maar moeder was niet meer te stuiten en begon de reizigers ernstig toe te spreken over de Heiland die gekomen was om zondaars te verlossen en dat er mensen waren die zich daarvoor inzetten. Sommige treinreizigers knikten verlegen en het werd opeens stiller.
Op bijna bestraffende toon ging moeder verder. Ik wilde dat ze stopte en schaamde me voor haar. Toch vond ik het ook moedig dat ze dat durfde, maar waarom zo verwijtend? Het verwarde me en ik hoorde hoe moeder door haar betoog heen de medereizigers ook waarschuwde.
Dat het slecht met ze kon aflopen als ze geen ernst maakten met het Geloof!
Het werd stil in de trein, het was niet meer gezellig. Moeder kreeg geen weerwoord op haar toch zeer uitdagend relaas. Gedecideerd besloot moeder haar toespraak; “Ik heb nu eenmaal een boodschap door te geven”, en niemand waagde het te lachen. Er hing nu een ongemakkelijke sfeer en ik was blij toen moeder en ik uit konden stappen.
“Waarom zei u dat nou, over Gods Koninkrijk? Nu denken ze dat we van de Jehova getuigen zijn en dat is toch een vals geloof”, kon ik niet nalaten te zeggen. Volgens moeder hadden de medereizigers héél goed begrepen waar het om ging en dat zij haar mond niet mocht houden.
Tenslotte heb ik iets door te geven!
Ik begreep het: dat was ‘haar Blijde Boodschap’, die mij al zo lang zwaar op de maag lag.