Rot moeder

Eenmaal, lang geleden, zei ik dat. Niet al te hard, ik schrok er zelf van. Hoe oud was ik? Twaalf jaar? Moeder keerde zich om, stak haar vinger omhoog en zei: Je zult het later van je eigen kinderen op je boterham krijgen. Ze heeft gelijk gekregen.
Ach, ze zei zoveel. Ik was al jaren een kreng, een serpent, een nagelbijter, mensen-treiter, een nagel aan haar kist. Ze zou de dag prijzen als ik uit huis ging want ik verpeste haar leven.
Een rot kind was ik , verworpen, slecht, niets waard. Mijn ouders waren juist erg goed.
O waarom moest ik Frida zijn, waarom niet iemand anders, zodat ik ook leven kon. Maar God had het zo verordineerd. Alles stond immers al vast en was voorbeschikt. God was alwetend en almachtig. Er was niets aan te doen. Toch moest ik leven tot Zijn eer, want het ging niet om mij maar om God. Alles ging om God. De hele wereld, het hele leven en alles op aarde moest er zijn voor de komst van zijn koninkrijk.
Ik moest beter luisteren en gehoorzamen. Dat wilde ik ook maar het ging niet. God hielp me niet. Frida is Oost-Indisch doof, hoorde ik zeggen. Waarom bestaat God en moet ik hem steeds danken? Ik wil spelen en blij zijn zoals de kinderen die niet hoeven te geloven. Die hebben het veel leuker. Ik vergeet God steeds en toch moet ik altijd aan hem denken omdat ik steeds stout ben. Dan kom ik niet in de hemel. Ik ben zo bang voor de hel. Hoe kan ik ook lief worden zodat ik niet altijd straf krijg. Dat moeder van me houdt en vader me tevreden is.
Moeder is altijd boos behalve als er visite is. Dan is ze mooi en aardig. Vader is altijd hetzelfde. Opgewekt, beetje streng maar wel eerlijk en hij maakt veel grapjes.
Wanneer was moeder nog lief? Toen Frida in het voortuintje speelde en moeder met een pannenkoekje aan kwam zetten? Ze stond in de deur, lachend met het opgerolde pannenkoekje in haar hand. Later in de serre bij de box waar zusje in stond. Moeder gaf haar een hapje en Frida leunde tegen moeders knie ‘niet zo leunen’.De mannen van de Stichting kwamen langs lopen, sjokkend achter elkaar aan met een touw dat ze vasthielden of om hun middel was gebonden. Allemaal in bruine kleren. Moeder legde uit dat ze ‘niet goed’ waren en soms opgesloten werden. Frida zag zusje in de box, was blij dat ze zelf niet in de box zat, dan was je dus ‘niet goed’.

2

Moeder had het altijd druk met schoonmaken Frida vindt het naar voor moeder en wilde dat er geen stof bestond. Waarom heeft God stof en vuil geschapen? Als er geen stof zou bestaan zou moeder niet zoveel werk hebben en vast veel blijer zijn. Maar is zand dan ook stof? En vet? Dat is toch nodig voor eten te maken? Maar vet is wel vuil als je het morst, nog viezer dan stof. De piano leek wel een oliebollenkraam, zei moeder.
Gisteren ging moeder uit, ze zag er weer zo mooi uit en ze was blij. Ze ging met de tram naar Leiden en zou met avondeten weer thuis zijn. Vader bleef thuis met de kinderen. Frida speelde op de keukenvloer en hoorde dat vader en grote broer moeder gingen verrassen. Ze maakten haakjes aan de achterkant van de keukendeur voor de schortjes van de meisjes. Het was zo fijn, vader zong, Herman floot en wat zou moeder straks blij zijn met de verrassing! Nu was het echt gezellig. Tegen zes uur kwam moeder thuis. Wat zou moeder blij zijn met de verrassing! Maar ze was niet blij, toen ze haar verassing zag ontplofte ze van woede. Hoe konden ze het bedenken, hoe haalden ze het in hun hoofd! Lelijke haken aan de deur, een rotzooi werd het. Frida kroop weg van teleurstelling en verdriet. Zo erg voor vader en Herman.

Opa en oma komen logeren. Dat is fijn, dan is moeder aardiger en opa is lief voor Frida, dan mag ze op zijn schoot zitten en hij praat met haar. Het is zo heerlijk om aandacht te krijgen en opa streelt haar over haar rug en armen. Dat is zo fijn. Hij streelt ook haar benen en gaat een beetje onder haar rokje en dan met zijn vingers naar haar lies waar de rand van haar broekje zit. Het is zo’n rustig gevoel, maar wel een beetje raar ‘dat hoort toch niet opa?’ De mensen in de kamer kunnen het niet zien en opa praat gewoon door. Frida doet net of ze het ook heel gewoon vindt want het is te lekker, maar ze schaamt zich wel. Het moet geheim blijven. Een geheimpje tussen opa en Frida.
In de grote vakantie gaat het hele gezin bij opa en oma logeren, in het grote oude enge huis met twee zolders en een kelder met twee vertrekken tussen de gepleisterde witte bogen. Aan het einde van een heel lange gang bevond zich de grote achterkamer met de bedsteden. In een ervan sliepen opa en oma. Er hing een touw boven hun bed, daar konden ze zich aan optrekken. Achter die kamer was een klein donker kamertje, een soort kast waar spulletjes lagen, ook spelletjes. Het leek wel een spookhol. En daar was de deur naar de plee, een houten plank met een deksel waaronder een heel diep gat was. Frida was doodsbenauwd om naar de plee te gaan. Vooral als ze al in bed lag op

3
de grote slaapkamer boven met twee tweepersoonsbedden. De grote hoge ramen.
De marmeren wastafel met kommen en kannen, de emmers, een vlinderkom op houten standaard. De hoge grote ramen die uitkeken op de diepe achtertuin met een prieel om te rusten. Dat was een gezellig huisje met ligstoelen en een tafeltje. Daar speelde Frida graag.
Oma was streng in haar zwarte kleren op haar plaats aan de tafel. Frida was een beetje bang voor haar. Oma sprak niet veel en als Frida dan ‘s morgens beneden kwam en niets zei, dan zei oma streng: “Zeggen we niets?”
Frida zei dan verlegen: “Goedemorgen oma”, zo hoorde dat maar dat was Frida thuis niet gewend. Oma had een kort en een lang been waardoor ze heel scheef liep en ze had een stoel op wielen waarin ze kon rijden door de hendels met haar handen op en neer te bewegen. Daarin ging ze naar de kerk. De kinderen probeerden altijd in die stoel door de lange gang te rijden, dat mocht natuurlijk niet.
Opa was voor Frida altijd aardig, opa besteedde aandacht aan haar, maakte grapjes, knuffelde haar en ze kroop bij hem op schoot. Frida herinnert zich dat ze op zijn werkkamer mocht komen waar hij schreef en schilderde en belangrijke mensen ontving. Ze zat bij opa en ze verkenden elkaars ondergoed: hemdje, broekje en opa had nog veel meer aan: onderhemd, kamizool en een harde ronde boordkraag. Frida zag heel veel jaeger ondergoed. Opa legde uit waartoe alles diende en Frida vond het bar interessant.
Opeens was er paniek want kleine zusje was spoorloos verdwenen. Allemaal overal zoeken, moeder keek zelfs in het diepe gat van de plee. Oma keek boos naar moeder omdat ze niet beter op haar kinderen lette. Tenslotte kwam zusje heelhuids bij de buren vandaan.
Later die vakantie liep Frida vrolijk de kamer van opa binnen die bezoek had. Opa viel boos naar haar uit: “Je weet toch dat je hier niet zomaar binnen mag komen? Ga weg en doe dit nooit weer”.
Frida schrok heel erg en begreep er niets van. Opa was boos op haar. Waarom? Frida durfde toen nooit meer spontaan naar opa toe te gaan.
Jammer, want opa was zo aardig. Na dit incident was opa niet meer aardig.

4
Ik noem me hier Frida en dat is in vervolg op het boek over mijn jeugd dat ik schreef. Ik wilde kennelijk afstand houden van mezelf en mijn verhaal ophangen aan Frida, niet aan mijzelf aan Ria. Zo gek eigenlijk want ik schrijf al vanaf m’n vijftiende jaar in dagboeken, dan noem ik me geen Frida maar met de gedachte aan een echt boek wil ik liever een ander zijn. Hoe verklaar ik dat? Wil ik de confrontatie met mijzelf niet aangaan? Is het gevolg van mijn lage eigendunk? Ik was als kind altijd op m’n hoede, bang voor grote mensen en niemand mocht weten dat ik niet goed was. In Frida zou ik laten zien dat ik niet zo slecht was als mijn moeder me voorhield. Ik wilde de waarheid opschrijven maar dat viel niet mee omdat ik per se eerlijk wilde zijn.

Ik ben wel honderd maal opnieuw begonnen aan het boek over mijn leven, dat er naar mening moest komen. Maar tot nu toe is het niet gelukt. Wel een gedichtenboekje en ik heb nog veel gedichten gemaakt. Het lijkt mij wel of ik in gedichten beter tot de kern kom dan in verhalend schrijven. Mijn jeugdboek is meer een verslag dan een boek geworden. Tevens is het net of ik een brief aan iemand schrijf en op die manier de aandacht naar mij toe trek.
Maar ik wil het niet over mijzelf hebben maar over mijn leven dat het leven is van veel vrouwen. Misbruik speelt een grote rol maar het misbruik in mijn kindertijd zag ik geheel en al als eigen schuld. Dat van opa zag ik niet als misbruik. Op mijn vijfde of zesde had ik wel een heel indringende ervaring. Op een nacht kreeg ik zomaar een ongekend heerlijk gevoel. Nu weet ik dat het een orgasme was, maar hoe kon dat?
Ik begreep er niets van, raakte er erg van in de war. Verbond het met God, met de hemel maar hoe kon God mij zoiets heerlijks geven, aan mij, een stout kind?

Scroll naar boven