DE ZONDE TEGEN DE HEILIGE GEEST
JEUGD VAN EEN BABYBOOMER
1947
MOEDER stond in de deuropening met een paar pannenkoekjes in haar hand. Die gaf ze aan Suze in de box en Frida kreeg er ook één. De zon scheen in het tuintje en moeder vertelde trots aan de buurvrouw dat ze alle pannenkoekjes met één boterpapiertje had gebakken. Ze liet het papiertje zien: “Alle boterbonnen zijn alweer op” zei ze.
De box met zusje stond in de erker, moeder gaf Suze een fruithapje. Frida leunde tegen moeders schoot, ze wilde ook een hapje ‘niet zo hangen, Frida’, moeder duwde haar weg.
Daar sloften de jongens en mannen van de Stichting langs, in bruine kleding. Waarom zaten ze aan elkaar vast met touwen? Moeder legde uit dat ze ‘niet goed waren’ en rare dingen konden doen. Ze mochten niet weglopen en werden soms ook opgesloten. Frida keek naar de box met zusje, blij dat zij er niet in zat.
Moeder had het altijd druk met wassen, strijken, koken, afstoffen en vegen. Ze hield van een schoon huis, de kinderen mochten het niet vuil maken.
Heeft God ook Stof geschapen? Die heel kleine dwarrelende spikkeltjes die je bijna niet ziet? Waarom bestaat er stof? Als er geen stof bestond had moeder het niet zo druk, dan bleef alles schoon. Is ‘vet’ ook stof? Dat vindt moeder ook erg en ‘modder’, is modder ook stof? Moeder wil geen modder in huis. Toch is er vet nodig voor de pannenkoekjes en modder is eigenlijk zand zoals op het strand. Maar gewoon zacht stof is toch nergens voor nodig?
Moeder mopperde veel maar laatst, toen ze alleen uitging was ze vrolijk. Ze zag er mooi uit en zwaaide lachend naar vader en alle kinderen.
Vader en grote broer gingen haakjes maken aan de keukendeur om moeder te verrassen bij haar thuiskomst. Die haakjes waren voor de schortjes die aan tafel gedragen werden. Wat zou moeder blij zijn met de verrassing. Vader zong over een ‘Blauw geruite kiel’ en Frida speelde op de keukenvloer met haar gekleurde houten mozaïekspel.
Vader maakte leuke grapjes, gisterenavond zei ze: “Welterusten pap’ en toen zei vader:
“Slaap lekker soep”. Het werd een vrolijke dag.
Eindelijk, daar was moeder, Frida wachtte vol verwachting op moeders blijdschap om de verrassing… maar moeder was niet blij, moeder werd boos, heel boos. Ze vond het maar niks, die lelijke haken. De hele keukendeur verpest. Wat dachten ze wel, gekkenwerk was
het.
************************
“Opschieten kinderen, anders komen we te laat. Vader is al naar de kerk, hij heeft dienst en moet de dominee een hand geven”, zei moeder. Ze had een hoed op met gaas voor haar ogen, ze had haar pumps met hoge hakken aan en zwarte nylons met een streep over haar kuiten, een naad heette dat. Moeder had de kousen voorzichtig aangedaan met witte handschoentjes om geen ladder te maken. Met haar lange, slanke figuur zag ze er chique uit in haar camel mantelpakje. Moeder gebruikte ook veel franse woorden, ze sprak onder meer van de corridor, de vestibule, salon, content en petit.
De kerk was vlakbij, ze konden er zo heenlopen. Vader was ouderling en zat in de ouderlingenbank. Moeder en de kinderen zaten altijd achter de ouderlingen in een eigen bank met een deurtje ervoor, links van de preekstoel. De diakenen zaten rechts van de preekstoel en achter de diakenen was de bank voor de vrouw en kinderen van de dominee. ‘Mijn vader en moeder zijn bijna net zo belangrijk als de vrouw van de dominee’, dacht Frida.
Oma zat ook in de kerk, voorin op haar eigen plek, ze had zwarte kleren aan en een brede zwarte hoed op.
Vader was schoolmeester en Frida wist dat ze een voorbeeld moest zijn. Ze deed heel goed haar best maar toch zei moeder dat ze lastig was.
Er werd gezongen:
“Kan een vrouw haar kind vergeten, als haar zuigeling schreit van pijn?”
Zou ze een ware moeder heten, en zo weinig moeder zijn?”
Frida moest huilen, keek stiekem naar moeder.
Maar moeder zag haar niet, moeder zong uit volle borst:
“Maar al zou dit mogelijk wezen, Vader die mijn noden ziet, Vader Gij vergeet mij niet”.
‘Moeder mag niet zien dat ik huil’, dacht Frida, ‘moeder mag van God niet lief zijn tegen een stout kind, ik mag geen kwaad van moeder denken, dat wil God niet’.
Frida zocht houvast in de laatste zin dat God haar niet zou vergeten. Dat stond er toch?
Tijdens de collecte stak vader zijn hand naar achteren, tussen de rugleuning en bank. Moeder legde er een pepermuntje in, de kinderen kregen ook een pepermunt. Als de preek lang duurde brak moeder een pepermuntje in vier stukjes die ze verdeelde onder de kinderen.
De dominee preekte over de dood in de pot, of bedoelde hij de hond in de pot? Frida begreep het niet, ze vond het eng. “En dan doe je de deksel van de pan en dan zie je de dood“. Of de dode hond, dacht Frida. Kon je de dood wel zien?
Ze keek naar de gekleurde ramen en telde de ruitjes. De preek duurde zo lang en ze moest stilzitten, anders gaf moeder haar een por. Ze is een wiebelkont en Oost-Indisch doof, zegt vader. Wat zou dat zijn ‘Oost-Indisch’’ doof?
Er waren heel veel ruitjes, teveel om te tellen, maar toch kon je altijd doortellen, ook als de ruitjes op waren, daar kwam geen einde aan. Maar er was wel een begin, waar was dan het eind? Altijd maar door, waar stopt dat dan? Frida vroeg het vader: “Kan je altijd maar doortellen?” Ja zei Vader, “dat gaat altijd door”. Frida dacht lang na en zei: “Tot je dood gaat, maar dat is niet erg hé?” “Als je naar de hemel gaat is dat niet erg”, zei vader.
Frida vond het saai thuis en wilde naar haar vriendinnetje gaan. Ze pakte de step en ging snel weg, voor dat iemand haar zag, want steppen mocht eigenlijk niet op zondag. Bij Eva was het veel leuker, daar mocht ze altijd komen en ze waren aardig tegen haar. Met Eva kon ze leuk spelen en samen bedachten ze veel spelletjes zoals vouwen of plaatjes knippen en opplakken, Eva’s zusters hielpen soms mee, die waren dol op hun kleine zusje. Veel plezier hadden ze ook in tekenen en kleuren want dat konden ze allebei goed. Ze gingen naar dezelfde Fröbelschool, vlakbij Eva’s huis.
Frida bleef bijna altijd bij Eva in de buurt, de andere kinderen plaagden haar soms, vonden haar raar met de pleister op haar oog. Ze trok de pleister voor haar goede oog half weg om beter te kunnen zien.
Soms ging moeder met haar naar de oogkliniek in Leiden. Dat vond ze heel leuk, samen met moeder in de tram, moeder deed dan aardig. De tram ging langs veel stopplaatsen, er was veel te zien.
De oogkliniek was een oud groot gebouw met een ruime wachtkamer en hoge ramen. Er lag kinderspeelgoed zoals poppen met wagentjes, houten bouwblokken, kleurplaten met -potloden en boekjes. Moeder keek in een damesblad en Frida genoot van alles wat ze zag en waarmee ze mocht spelen. Na een poosje waren ze aan de beurt. Toen mocht ze in een hele grote stoel gaan zitten en de dokter deed een rond bord voor haar ogen waar gaatjes inzaten om door te kijken. De dokter was heel aardig tegen haar en moeder deed ook net of ze haar lief vond. Frida werd er warm van. De dokter en moeder lachten en maakten grapjes tegen elkaar. Moeder was nu blij. De dokter vond moeder vast ook heel mooi.
Op de terugweg was moeder niet meer aardig in de tram. Opeens was alle blijdschap weg.
************************
Bij Eva gingen ze niet naar de kerk en geloofden ze niet in God, ze vloekten soms en broer Aart vloekte vaak. Zo erg was dat, want dan ging hij naar de hel. Als je zo erg durfde te vloeken en niet in God geloofde dan ben je voor eeuwig verloren. Frida wist dat, maar zij wisten dat niet, ze vonden dat ze zelf konden uitmaken hoe ze wilden leven. Wel fijn voor hen dat ze het niet wisten, want zij was bang voor de hel. Dat was toch het allerergste als je voor eeuwig verloren ging? Het ging om je ziel, dat je ziel gered zou worden. Vader bracht wel eens een bezoek aan de moeder van Eva om over de kerk en over het geloof te praten, als ouderling moest hij het evangelie verspreiden. Moeder vond het eerst niet zo goed dat ze een onkerkelijk vriendinnetje had. Vader en moeder waren heel boos geweest toen Frida zonder te vragen op zondag naar Eva was gegaan op de step. De zondag was de dag des Heren, dan moest ze naar de zondagschool en bij het gezin blijven. Toch keurde vader de vriendschap goed voor door de weeks en hij zou Eva’s moeder een keer uitnodigen om kennis te maken met moeder.
“En dit is nu het gereformeerde vriendinnetje van Eva”, zei Eva’s moeder laatst tegen haar visite. Dat vond Frida wel raar, net of er iets aan haar te zien was.
Aart en zijn buurjongen wilden steeds vieze spelletjes doen met Eva en Frida. Ze gingen achter hen aan door het huis, speelden verstoppertje en lieten hun schrikken. Probeerden hen vast te pakken en op te sluiten in een kast of in het toilet. Eva maakte er een lolletje van maar Frida werd bang.
Ze lieten soms opeens hun piemel zien, Eva lachte de jongens midden in hun gezicht uit. Waarom voelde zij angst en spanning? Ze wist het niet, tot op een dag de grote jongens verder in hun spel gingen en wilden voordoen wat vaders en moeders deden. Aart zei tegen Frida dat ze moest gaan liggen en toen deed hij haar broekje naar beneden, hij ging met zijn blote piemel boven op haar liggen. Frida voelde dat zijn piemel stijf was en tegen haar schaamlipjes duwde. Weer kreeg ze dat heerlijke gevoel dat ze al eens eerder had gevoeld. Toen wist ze niet hoe dat gekomen was, nu herkende ze het. Zo heerlijk, o zo heerlijk, Frida verstijfde er van doch durfde dat niet te laten blijken want Eva maakte er een spel van en riep lachend: “Grote voorstelling mensen, komt dat zien, komt dat zien”, terwijl ze het gordijn voor het raam open en dicht schoof. Eva begreep niet wat Frida beleefde. Hoe bestond het, dat zo’n genotvol gevoel bestond? Waarom deden de jongens dat bij haar en niet bij Eva?
Ze moest denken aan de keer dat ze ging schommelen bij Bartje, toen had ze dat gevoel niet gekregen. Haar buurjongetje had in de schuur een eigen schommel. Bartje wilde niet van de schommel af gaan. Frida wilde ook schommelen en stelde voor dat ze op zijn schoot zou gaan zitten en ze wurmde haar beentjes aan weerszijden van hem tussen de touwen door. Dat ging goed maar Frida bedacht nog een plannetje en stelde voor dat ze hun broekjes uit deden. Ze wist niet waarom, Bartje wilde dat niet doen. Zij deed haar broekje uit en zocht naar een plekje waar niemand het broekje kon vinden. Haar door oma gebreide wit katoenen broekje verborg ze in de hoek van de schuur in het kolenhok. Toen klom ze weer op Bartjes schoot en samen schommelden ze heen en weer. Haar rokje waaide op en neer maar viel over haar blote bibs, dus niemand zag het.
Opeens hoorde ze Herman roepen, hij deed de schuurdeur open en zei: “Hoor je me niet roepen, we hebben je gezocht, nu zitten we allemaal aan tafel op jou te wachten”. Verschrikt ging ze snel van Bartjes schoot af en liep naar Herman toe. Moest ze nu zonder broekje naar huis gaan? Als maar niemand het zou zien. Maar Herman keek haar aan, tilde haar rokje op en zei: “Wat heeft dit te betekenen”? Snel haalde ze haar zwart geworden broekje uit het kolenhok. Als hij haar nu maar niet zou verraden. Nee, gelukkig zei Herman er niets over.
************************
Toen Frida ’s avonds in bed lag wist ze dat het verkeerd was wat Aart en Daniel deden, ze wist niet waarom maar ze voelde schaamte en schuld. Wat was er gebeurd? En toch verlangde ze het weer te voelen, dat heerlijke, dat aller heerlijkste maar het mocht niet. Het was hetzelfde gevoel dat ze al eens eerder had gekregen, en als een soort wonder had ervaren. Dat allerheerlijkste kwam toen zomaar vanzelf, hoe dat kon en wat dat was begreep ze niet. Frida wist nog dat ze in bed lag en bijna sliep toen het gebeurde tussen haar schaamlipjes, dat vreemde intense genot verrukte haar. Het leek wel of ze verdween en enkel uit gevoel bestond, dat ze in de hemel kwam, zomaar opeens en ze dacht: “O, dit is dus de hemel, en dan voor altijd, voor eeuwig”. Dat zalige gevoel kwam over, op en in haar, ze wou dat vasthouden maar het verliet haar. Ze verlangde dat steeds weer te voelen, echter het kwam maar heel zelden, zelf kon ze dat niet bewerken. Dit was een goddelijk heilig gevoel, zo heerlijk moest het in de hemel zijn. Daar wilde ze wel altijd zijn. Het was een zuiver onbeschrijflijk heerlijk gevoel.
Nu Aart dit met haar gedaan had wist ze hoe ze dat gevoel kon krijgen, maar het was verkeerd, het mocht niet, zo was het slecht. Aart had gezegd: “Als er bloed in je broekje komt, kan je een kind krijgen”. Daar begreep ze niets van, het maakte haar doodsbang, elke dag keek ze of er bloed was. Nooit meer zou ze dat erge slechte doen. Maar ze verlangde er wel naar, naar dat heerlijke. Ze droomde er zelfs over, dan kreeg ze ook dat gevoel. Maar het is heel slecht, als de jongens het weer met haar zouden proberen te doen, zou ze weigeren, ook in haar droom en dat speet haar, maar ze kon niet anders. God vond dat niet goed, alleen als Hij dat zelf gaf was het goed.
Ze vroeg zich af of andere vriendinnetjes haar zouden begrijpen over dat heerlijke gevoel. Eva begreep het niet, maar misschien waren er kinderen die dit ook voelden. Ze durfde er eigenlijk niet over te praten maar toen ze met buurmeisje Antje buiten speelde vroeg ze: “Heb jij ook wel eens zo‘n raar gevoel had van onderen?” “Waar dan?’, vroeg Antje. “Ik bedoel waar je plas uit komt”. “Ja, nee, soms als ik heel nodig moet”. Frida begreep uit haar reactie dat ze niet wist wat ze bedoelde. Ze voelde zich anders, verkeerd. Vader zei dat ze een buitenbeentje was.
In de kerk dacht Frida ook vaak aan dat speciale gevoel, moeder wist daar niets van. Niet van dat gevoel, niet wat Aart deed en ook niet van dat allerergste. Nooit durfde ze moeder iets te vertellen want moeder had geen geduld, vond haar lastig. “Dat willetje van jou moet eerst gebroken worden”, zei ze. Nee, in gedachten zag ze moeder al voor zich met opgeheven vinger en boos gezicht: “Wee je gebeente, gedraag je en maak ons niet te schande”. Ze wist niet wàt ze verkeerd deed, maar dat ze fout was stond vast. Moeder vindt mij niet lief maar ze weet niet hoe bang ik ben. Dat weet alleen God en de duivel’, dacht Frida.
God wilde niet dat ze dit gevoel verlangde, dat hoorde niet. Hoorde het dan bij grote mensen? Bij vader en moeder? Nee, dat deden ze niet, dat kon toch niet? Vader en moeder werkten alleen maar voor het gezin en voor de kerk, voor de komst van Gods Koninkrijk. Het geloof is het allerbelangrijkste, de aarde gaat voorbij, de wereld zal vergaan maar God is eeuwig.
‘s Nachts liet vader Frida een plasje doen, hij zag eens dat ze met haar broekje naar beneden lag te slapen. Frida schrok en schaamde zich toen vader zei: “Foei, dat hoort toch niet”. Voor moeder schaamde ze zich nog meer, ze wachtte altijd met plassen tot moeder uit de buurt was, zelfs als moeder naar haar keek schaamde Frida zich. Moeder keek naar haar alsof ze een poepbroek rook.
Moeder was heel netjes, alles moest schoon zijn, schoenen uit als de kinderen naar binnenkwamen en niet aan de deuren zitten, de deurknop gebruiken. De kinderen moesten liefst buiten spelen, dan kon zij doorgaan met haar naaiwerk, dat kon ze goed en deed ze graag omdat het geld uitspaarde. Ze geloofde ook heel erg in God, “Hij is mijn enige Helper in nood“, zei ze laatst en toen had ze omhoog gekeken en moest ze bijna huilen. “In het kruis zal ik eeuwig roemen” zong ze, dat vond ze een mooi lied. Toen moest Frida aan moeders kruis denken en ook aan dat van Jezus. Zo erg, dat ze zulke vieze rare gedachten kreeg. Wat zou God dat slecht van haar vinden. ‘Help me God, ik wil dat niet denken, maar het kwam zomaar vanzelf. Zou dat nu komen omdat ik niet goed ben? Doet de duivel dat bij mij’?
Ze wilde, net als moeder, door God geholpen worden. Waarom hielp Hij moeder wel en haar niet, mocht moeder wel boos zijn en zij niet? Als er visite kwam, werd moeder blij. Dan zag ze er opeens mooi en aardig uit, dan lachte ze. Als opa en oma logeerden was het ook gezelliger. Dan durfde moeder niet zo tekeer te gaan. Opa was aardig, hij praatte tegen Frida.
Bij opa op schoot was het zo heerlijk, rustig tegen hem aangeleund met zijn arm om haar heen, dan deed ze haar wijsvinger in haar mond want duimen mocht niet. Als hij met z’n hand onder haar rokje over haar bovenbenen aaide, langs de rand van haar broekje, gaf dat Frida een zachte sensatie. Hij vond dat zeker niet verkeerd, ze deed net of ze niets voelde en opa praatte ook gewoon door met de anderen. Niemand zag het, maar toch was er een geheim. Ze hield van dat geheim en zou het niet verklappen.
In de zomervakantie logeerden ze allemaal in het grote oude, een beetje enge huis van opa en oma. Het huis had een heel lange gang, aan het eind was de achterkamer, daar sliepen opa en oma in de bedstee. Achter die kamer was een donker hokje waar spelletjes lagen, daar ook was de deur naar de plee. Zo heette dat, het was een plank met een diep gat erin. Het was heel eng als je ’s nachts naar de plee moest. Bij de buren hadden ze ook zo’n plee maar die zat vaak helemaal vol met poep, dat stonk en daar zat je dan bovenop met heel veel vliegen. Soms kwam er een man met een kar die de poepemmer verving voor een schone.
Bij opa en oma was het heel schoon, ze hielden niet van bacteriën. Oma waste elk groenteblaadje apart af. Ook spinazieblaadjes gingen één voor één door het water. Oma had een kort en een lang been waardoor ze heel erg scheef liep door haar huis. Ze droeg zwarte kleren en was best streng. Op zondag ging ze in haar rolstoel naar de kerk. Door met haar handen het stuur op en neer te bewegen fietste ze de stoel vooruit.
Opa had zijn werkkamer op de eerste verdieping en daar ging Frida graag heen om bij opa op schoot te zitten. Dat was echt gezellig, ze vond het fijn om met hem te praten, bijna niemand praatte met haar.
Altijd kon ze naar opa toegaan maar opeens was het voorbij, ze huppelde vrolijk zijn kamer binnen en werd direct streng weggestuurd door opa die met een andere man stond te praten. “Je weet toch dat je hier niet zomaar mag binnenlopen, dit is mijn kamer, begrepen?, zei opa. Frida begreep er niets van en durfde niet meer spontaan naar opa te gaan.
************************
Frida had echter een nog veel groter erger geheim. Het was gebeurd op de zondagschool, toen had ze opeens begrepen waarom ze zo slecht was en dat moeder dat wist en daarom zo boos tegen haar deed.
De juf had verteld over de zonde tegen de Heilige Geest en wat dat was. Ze zei: “Je bent voor eeuwig verloren als je je willens en wetens tegen God keert en Hem vervloekt terwijl je weet dat God goed is. Dan kies je bewust voor het kwaad en dan kan God je nooit meer vergeven”.
Op hetzelfde moment sloeg de bliksem bij Frida in, recht door haar hoofd en hart, alsof een mes door haar lijf sneed. Dat was het dus, dat had zij gedaan! O nee toch, nee laat het niet waar zijn. Nee God, nee! Het was echter wel waar, want ze had bewust God vervloekt toen het strikken van haar veters niet lukte. Ze wist het nog precies, ze zat boven aan de trap om haar schoenen dicht te doen. Het ging niet, hoe ze het ook probeerde. Ze wilde dat moeder haar zou helpen. Maar moeder wilde dat liever niet, zo wel dan werd ze boos dat Frida het niet zelf kon. Toen dacht ze dat de duivel haar kwaad deed, want het kwade komt van de duivel. Wacht eens even, God is toch sterker dan de duivel? Ja toch? Het was dus eigenlijk Gods schuld, Hij wil mij niet helpen omdat ik een stout kind ben. Moeder zei toch dat ik een kreng en serpent ben? Een serpent is een slang en de duivel is ook een slang.
Frida wist nog hoe boos ze op God werd toen de veters niet wilden strikken. Heel boos werd ze en ze wilde, vloeken, net als de roomsen deden, maar vloeken mocht niet. Ze durfde niet te vloeken, maar zei uit de grond van haar hart, echt menens: “Rot God” en nog eens en nog eens “Rot God, Rot God…”. Ze herhaalde dat keer op keer in haar boosheid.
Nu de juf dit verteld had begreep ze dat wat zij gedaan had nog erger was dan vloeken, want ze had zich ‘willens en wetens’ tegen God gekeerd. Alles werd mistig om haar heen, ze zag alleen de boze juf met haar vuist naar de hemel geheven, tegen God. Dat had zij, Frida, gedaan! Ze trilde en bibberde, liep met knikkende knietjes naar huis. Voor eeuwig verloren, voor eeuwig en nergens ooit nog redding. Eeuwig branden en smeken om water, om vergeving. O God laat het niet waar zijn, vergeef me, vergeef me! Maar ze wist dat niemand haar meer helpen kon. Alleen God, maar die had zelf gezegd dat de zonde tegen de Heilige Geest onvergeeflijk was.
Frida moest toen altijd aan dat erge denken, dat ze naar de hel ging. Op school kreeg ze vaak standjes omdat ze niet goed oplette, niet luisterde en zat te dromen, ze vonden haar lui.
De meester zei dat ze een voorbeeld moest nemen aan haar broer en zus, die waren goed, zij was anders, een buitenbeentje met een scheel oog en afgeplakt brillenglas. Ze plaagden haar vaak, trokken aan haar vlechten, riepen ‘schele aap’ of ‘brillenjood’. Ze wist nooit goed wat ze terug moest doen.
Was ze maar een ander, ze wilde geen Frida zijn. Ze durfde de mensen niet eens goed aan te kijken omdat ze bang was dat ze zagen hoe lelijk ze was, een duivelskind.
Vanaf die tijd had ze nog maar één wens en daar had ze alles, echt alles voor over, dat ze in de hemel mocht komen, dat wilde ze zeker weten. Daar wilde ze wel voor sterven, dan was moeder ook van haar af.
Ze probeerde dat vreselijke erge te vergeten, want het was zo moeilijk te bevatten, ze kon er niet goed de woorden voor vinden. Soms begreep ze niet meer goed hoe het zat, wilde het niet begrijpen, maar dat angstige gevoel verdween nooit. Kon ze het maar tegen iemand zeggen, iemand die haar lief vond, maar ze wist dat ze niet lief was en bij Eva geloofden ze niet. Die zouden haar niet begrijpen en er misschien zelfs om lachen. O God help me toch, vergeef me als ’t U blieft.
Vader en moeder mochten niet weten dat ze zó slecht was dat ze naar de hel zou gaan. Moeder wist wel dat ze niet goed was, een secreet zei moeder, maar ze wist niet dat het nog veel erger was dan ze dacht. Moeder zei vaak: “Het gaat de verkeerde kant op met jou als je niet verandert”. Nee, ze wilde nooit meer horen dat ze echt voor eeuwig verloren was, dat was haar geheim, alleen God en de duivel wisten het.
O als God toch eens genadig wilde zijn en haar zou vergeven, wat zou ze dan blij zijn! De roomsen gingen elke week biechten. Haar vriendinnetje Maria, die tegenover haar woonde, vertelde dat en ze sprak ook wel over de Paus. Die is het Hoofd van hun kerk, wat die zegt is de heilige waarheid.
Vader en moeder geloofden ze niet in de Paus en ook niet in Maria. Maria is niet moeder Gods, God kon toch geen moeder hebben? Zij was wel de moeder van Jezus maar verder een gewone vrouw die nog meer kinderen kreeg. Eens had Frida gezegd: “Ach, die gekke Paus van jullie”. Toen zei Maria: ”O, nou heb je een doodzonde gedaan, de Paus is Heilig”. Frida had er stoer om gelachen maar was toch erg geschrokken van die doodzonde.
Bij de roomsen konden doodzonden vergeven worden, de zonde tegen de Heilige Geest was ook een doodzonde en misschien kon de priester haar vergeven als ze, net als Maria, ging biechten.
“Wij hebben de biecht niet nodig, door zijn kruisdood is Jezus voor onze zonden gestorven en mogen wij rechtstreeks tot Jezus gaan, Hij is de ware Middelaar, niet Maria”, had vader gezegd.
Frida had een keer bij Maria mogen eten. Aan de lange tafel zaten de vader en moeder met negen kinderen, boven de schoorsteen hing een kruisbeeld van Jezus met spijkers door zijn handen en een snee in zijn buik waar ook bloed uit kwam en een doornenkroon op. Frida moest altijd naar dat kruisbeeld kijken, in hun huis waren geen beelden, ook niet in de kerk, beelden mochten niet vereerd worden. De vader begon hardop met bidden, een soort weesgegroetjes en de kinderen zeiden hem dan na. Ze sloegen kruisjes van voorhoofd naar borst, hielden hun ogen open en vouwden hun handen niet. Het jongste kind stond in de box met een stok te spelen. Middenin het gebed riep de vader opeens: “Wie heeft dat kind die stok gegeven, haal hem weg”, vervolgens pakte hij de draad weer op en maakte het gebed af. Bij ons is het veel eerbiediger met gevouwen handen en gesloten ogen, dacht Frida.
Bij haar thuis bad vader voor het eten:
“O Vader die al ‘t leven voedt, kroon deze tafel met Uw zegen,
spijs en drenk ons met het goed door Uwe milde hand verkregen,
leer ons voor overdaad ons wachten dat we ons gedragen zoals ‘t behoort
leer ons het hemelse betrachten en sterk onze zielen door Uw woord. Amen”
Na het eten las vader uit de Bijbel, de kinderen herhaalden het laatste woord en daarna dankte hij:
“O Heer wij danken U van harte voor nooddruft en voor overvloed,
daar menig mens eet brood der smarten, hebt Gij ons mild en wel gevoed,
doch geef dat onze zielen niet aan dit vergankelijk leven kleef,
maar alles doet wat Gij gebied en eind’ lijk eeuwig bij U leef’’. Amen.
Vaak ook gebruikte vader zijn eigen woorden in een gebed.
Eigenlijk was alleen God van echt belang in het leven, Jezus ook want die was voor alle zonden van de mensen gestorven, behalve voor die ene zonde van Frida. God wist zelfs alles al van tevoren, hoe alles zou gaan, hoe ze eruit zag en wat ze de volgende week zou doen. Eigenlijk was er niets meer aan te doen, want alles stond vast. Ook wat je taak in het leven zou worden en dat alles tot eer van God en voor de komst van zijn Koninkrijk moest zijn. Dus als het vaststond dat zij, Frida, naar de hel zou gaan dan was er niets meer aan te doen. Hoe hard ze ook huilde, smeekte en bad, het hielp niets, je was of een kind van God of een kind van de duivel.
************************
Het liefste was Frida bij Eva, daar waren ze aardig en meestal vrolijk, dan kon ze met Eva in de duinen spelen, waar ze huisjes maakten tussen het helm en de struiken. Soms namen ze kleden en stokken mee om een tent te bouwen, Eva kreeg een mandje met lekkers van haar moeder. In de duinen zochten ze een mooi plekje uit, spreidden een kleed op de grond en het andere over de stokken. Ze hoorden opeens geschreeuw en opeens stond er een groep jongens voor hun neus. Het waren de schoffies van Binnen die begonnen te plagen. “We gaan lekker met jullie neuken”, schreeuwden ze, “in de bunker”. Eva raakte in paniek maar Frida dacht aan dat speciale gevoel.
Ze verlangde vaak naar dat lekkere gevoel maar nu was ze bang. Het mocht nu eenmaal niet en het waren vieze wilde jongens. Eva maakte zich niet zo druk om het geschreeuw maar was bezorgd om het lekkers, ze zei dat ze de tas met snoep zou redden en liep daar hard mee naar huis. “Ha, nu pakken we jou”, riepen de jongens terwijl Frida de stokken en kleden bij elkaar raapte en achter Eva aan zeulde door het mulle zand. “Hier is nog een stok, kom maar halen”, de jongens hielden haar tegen en trokken aan de kleden, dreigden met de stokken te slaan als ze niet wilde neuken. Frida verzette zich met hand en tand, ze zou het niet doen. Huilend kwam ze een poosje later bij Eva aan, die lag al chocola te snoepen op haar bed.
Toen ze naar huis wilde steppen, riep de buurjongen van Eva: “Wil je een koekje hebben?“ Frida wilde wel een koekje, ging naar binnen waar de grote jongen alleen met haar in de keuken was. “Krijg ik nu een koekje?”, vroeg ze. “Je krijgt een koekje als je eerst met me naar boven gaat”, zei Daniel die altijd meedeed met de spelletjes van Aart. Ze wist wel wat hij wilde, ze moest haar broekje uit doen en hij zou met zijn piemel tegen haar aan gaan liggen en dan zou ze dat heerlijke gevoel weer krijgen, maar het mocht niet en ze zou het nooit weer doen, nooit weer. Dus weigerde ze maar ze wilde wel haar koekje en bleef er om vragen. Hij had het beloofd. Daniel bleef zeggen dat ze alleen een koekje kreeg als ze mee ging en Frida hield vol dat hij het beloofd had en nu moest geven.
Opeens was er gestommel bij de achterdeur. Daniel schrok en duwde Frida in de kelderkast. “Stil zijn”, siste hij. Daar was de moeder van Daniel. Ze werd vreselijk bang, plaste opeens in haar broekje boven op de aardappelen die in de hoek van de kast lagen. Straks doet de moeder de deur open en wat dan? Het was niet haar schuld, ze moest huilen maar durfde geen geluid te maken. “Van wie is die step bij de keukendeur?” hoorde ze de moeder van Daniel zeggen. “O, die heeft Eva hier laten staan”, loog Daniel. Toen werd het stil, ze was bang in die donkere kast, wilde weg, moeder zou boos zijn als ze te laat was voor het eten en vragen wat ze gedaan had.
Opeens deed Daniel de kast weer open, trok haar eruit en duwde haar ruw weg: “Opschieten
pak je step en ga weg”. “En je had een koekje beloofd”, piepte Frida nog na, terwijl ze niet
wist hoe snel ze weg moest komen.
Frida stepte van Noordwijk aan Zee, waar Eva, na de Fröbelschool nu woonde, naar Noordwijk-Binnen waar zij woonde. Ze kon goed steppen, vond het heerlijk om zo hard mogelijk te gaan. Vooral als ze van de Panhuisweg naar beneden stepte, ging dat heel hard. Toen ze zes jaar werd had ze de step op haar verjaardag gekregen. Dat was een heel mooi cadeau geweest van haar vader en moeder. Ze heeft heel goede ouders, zeggen de mensen tegen haar als ze horen dat ze er één van meester is. Dan hoort ze: “Hé, ben jij er ook één van de onderwijzer? Je lijkt niet op je zusjes en broertjes”. Ze wou wel graag net zo lief als Suze zijn en net zo knap, maar ze was er toch trots dat ze bij zo’n goede familie hoorde. Ze paste er niet zo goed bij maar ze zou haar best doen om geen schandvlek te zijn. God had haar gelovige ouders gegeven die de kinderen christelijk opvoedden. Dat was een grote zegen, zeiden de mensen. Daar moest ze God heel erg dankbaar voor zijn.
Het was erg voor moeder dat ze niet goed luisterde en vaak ongehoorzaam was. Ze pikte wel eens een kaakje en snoepte soms stiekem uit de suikerpot, eerst een lik boter en dan in de suiker, dat was lekker. En laatst viel het dekseltje van de suikerpot stuk. Logies dat moeder boos werd, maar ‘waarom gaat alles fout bij mij, ook als ik m’n best doe’, dacht Frida moedeloos, waarom is moeder bijna nooit blij? Vaak begreep Frida er niets van. Het leven is bij ons helemaal niet leuk, dacht ze.
Bij haar schoolvriendinnetjes vond ze het vaak veel gezelliger. Er waren er die hele lieve moeders hadden, waar gelachen werd en waar de moeders met de kinderen speelden en ze soms knuffelden. Frida’s moeder speelde niet met de kinderen, haalde haar nooit aan en ze mocht ook nooit op haar schoot zitten, wat ze eigenlijk ook niet wilde. Het was niet prettig als moeder haar aanraakte. Moeder zag haar niet maar keek keurend over haar heen en dan stootte, plukte, veegde en trok ze aan Frida’s jas, rok, bloes of kousen, alsof alles scheef zat en moeder dat recht moest trekken.
Veel schoolvriendinnetjes waren hervormd en dat was niet zo goed als gereformeerd, maar toch geloofden ze bijna hetzelfde, ze zongen daar ook gezangen, bij de gereformeerden alleen psalmen en ‘enige’ gezangen achter in het psalmboekje.
In de derde klas leerden ze het gezang: “Op u mijn Heiland blijf ik hopen, verlos mij van mijn bange pijn”, Frida kreeg tranen in haar ogen, want ze voelde opeens weer scherp die bange diepe pijn die nooit weg wilde gaan. Natuurlijk liet ze niets merken, wie huilde er nou om een lied? Maar God zag haar toch? “Zie heel mijn hart staat voor U open en wil, o Heer uw tempel zijn”. Hij wist toch dat heel haar hart voor Hem open stond? Waarom hielp Hij haar niet, waarom kon haar zonde niet vergeven worden? Niemand wist van haar geheim, haar lichaam was ook geen tempel van de Heilige Geest, niemand kon haar helpen en niemand mocht het weten.
************************
Was ze maar een kind van Eva’s moeder, dan had ze net als Eva blij kunnen leven en spelen. Dan had ze helemaal niet geloofd en nooit geweten dat ze naar de hel kon gaan. O wat een mooi leven zou dat zijn! Bij Eva waren ze aardig voor haar. Op haar verjaardag kreeg Frida een leesboekje “Goud in je hart”. Hoe konden ze dat voor haar uitzoeken? Frida was er blij mee maar het klopte natuurlijk niet. Dat konden ze niet weten.
Op zondag zwemmen, fietsen, ijsjes kopen en niet meer naar die saaie kerk. Een moeder die dan lief voor haar was, haar praten en vragen niet lastig vond of raar maar gewoon beantwoordde. Waar ook gelachen werd om en met elkaar. Thuis zeiden ze dat ze domme vragen stelde, Eva’s moeder zei: “Van vragen word je wijs”.
Maar als je niet geloofde kon je ook niet naar de hemel gaan, dus eigenlijk wilde ze niet ongelovig zijn, want dan ging je na je dood toch naar de hel, dus een echte oplossing was het niet om een zus van Eva te zijn. Toch was Eva veel gelukkiger en iedereen hield van haar.
Eigenlijk was het héél erg dat er mensen waren die er maar op los leefden en niet geloofden. Ze beseften dat niet, maar zij wist hoe erg het was als je voor eeuwig verloren ging. Ze wilde de mensen wel toe schreeuwen dat ze geloven moesten. Maar eerst moest God haar verlossen, nu was ze te slecht en geen goed voorbeeld. Ze kon niet net doen of ze een kind van Jezus was, want dat was ze niet.
Kon ze maar biechten, net als Maria die altijd vergeving kreeg van de kapelaan. Dan kon je ongezien in het biechthokje gaan. Niemand hoefde dat te weten en de kapelaan keek dan door een tralieraampje en luisterde naar wat je vertelde. De Katholieke Kerk staat altijd open, je kon gewoon naar binnen gaan. Als zij nu eens zo’n hokje in zou gaan met de capuchon op en dan vroeg of er vergeving was voor haar zonde tegen de Heilige Geest?
Stel je toch eens voor dat hij zou zeggen dat God mij vergaf! Frida kon zich niets heerlijkers bedenken. Ze zou van blijdschap niet weten wat te doen. Dan zou ze weer lief worden en goed gaan luisteren, dan werd ze een echt kind van God. Zo dacht Frida toen ze wanhopig achter het hek voor de roomse kerk heen en weer liep.
De kapelaan kende haar niet want ze was niet Rooms, misschien zou hij naar haar naam vragen. Begreep hij wel wat de zonde tegen de Heilige Geest betekende? Was het ook een roomse zonde of alleen een gereformeerde? Frida durfde toch niet naar binnen te gaan, uit angst te moeten horen dat de kapelaan zou zeggen: “Jij hebt een doodzonde gedaan die God niet vergeven kan, dan kan ik het ook niet”. O nee, dat kon en wilde ze nooit meer horen. Als de kapelaan het ook nog eens zei, net als de zondagsschooljuf, dan was er geen sprankje hoop meer. Ze wilde, tegen beter weten in, hoop houden omdat ze het niet begreep.
Moeder kreeg weer een baby en Frida mocht bij Eva logeren. Dat was een groot feest. Ze mochten dan samen in een groot tweepersoonsbed slapen. Opeens was alles best wel fijn, als dat hele erge er niet was zou ze bijna gelukkig zijn. Dat erge is er altijd, maar nu was het een beetje weg, want de grote zussen van Eva zijn zo lief voor haar, ze zeiden dat ze slim was en origineel. Ze wist niet wat ’origineel’ was, het klonk wel goed. Gerrit zei juist dat ze stom was. Hier vonden ze haar grappig, moesten ze zelfs erg om haar lachen, thuis kreeg ze er straf voor.
Wat was het toch raar in de wereld, want hier was het zo mooi terwijl God er niet was. Ze baden, lazen en dankten niet eens bij het eten. Ze vertelden elkaar zelfs vieze moppen waar hard om gelachen werd. Eenmaal had Frida ook eens zo’n mopje aan tafel verteld toen Eva bij haar at, daarom durfde ze het te doen. Ze ging naast vader staan omdat het een mopje voor vader was. Ze trok haar mondhoeken met twee wijsvingers uit elkaar en zei: “Mijn vader heeft haren op zijn borst”. Het werd doodstil, alleen Eva proestte het uit, hield zich toen snel in. “Van wie heb je dat geleerd?” vroeg vader streng. “Gewoon, op het schoolplein”, zei Frida. De maaltijd werd in stilte vervolgd.
Frida genoot van haar logeerpartij. Alles, alles was hier anders, je mocht gewoon doen waar je zin in had, je mocht elkaar niet lastig vallen, maar je mocht wel alles vragen. Dan kreeg ze altijd uitleg. Thuis moest ze haar mond houden, juist geen vragen stellen maar gehoorzamen. Hier werden verhalen verteld, uit boeken voorgelezen of plaatjes bekeken. Er werd veel met elkaar gepraat over heel veel onderwerpen, ook over God en het geloof, maar daar wisten ze eigenlijk niets van. Ze dachten zeker dat je zelf kon uitmaken hoe alles in elkaar zat, dat staat in de Bijbel en weet God alleen. ‘Ik weet dat, ik hoor dat van mijn vader en moeder en in de kerk’, dacht Frida.
De afwas werd vaak niet gedaan, de keuken stond vol vuile kopjes, bestek en borden, het huis was lang niet zo netjes en schoon als bij Frida thuis. Eva’s moeder wilde wel vaak dat we onze handen wasten, want overal waren bacteriën. Ze hadden ook een douche en maakten daar veel gebruik van. Bij Frida gingen ze één maal per week in de teil, in de keuken. De oudsten eerst.
Meestal werd er bij Eva niet op tijd gegeten. Dat vond ze soms wel moeilijk om zo lang te moeten wachten, als het eten dan eindelijk op tafel stond, duurde het nog lang en was het koud geworden voor ze begonnen. Ze vond het eten niet zo lekker als thuis, vaak Indisch eten omdat ze uit het Jappenkamp kwamen. Daar was Eva geboren als jongste van zeven kinderen. Eva’s moeder deed wel eens een beetje vreemd, dat is door de Jappen gekomen, zei Eva. Haar vader was doodgeschoten in Indonesië maar toen iemand aan Eva vroeg wat haar vader voor werk deed, zei Eva: “Mijn vader is professor””, Frida wist wel dat hij professor was geweest maar had Eva niet verraden toen ze net deed of haar vader nog leefde.
Soms lag er een broer of zus te slapen op de bank, dan mocht je die niet wakker maken en dus ook geen lawaai maken. Bij Frida thuis was het ondenkbaar dat je op de divan ging liggen slapen, niemand zou daar rekening mee houden. Maar Aart is wel een echte pestkop, niet stiekem zoals Gerrit maar openlijk en met veel lawaai, soms maakt hij ruzie met Mennie. Ze schreeuwden en vochten dan met elkaar. Toch maakten ze het later weer goed en deden ze weer aardig tegen elkaar.
Tijdens die logeerpartij werden Eva en Frida allebei ziek, ze kregen koorts en moesten in bed blijven. Toen mochten ze niet meer samen in het grote bed. Dat vond Frida wel erg jammer omdat het zo knus warm en gezellig was in dat grote bed en het licht van de vuurtoren draaide steeds over het plafond.
Frida was thuis één maal ziek geweest, ze kreeg toen erge buikpijn en was verbaasd dat vader zei dat ze naar de dokter moest. Ze gingen bijna nooit naar de dokter omdat alles wel overging voor je een jongetje werd. Moeder had ze eens horen zeggen, over vrouwen die naar de dokter gingen: “Die kwaaltjes zitten altijd onder de rokken”. Nu bleek dat Frida geelzucht had, dat heerste op school. Vader wist ook veel over ziektes, hij was bij de reddingsbrigade en had een EHBO-post aan huis. Eigenlijk was het zo raar om ziek te zijn. De laatste keer toen ze erge oorpijn had, mopperde moeder, deed slaolie in haar oor en moest ze toch naar school.
Frida kreeg het kleine kamertje van Eva. Nu werd ze verwend en verzorgd. Steeds kwam er iemand vragen of ze iets wilde eten of drinken. Op een nacht werd ze verschrikt wakker, ze zag dat Eva’s zus naast haar bed zat te waken: “Je hebt een nachtmerrie gehad, ik blijf bij je, wees maar niet bang”, zei Mennie. Thuis had ze ook wel angstdromen, maar hier waren ze zo bezorgd omdat ze ijlde en hoge koorts had. Zo overdreven vond Frida dat, daar kon ze niet mee overweg. Het lijkt wel of ze echt om me geven, dacht ze. Hier vinden ze mij helemaal niet lastig of stout. Dat komt omdat ze niet geloven. Als je in God gelooft zie je beter wat verkeerd is en goed. Je kunt niet op jezelf vertrouwen. Alleen God is te vertrouwen, mensen niet.
************************
Daar leerde ze thuis meer over, daar waren duidelijke regels, wetten en geboden. daar moesten alle gezinsleden zich aan houden. Geen uitzonderingen en geen vragen of discussie daarover.
Eva vond het bij Frida thuis wel fijn, omdat alles op tijd ging, dat er orde en netheid was. Dat miste Eva bij haar thuis. Frida’s moeder was vriendelijk tegen Eva, dat vond Frida fijn want ze wilde dat haar vriendinnetjes haar moeder aardig vonden. Tegen Matty echter had moeder heel naar gedaan. Frida had haar meegenomen om samen te spelen, moeder stond te strijken en keek verstoord op, mopperde op Frida dat ze zomaar iemand meenam: “Waarom doe je dat nu, dat komt me niet uit. Je doet altijd maar raak”. “We kunnen ook wel buiten spelen”, stelde Frida voor. “Daar komt niets van in, je had eerst moeten vragen of Matty mocht meekomen”. Matty stond er stilletjes bij en Frida schaamde zich voor haar moeder die wild met de strijkbout tekeerging en Matty kribbig wegstuurde. “Ik breng Matty dan voor de helft naar huis hoor moeder”. Moeder zei niets. Matty speelde bijna nooit met een vriendinnetje omdat ze ziekelijk was. Frida dacht dat moeder het juist wel goed zou vinden. Matty was zo’n zacht, lief meisje en haar ouders behoorden immers tot dezelfde kerk.
Kort daarna gebeurde iets ergs. De meester kwam in de klas en vroeg om stilte. Hij keek heel ernstig, kuchte wat en zei: “Kinderen, jullie weten dat Matty in het ziekenhuis ligt. We hebben haar onlangs nog een kaart gestuurd. Nu moet ik jullie iets erg vertellen. De ouders van Matty hebben mij vanmorgen verteld dat Matty is gestorven”. Alle klasgenootjes van Matty schrokken erg, sommige huilden zelfs en één meisje begon te lachen. Daar werden veel kinderen boos om, maar de meester zei dat dat zenuwen waren. Frida voelde weer zo’n bange steek van schrik en angst.
Eva en Frida waren nog op Matty’s verjaardagsfeestje geweest toen ze negen jaar was geworden. Matty was één dag jonger dan Eva en Frida die gelijk jarig waren en even oud. Ze waren tweelingvriendinnen.
Matty had niet veel vriendinnetjes omdat ze altijd buikpijn had en dan niet op school kwam.
Het bleek dat ze een kronkel in haar darmen had’. In de darmen zitten toch heel veel kronkels, hoe kan je daar nu dood van gaan? , dacht Frida.
Eva, Frida en nog een paar meisjes uit de klas gingen naar Matty kijken die thuis opgebaard
lag. Matty was nog geen tien jaar en nu al dood. Zo eng, dood. Frida voelde zich hel angstig.
Ze werden binnengelaten door de vader van Matty en toen mochten ze in het voorkamertje gaan waar Matty lag. Frida wist niet wat ze zag. De kamer was donker gemaakt met zwarte en paarse kleden, in gouden letters stond daarop: “Rust zacht” en “Laat de kinderen tot mij komen”, er stonden kaarsen te branden. Toen zag ze het kistje met Matty erin, Frida stond vlak vooraan bij haar gezichtje, ze leek wel een engeltje in haar witte jurkje, in het haar van Matty zat het haarspeldje dat Frida nog op haar verjaardag had gegeven. De vader vertelde: “Matty is heel rustig heengegaan, voor ze voorgoed insliep zei ze ‘dag zuster’ dat waren haar laatste woorden”. In trance stond Frida aan het hoofdeinde van het kistje. Wat was Matty wit, Frida keek en keek, bewogen haar oogleden niet?
Opeens stond Frida in de gang bij de keuken en ze kreeg een glas water. Haar tanden klapperden tegen de rand, het water liep langs haar mond. Ze stonden allemaal om haar heen, ze begreep het niet. Hoe was ze hier gekomen?
Eva vertelde haar dat ze was gaan schreeuwen en huilen, dat Matty’s vader haar naar de keuken had gebracht. Frida kon zich dat niet herinneren, ze zag alleen Matty in dat glanzend wit beklede kistje, zo mooi en met haar speldje in het haar ging ze naar de hemel. Ze wilde wel Matty zijn, maar was toch bang.
De hele klas ging naar de begrafenis, Frida’s moeder en nog andere moeders ook van de klasgenoten van Matty.
Frida stond bij het graf en zag moeder aan de andere kant staan met andere moeders.
Moeder huilde en Frida dacht: “Je hebt nog lelijk tegen Matty gedaan, je hebt haar weggestuurd en nu sta je te huilen?” Zou moeder daar nu ook aan denken en er spijt van
hebben? Ze zag Moeder naar haar kijken maar ‘ze mag niet zien dat ik huil’, dacht Frida.
Tot besluit van de begrafenis werd er gezongen: “De Heer is mijn herder”, dat was wel mooi maar het laatste lied hadden ze niet moeten zingen, vond Frida “Al dreigt ook het graf, ….O Heer, mij vertroosten Uw stok en Uw staf“, dat graf, die stok en staf boezemden haar angst in, geen troost.
************************
“We moeten moeder allemaal helpen”, zei vader, hij hielp zelf heel veel maar toch klaagde moeder altijd. Het is niet fijn om een vrouw te hebben, dacht Frida. Vader klaagde nooit maar was soms wel streng als er ruzie dreigde. Openlijk vechten mocht niet, de spanning baande zich een weg in cynische grapjes, stiekem krabben en knijpen, of de kinderen schopten elkaar onder de tafel. Alleen Frida was impulsief en flapte er van alles uit:
“Waarom krijgt Gerrit altijd een groter stuk vlees dan ik”?
“Misschien verdien ik het wel”, meesmuilde Gerrit, “Jij bent lastig, ook vanmiddag plukte je bijna geen bramen, wij moesten alles doen”.
“Dat is niet waar, ik heb ook veel geplukt maar het was zo warm en jij bent veel groter”.
“Je was gewoon weer vervelend, liep ons in de weg”
“Dan hoef je nog niet zo te duwen en te stompen”.
“Dat deed ik niet en nu begin je weer”.
“Dat deed je wel en ik begin helemaal niet, ik wil alleen maar de waarheid zeggen”.
“De waarheid? Leugens zal je bedoelen”.
“Ik lieg niet, jij bent achterbaks”.
“Hou je mond, Frida, zo is het wel genoeg”, zei vader.
“Hoor je dat Frida, je moet je mond houden”, zei Gerrit treiterig.
Ja , het was stom van haar om te zeggen wat ze dacht, want ze kreeg dan ook de schuld van alles. Ze vonden haar niet normaal, moeder zei: “een vreemd sujet”. Frida wist niet wat dat betekende, maar ‘t klonk niet best.
Frida had veel plezier in tekenen, vader vond ook dat ze dat goed kon en bewaarde soms haar tekeningen. Hij liet er één aan moeder zien en zei: “Moet je nu eens zien hoe mooi ze deze voorjaarstekening getroffen heeft. Hoe denk je erover als Frida tekenles krijgt in plaats van orgelles”? Moeder keek niet eens naar de tekening, had haar antwoord al klaar: “Ben je wel in orde? We kunnen het geld wel beter gebruiken, belachelijk om zo’n kind te leren tekenen, laat ze zich leren te gedragen”. Frida had die reactie van moeder wel verwacht, toch was ze teleurgesteld, ze had heel graag naar tekenles gewild.
Op school kreeg ze hoge cijfers voor tekenen, net als voor beleefdheid en gedrag, maar ze wisten natuurlijk niet hoe ze thuis was. Voor vlijt had ze bijna altijd een vijf. Dat begreep ze niet, ze had toch goede rapporten? De meester zei: ”Frida kan wel, maar wil niet”. Ik wil best wel, dacht Frida maar misschien komt dat doordat ik zo veel moet nadenken? De meester zei: “Frida let niet op, ze kan zich niet concentreren, ze is lui”.
Klasgenootjes vonden haar een slome. Ze wist meestal niet waar het was of waar het over ging tijdens de les en dan kreeg ze straf. Kon ze in de hoek gaan staan of op de gang.
Anderzijds zat Frida vol verhalen en had vaak veel te vertellen, ze stond graag in het middelpunt. Toen ze vertelde dat de box waar kleine Elly nu instaat, geleend was van de Stichting, moesten ze allemaal lachen. Hoe kwam ze erbij, wat een fantasie had dat kind. Waar haalde ze het vandaan? Maar Frida wist het zeker, moeder had het zelf verteld, vroeger toen Suze er nog in stond, het was een witte box. Sinds die tijd plagen ze haar als ze iets wil vertellen, ze lieten haar niet eens uitpraten maar zeiden in koor: “Sta je weer in de box te ijlen?“ of “Loop naar de Stichting”. Alsof ze daar thuishoorde.
Frida wist niet wat ze moest denken; vonden ze haar nu leuk of juist niet? Ze lachten wel maar ze wilde zo graag geloofd worden. Nee, ze geloofden haar niet, maar toch was ze altijd blij als ze om haar lachten want voor boosheid was ze bang.
************************
Wanneer moeder Elly de borst gaf, durfde Frida niet zo goed te kijken. Ze vond het raar om moeders blote borst te zien, alsof het eigenlijk niet hoorde. Soms kneep moeder er in dan kwam er glazige melk uit de grote roze speen, tepel heette dat. Ze kreeg dan zo’n vreemd gevoel. Het leek een beetje op schaamte, ze wilde het eigenlijk niet zien van haar moeder. Het was moeilijk om dicht bij moeder te zijn. Soms, als vader voor zijn werk een nacht niet thuis was, mochten kleinste kinderen bij moeder in bed slapen, dat vonden ze fijn. Frida begreep dat niet, ze wilde juist niet bij moeder in bed slapen maar moeder vroeg het haar gelukkig ook niet.
Eenmaal moest Frida een nachtje bij oma slapen, de moeder van moeder die in de Kerkstraat woonde. Ze moest bij oma in de twijfelaar liggen, dat vond ze niet fijn maar er was niets tegen te doen. Frida ging toen bijna helemaal op de houten rand van het bed liggen met haar gezicht naar de muur, ze wilde oma niet zien en ook niet voelen. Oma knielde voor het bed en bad heel lang. Voor het slapen gaan knielden vader en moeder elk voor hun eigen stoel naast hun bed. Frida deed ook altijd haar avondgebed. Als het koud is wilde ze dat in haar bed doen maar dan had het geen waarde, dan ging ze er toch weer uit om op haar knietjes voor het bed te knielen. Voor God moest je alles over hebben, alles.
Ze kon niet slapen, moest steeds aan doodgaan denken, oma is al oud, zou ze bang zijn om dood te gaan? Frida moest weer denken aan het psalmversje dat ze geleerd had: “Ik lag gekneld in banden van de dood, daar ‘d angst der hel mij alle troost deed missen”. De tranen brandden achter haar ogen. Die zin was vaak in haar gedachten.
Ze wilde dat God niet bestond, dat ze gewoon kon spelen zonder bang te zijn, net als Eva. Maar als God niet bestond dan zou de hele wereld niet bestaan want Hij had alles geschapen, dan zou er niets zijn. Hoe kon dat? Niets, wat is niets? Is dan alles licht of donker en is er dan ook geen lucht? Het licht is ook geschapen dus dan is het donker. Hoe kon het dat God dan wel bestond? God was eeuwig zei vader, Hij was er altijd al geweest en wij waren op aarde om Hem te dienen en om mede te werken aan de komst van zijn Koninkrijk. Alleen God was belangrijk want alles ging voorbij behalve Hij.
De Pubertijd
De familie was die zomer verhuisd. Nu woonde ze niet meer dichtbij de zee maar bij de bossen en bij de koningin. Ze miste haar vriendinnetje Eva. Frida was nu elf jaar en ging naar de zesde klas op een andere school. Alles was anders geworden, niet leuker wel mooier, want ze woonden nu in een villa aan een deftige laan. Vader had dit huis gekocht en nu moesten ze erg zuinig zijn want volgens moeder was vader gek geworden om zoveel geld te lenen voor het huis.
Toen ze nog in Noordwijk-Binnen woonden moesten ze ook altijd zuinig zijn, dus dat waren ze wel gewend. Moeder naaide bijna alle kleren voor de kinderen en oma breide veel vestjes en truien. De boterhammen werden dun gesmeerd en karig belegd, aardappelen en fruit werden flinterdun geschild, er werd geen water verspild en er mocht nooit onnodig licht branden. Eten weggooien was uit den boze en wat hergebruikt kon worden werd bewaard. Maar dat was eigenlijk normaal want dat ging bij veel grote gezinnen net zo. De kinderen deden goed hun best, behalve Frida, die werd met de dag lastiger. Wanneer Frida haar best deed om te helpen dan was het nooit goed in moeders ogen: “Je gebruikt teveel water, er zit ook teveel zeep in, eerst een natte en daarna een droge doek”. “Dat doe ik toch, wat zeurt u nou”? “Doe maar brutaal, ja dat kan je wel”. Frida vond echt dat ze het goed deed, maar voelde moeders irritatie groeien als zij bij elkaar waren. Ze kon beter uit de buurt blijven, niets was ooit voldoende in moeders ogen. Gerrit trok haar terug als ze weg wilde lopen: “Laat je ons weer voor het werk opdraaien”? Hij was moeders hulp en toeverlaat, reageerde zich met moeder, op Frida af.
Kon ze maar naar Eva gaan, hier had ze nog geen vriendin, ze vonden haar vreemd en apart. Elke week leerden ze een psalmversje dat ze maandagsochtends uit het hoofd moesten opzeggen. Dat was op de vorige school net zo. Frida kon haar versje altijd heel mooi opzeggen, dat had ze zo geleerd en dat vond ze leuk om te doen.
Nu had ze op de nieuwe school haar versje net zo mooi opgezegd als vroeger, maar ze waren gaan lachen: “Je mag wel gewoon praten hoor, wat een uitslover ben jij”. Hier op de nieuwe school brabbelden ze hun versje heel vlug af. Oneerbiedig en lelijk, vond ze dat.
Meester Knoet was het Hoofd van de school, hij was ook ouderling, net als vader. Hij had haar laatst erg streng toegesproken. Dat kwam zo: Eefje moest nablijven, Jannie, Greetje en Frida zouden buiten op haar wachten, het duurde erg lang. Ze vonden het gemeen van meester Knoet en Frida stelde voor dat ze gedrieën tegelijk ‘gemenerd’ zouden roepen. Een, twee, drie en dan, maar toen durfden Jannie en Greetje niet meer en riep Frida helemaal alleen en hard: “Gemenerd”. Toen riep de meester haar binnen en hij gaf Frida er erg van langs, ze was toch een kind van gelovige goede ouders? Hoe kon ze zo lelijk doen, God zag toch alles en hij hield een hele preek. Ze keek hem niet aan, zag alleen zijn dikke buik, hij rook naar de kerk. Ze kon niet onthouden wat hij allemaal zei. Toen hij klaar was, was er wel een heel naar gevoel en ze slenterde verslagen naar huis. Ze was helemaal verkeerd bezig. Moeder was nu altijd boos op haar en Gerrit treiterde haar ook steeds en kon zo gemeen stompen en in haar armen knijpen. Ze probeerde dat zeker terug te doen maar hij was ouder en sterker. Hij zei dat het haar schuld was als moeder boos werd, omdat ze altijd haar zin wilde doordrijven. Hoe moet het toch verder gaan?
************************
Frida mocht nu ook op de christelijke gymnastiekvereniging. Daar ging ze heel graag heen, ze was goed in turnen, daar leefde ze zich in uit. Ze wou de beste zijn. Op dit terrein kon ze concurreren met de andere meisjes. Heerlijk in de ringen zwaaien, optrekken, de dislok en inlok maken, de brug en evenwichtsbalk vond ze moeilijker omdat de leggers en de balk zo’n pijn konden doen als de oefening fout ging. Doch met een flinke aanloop de snoeksprong over de bok maken was het einde. Met de onderlinge wedstrijden zat ze meestal bij de prijzen. Ze zat goed in haar lijf, daar kon ze zich in uitleven en daar had ze controle over.
Het deed haar wel pijn dat ze met groepsspelen als korfbal en kastie nooit snel gekozen werd. Dat kwam, dacht ze, omdat ze niet zo dik bevriend was met iedereen. Ze kozen altijd eerst hun vriendinnen.
Deze winter was koud, er lag ijs zodat er geschaatst kon worden, ze mocht meedoen met wedstrijdjes van haar klas en ze won al een derde prijs. Daar was ze heel trots op. Wel was het eng op het ijs als het zo kraakte en er barsten in sprongen. Soms waren er wakken en daar kon je in terechtkomen. Stel je voor dat je onder het ijs kwam en verdronk? Dan ging ze dood, het was heel donker onder het ijs en niemand kon je dan vinden.
Frida moest veel aan de dood denken en aan het eind der tijden, als de wereld zou vergaan. Als de dominee daarover preekte ging ze helemaal trillen, werd ze vreselijk bang want dan kwam het oordeel.
Ze had pas nog gedroomd over de wederkomst van Christus. Ze stond in de voortuin met Suze bij het hekje op de houten putdeksel waaronder een gat was waar de waterhoofdkraan zich bevond. Soms verstopten ze zich daarin met verstoppertje spelen.
Het was donker maar de hemel ging open met donderend geraas en lichtflitsen, Christus kwam op een paard tussen de wolken vandaan met een prachtige mantel om. Frida kromp in elkaar, was heel bang maar Suze keek blij en zij werd aangenomen en opgetild, mocht mee naar de hemel, Frida niet, de putdeksel zakte onder haar in en toen werd ze wakker. Ze trilde helemaal, ze had vaak nachtmerries. Soms gaf vader haar dan een slokje water.
Vader was meestal opgewekt, gisteren gaf hij haar een compliment omdat ze het gasfornuis stond te poetsen, dat was een vies werkje maar ze had er gewoon zin in om het mooi te maken. Vader zag haar aan het werk en zei: “Dat zie ik nu graag, fijn dat je moeder zo goed helpt”. Ze deed het zeker niet om moeder te helpen en Frida kon er niet tegen als iemand aardig tegen haar was, ze sloeg vaders hand die op haar schouder lag, weg en viel boos uit: “Schei toch uit, ik heb er helemaal geen zin in, ‘t is een rot werk”, snauwde ze, gooide het schuursponsje weg en hield gelijk op met poetsen. Ze voelde zich betrapt, ze kon alleen haar lelijke kant laten zien, dat ging haar natuurlijk af, dit niet. Vader begreep er niets van en Frida zelf eigenlijk ook niet.
************************
Boven de ingang van de school stond een bijbeltekst, in steen uitgehouwen: De vreze des Heere is het beginsel der wijsheid. Frida vond het een mooie tekst maar toch moeilijk te begrijpen want ze vreesde de Heer heel erg maar ze was niet wijs. Als ze wijs was, zou ze misschien beter begrijpen hoe het allemaal zat met God en het geloof. Nu begreep ze niet waarom zij verloren moest gaan. Ze bad terwijl ze langzaam naar huis liep: “U weet toch God, dat ik echt in U geloof, ik vrees U zo, vergeef me toch”. Ja ja zegt een stem in haar: “Satan gelooft ook, doch hij siddert, zo staat het in de bijbel”. Frida sidderde, net als de duivel, ze was zo vreselijk, vreselijk bang.
Dat allerergste was weer gebeurd, net als toen bij de zondagsschooljuf. Meester Knoet gaf bijbelles en opeens hoorde ze hem zeggen: “De zonde tegen de Heilige Geest kan nooit vergeven worden”. O wat schrok ze toen de meester uit legde wat die zonde inhield. Weer die vlammende steek door haar ziel. Het was net als toen op de zondagschool. Willens en wetens God vervloeken! Had ze niet willens en wetens ‘rot God’ gezegd? Meerdere malen zelfs. De meester keek Frida aan toen hij dat zei met zijn twee vuisten naar de hemel. Frida bestierf het, voelde zich slap worden en opzij vallen in de bank. Dit was het dus, het is waar, ik heb God vervloekt en nu ben ik echt voor eeuwig verloren. Nee, nee, ik wil niet verloren gaan, mijn ziel moet gered worden, O God help me toch, vergeef me als ‘t U blieft!
Ze werd aangestoten door het meisje dat naast haar in de bank zat: “Wat zit je te slapen, ga van mijn bank af“. Frida kwam langzaam bij en besefte dat ze zich moest vermannen, dat ze flink moest zijn en niets moest laten merken. Heeft de meester het echt gemerkt? Hij keek haar aan, maar ze zal zich niet laten kennen.
Frida wist het allang maar soms was dat erge ver weg en hoopte ze dat het niet waar was. Nu was haar alles helder en wist ze dat het waar is, dat er voor haar geen redding meer was. Radeloos voelde ze zich, waar te gaan, tot wie? Ze kon nergens heen, alleen naar God maar die kon haar niet vergeven. Hoe moest dat nu verder? Ze wilde wel dood, maar dan was ze gelijk in de hel dus dat was geen optie, ze wilde niet naar de hel. Voor moeder was het ook zo erg dat ze bestond, maar ze kon er toch niets aan doen dat ze geboren was?
In trance liep ze de school uit en probeerde gewoon te doen. “Zullen we gaan hinkelen”, vraagt haar buurmeisje en ze zei dat het goed was en hinkelde met haar door de vakken. In haar hoofd stuiterde ze door de hinkelvakken met: hel, hemel, hel, hemel, hel, om dan toch te hopen dat ze bij hemel af is.
Touwtje springen, honderd malen, zonder stoppen wil ze de hemel halen, bleef ze er onder dan ging ze ten onder. Bij achtenveertig, telde ze wel? Ging ze weer terug naar de hel. Knopen tellen hemels, hellen. Haar broek had er één, dat was de hemel, maar als ze haar jasknopen telt ging ze naar de hel.
Zo ging het ook met ballen en eigenlijk alle spelletjes.
Vreemd dat alles toch gewoon doorging, dat ze zelf ook doorging en straks thuis zou zijn en dat niemand wist dat ze voor eeuwig verloren zou gaan. Dat wist zij alleen en het zijn alleen heel slechte mensen die voor eeuwig verloren gingen, wat is erger dan God, de allerhoogste vervloeken? Vader en moeder dachten dat het nog goed met Frida kon komen als ze zich beter zou gaan gedragen, maar ze wisten niet dat het veel erger was dan zij vermoedden. Hoe zou ik een ander kunnen worden, ik wil niet mij zijn maar gewoon heel iemand anders, dacht Frida, bijvoorbeeld dat meisje dat daar fietst. Laat me haar zijn en niet mij. Ze dacht dat zo heftig dat ze bijna zichzelf verloor. Kon het maar, maar dan zou ze toch alleen maar een gelovig iemand anders willen zijn, niet een ongelovige. Ongelovigen gingen tenslotte allemaal verloren, zij wilde gered worden. Het ging tenslotte toch om de redding van haar ziel. Dit leven deed er eigenlijk weinig toe. Alles gaat voorbij, ook deze wereld. Alleen God is eeuwig, alleen Hij is echt belangrijk. Frida was van geen enkel belang, ook niet voor God. Hij wilde haar niet zien.
Thuisgekomen was ze in eerste instantie heel stil en rustig, maar inwendig kon ze zich niet goed beheersen. Het maalde maar door in haar hoofd: voor eeuwig verloren, nooit vergeving, altijd berouw, altijd schuldig…waarom toch, waarom zo zwaar gestraft voor een onbezonnen rare kinderlijke daad? Maar Frida, je zei het bewust, je gaf God bewust de schuld met je “Rot God”. En dat was ook waar. Ze wist niet wat te doen en was bijna blij dat Gerrit haar op stang joeg omdat ze zo sloom was: “Kan je niet wat opschieten met tafeldekken, of doe je expres zo langzaam zodat wij het weer moeten doen?”. Als door een wesp gestoken viel ze uit: “Bemoei je niet met mij, doe het dan zelf. Jij kan alles toch zo goed? Vooral in pesten ben je de beste!” “O oh, kan je weer niets hebben?’ “Inderdaad, laat me met rust, anders doe ik je wat”, dreigde Frida met de messen en vorken in haar handen. Ze wilde hem bijna aanvallen en verscheuren.
Beheers je Frida, zei ze tegen zichzelf, want niemand mag het weten. Moeder zei dat het de spuigaten uitliep met haar, als ze niet snel zou veranderen moest ze maar naar een opvoedingsgesticht. Eigenlijk wilde ze dat wel, weg van huis, weg van moeder.
Frida voelde zich verlamd door de angst en was er stil van. In de avond uren, als moeder kousen stopte of zat te naaien, maakte ze zowaar haar huiswerk aan dezelfde huiskamertafel. Herman studeerde op zijn eigen zolderkamertje. Joke was handig in naaien en maakte spullen voor haar uitzet. Gerrit zat naast de kachel met een leerboek van de HBS. Meestal stond de radio aan, ze konden allemaal luisteren naar de Familie Doorsnee. Toen Frida haar huiswerk af had las ze in het blad ‘Moeder’ een artikel over een tehuis voor moeilijk opvoedbare meisjes. De foto’s van het huis en de omgeving zagen er mooi uit en het leek haar eigenlijk juist fijn om daarheen te mogen gaan. Ze liet het moeder zien en zei: “Is dit misschien geschikt voor mij, moeder, bedoelde je zoiets voor mij?“ Moeder had haar aangekeken of ze gek was geworden.
************************
Nee, het was niet leuk in deze nieuwe plaats. Frida moest erg wennen. Ze speelde wel met kinderen uit de buurt, soms ook met hun broers en andere vriendjes. Dat was soms spannend want dan was er weer diezelfde opwinding als vroeger met Aart, maar nu was het toch anders. Toen gebeurde het als vanzelf, nu was ze groter en wist ze dat ze het niet doen mocht. Maar één keer, toen ze verstoppertje speelden bij een vriendin en het licht in huis hadden uitgedaan, pakte een jongen haar vast in zijn armen, trok haar tegen zich aan, ze voelde zijn lijf tegen het hare door de kleren heen en kreeg weer dat aller heerlijkste gevoel. Net alsof er even geen narigheid meer bestond, zelfs dat allerergste leek dan heel even weg. Kon ze dat gevoel maar vaker krijgen, maar ze wist niet hoe ze dat bij haarzelf op kon wekken.
De spreuk boven de schooldeur deed haar denken aan het verhaal van Salomo die bij priester Elia werkte. Hij krijgt een droom waarin God hem laat kiezen wat hij wil hebben. Salomo kiest voor wijsheid, vanwege die goede keus krijgt hij al het andere erbij cadeau: rijkdom, geluk, vrouwen, kinderen, land en onderdanen, alles.
Frida bad ook om wijsheid, niet om al dat andere maar echt alleen om wijsheid, want als God haar wijsheid gaf zou ze misschien leren begrijpen waarom ze verloren moest gaan. Ze wist dat ze het God niet kwalijk mocht nemen, want Hij kon er niets aan doen dat zij zo zondig was. “God is niet verantwoordelijk voor de fouten die wij maken, Hij gaf ons een vrije wil”, had vader gezegd. Wanneer je dus voor het verkeerde kiest, dacht Frida, dan kun je je vrije wil verliezen. Als God haar de zonde tegen de Heilige Geest niet vergaf had ze geen keus meer, dan bleef ze gebonden aan het kwaad. Vader zei ook: “God wil dat al zijn kinderen behouden worden en daarom heeft Hij zijn zoon gestuurd om de zonden van de mensen op zich te nemen, juist daarom is Jezus gekruisigd en gestorven. Dat moest gebeuren en Judas moest Jezus verraden. De dominee zei dat Judas de grootste zondaar was. In de bijbel stond: “Wee die mens door wie Hij verraden wordt!” Frida begreep wel waarom Judas zelfmoord pleegde. Zij wilde ook wel dood, maar niet naar de hel.
Ze had medelijden met Judas, want als alles van tevoren vast stond, dan had Judas toch geen keus? Er moest toch iemand zijn die Jezus zou verraden? Als het Judas niet zou zijn was het een ander geweest. Judas had deze speciale taak van God gekregen en daarmee toch Gods heilsplan gediend? Ze vond het zo moeilijk te begrijpen. God wil dat ik Hem liefheb maar Hij verwerpt mij, dacht ze. Heeft God voor mij dan ook een speciale taak? Waarom laat Hij mij de Zonde tegen de Heilige Geest doen? Nee Frida, dat heb je zelf gedaan, we hebben onze eigen vrije wil van God gekregen. Pas op, dat je God de schuld niet gaat geven. O God help me toch, vergeef me toch!”” smeekte ze in stilte.
************************
Het op één na allerergste.
Ook in deze nieuw plaats was vader ouderling, maar de familie zat niet meer achter de ouderlingen in de kerk. Vader zat bij de ouderlingen voor in de kerk. Moeder zat in het achterschip op de derde bank met de kinderen. Zondagsochtends liep moeder iedereen geagiteerd op te jagen om op tijd in de kerk te zijn. Ze wilde niet dat haar bank door anderen ingenomen werd. ‘Sta op, kleed je aan, schoenen dicht, jas aan, zorg dat je er netjes uitziet en schiet op´, dat ging zo door tot ze alvast de deur uitliep en de anderen er op een holletje achteraan kwamen.
Gelukkig was haar bank meestal nog leeg en schoof de familie daarin. Frida moest vaak naast moeder zitten, die wilde haar in de gaten te houden, dat kind deed altijd wat bijzonders. Soms vleide Frida stiekem haar hoofd tegen moeders bontjas aan, dat is zo lekker warm en zacht aan haar wang. Dat merkte moeder niet, die jas was zo dik.
“Laat uw rechterhand niet weten wat uw linker doet”, hoorde ze de dominee zeggen en ze keek naar de stuiver in haar rechterhand. Stopte die vervolgens in haar linkerhand en dacht: ‘hoe kan de ene hand nu niet weten wat de andere doet? Dan moet ik het zelf niet weten’ en ze begon stuivertje te wisselen terwijl ze haar gedachten op iets anders richtte om het niet te weten. Dat lukte niet, ze bleef zich bewust welke hand gevuld was. Er waren kinderen die het collectegeld niet in de zak deden maar bewaarden en er snoep van kochten. Ongelooflijk vond Frida dat, hoe durfden ze geld van God te stelen.
Onder de preek soesde ze wat weg tot het tot haar doordrong dat de preek over de dood ging. De dominee verhief zijn stem en ze luisterde:
“Maar wij mogen dat oordeel niet vellen, want wij weten niet wat God in de laatste ogenblikken met de mens voor heeft. Het is mogelijk dat de stervende zich op het allerlaatste moment bekeert en vergeving vraagt. God is genadig en zal vergeving schenken en hem of haar aannemen. Ja, de mens kan zelfs op het allerlaatste moment nog gered worden. Maar, broeders en zusters, wacht niet tot het laatste moment want ook al kan God u redden, u moet dan terugzien op een verloren leven, een leven zonder God is geen vruchtbaar leven, dan is uw levenswandel waardeloos geweest voor God. U zult dan berouw hebben over het feit dat u zich niet eerder had bekeerd. Dat is het op één na allerergste”.
Verstond ze het goed? Kon er iets bestaan dat bijna net zo erg was als voor eeuwig verloren gaan? Ze voelde weer dat ze van binnen trilde en spitste haar oren. O, ze begon het te begrijpen en de ernst ervan daalde langzaam in haar ziel. Wat vreselijk, als je oud bent en terug moest zien op een verloren leven, een leven waarin je alles verkeerd had gedaan en het niet meer over kon doen. Je kon dus na je dood voor eeuwig verloren zijn, maar je leven op aarde kon ook nog verloren gaan.
Frida zag het al helemaal voor zich, echter hoe kon ze haar leven goed leven als God haar niet vergaf? Ze had God al haar hele leven beloofd als Hij haar ziel zou redden. Ze zou dan helemaal voor God en het geloof in hem gaan leven, later de zending in gaan, naar Afrika misschien als God haar de zekerheid gaf dat ze gered was. De angst sloeg haar om het hart dat nu ook haar leven waardeloos zou worden, hoe te leven als ze buiten Gods genade viel, hoe te sterven? Niemand op de wereld leed erger dan Frida, ze begreep niet dat veel mensen zich zo druk maakten over klein menselijk leed, daar had ze weinig gevoel en begrip voor. Elke avond voor het slapen gaan moesten ze bidden voor Ineke Postman, een dochtertje van vrienden van vader en moeder. Ineke had een ongeneeslijke nierziekte, Suze bezocht Ineke geregeld, ze waren even oud. Uit de verhalen kon Frida opmaken dat Ineke zich geheel toevertrouwde aan Jezus en niet bang was, hoewel ze natuurlijk graag wilde blijven leven. Ineke wist dat ze naar de hemel ging, naar Jezus. Frida benijdde haar eerder dan dat ze medelijden had. Ineke was ziek maar niet ongelukkig, Frida was gezond maar erg ongelukkig en eenzaam.
‘s Nachts, wanneer ze niet kon slapen, werd ze bang in het donker, bang voor geesten, fluisterende wezens die haar wilden aanraken. Voelde ze iets? Ja, nee, ze hoorde wat. Snel deed ze de deur van de kledingkast op slot en sprong op haar bed zodat het diep doorzwiepte. Misschien was er iets onder, kijken durfde ze niet. Soms wilde ze ook niet in de spiegel kijken, als ze diep en wat langer in haar eigen ogen keek werd ze bang, net of zij de duivel zag of de duivel haar.
In bed kroop ze diep onder de dekens en bad of God haar wilde vergeven, dat ze heel erg spijt had, nee spijt was niet genoeg, ze moest berouw hebben, had de meester gezegd. Spijt betekende dat je iets jammer vond voor jezelf maar berouw ging dieper, dan begreep je dat je God verdriet had gedaan. O Frida wilde alles voor God doen als Hij haar vergaf, als ze dan maar zeker wist dat ze in de hemel kwam. Ze huilde en smeekte tot God: “O God, help me toch, vergeef me dat ik U vervloekt heb, ik wou juist niet vloeken en daarom zei ik dat. Ik ben zo bang voor de hel, eeuwig branden en tandenknarsen, altijd berouw, eeuwig….”, aanzwellend lawaai van de trein die voorbij kwam razen…, ze herkende het niet en dacht dat de wereld verging…
Opeens stond ze te gillen op de overloop. Moeder, Gerrit en Herman kwamen verschrikt naar de hal en liepen de trap op .”Wat is er aan de hand? We schrikken ons dood”, zei moeder. Frida kwam wat bij en realiseerde zich dat ze zich bijna had verraden. Niemand mocht weten waarom ze schreeuwde en ze deed wat van haar werd verwacht, waar ze goed in was, kribbig snauwde ze: “Niets aan de hand, ik geloof dat ik droomde, bemoei je niet met mij, laat me en ga weg”.
“Eerst ons de stuipen op het lijf jagen en ons dan ook nog afsnauwen, wat ben je toch een akelig kind”. Ja, dat ben ik, denkt ze, waarom ben ik niet anders? Ik wil niet Frida zijn, was ik maar een ander.
Er was geen land met haar te bezeilen. Moeder werd er razend en wanhopig van en Frida ook, ze kon alleen maar boos en lelijk zijn, ruzie zoeken en dwars liggen. Zelfs vader kreeg het er af en toe te kwaad mee. Frida kreeg wel eens een klap, maar daar maalde ze niet om. Die pijn was gauw voorbij.
Erger vond ze het als ze bijvoorbeeld niet naar haar vriendinnen mocht gaan of naar gymnastiek, dat pikte ze niet. Vooral gymnastiek wilde ze niet missen, dus moeder hield haar niet tegen. Ze renden zelfs achter elkaar om de tafel en om het huis heen, maar Frida won en was er vandoor, naar de gym.
Meestal bemoeide vader zich niet met de ruzies tussen moeder en Frida maar als hij dat wel deed nam hij het altijd voor moeder op en kreeg Frida op haar kop, dat vond ze vaak oneerlijk. Bovendien, zag vader niet dat moeder ook heel erg lelijk tegen haar deed? Hij was toch in de buurt toen moeder vanmiddag zo tekeerging? Frida waste haar handen, toen ze de zeep pakte had ze de kraan eerst dicht moeten doen, nu viel moeder al gelijk uit: “Doe de kraan dicht, je gebruikt veel te veel water”, “Valt wel mee, ik ben al klaar”, zei Frida. “Nee, als je inzeept moet de kraan dicht en alleen weer open om je handen af te spoelen”. “Dat weet ik wel, maar het is al gebeurd, waar maakt u zich toch altijd druk over”.
“Over jou, over je gedrag, je verpest alles, het was juist zo fijn tussen vader en mij”.
************************
Op de mulo had Frida wat vriendinnen gekregen waar ze veel mee omging. Ze hadden wel plezier met elkaar. Cootje, Jolande en Linda zijn de drie beste vriendinnen. Ze moesten nogal eens om Frida lachen omdat ze zo afwezig was, zulke naïeve vragen kon stellen, droge opmerkingen maakte en op een verstrooide professor leek of onnozele Hans, het is maar hoe je dat bekeek. Vooral Jolande lag dan in een deuk en Frida moest er zelf ook erg om lachen als ze in de gaten kreeg wat er gebeurde.
Buiten dit groepje had ze weinig contact met de rest van de klas. Bij de jongens had ze al helemaal niets te zoeken, die vonden haar natuurlijk lelijk en helemaal niet leuk. Ze kon dan alleen maar denken aan haar vroegere ervaringen met Aart en Daniel. Jongens waren andere wezens.
Op school kreeg ze veel strafwerk omdat ze niet bij de les bleef, zijzelf vond niet dat ze zat te dromen, ze dacht aan het leven, nog meer over de dood en hoe dat nu allemaal moest gaan. Dat waren grote vraagstukken die haar meer in beslag namen dan het schoolwerk. Het is wel waar dat ze nooit wist waar de les over ging, had vaak haar huiswerk niet af, dat kwam ook doordat ze soms zoveel strafwerk moest schrijven waardoor ze geen tijd meer had voor haar huiswerk. Gek eigenlijk dat ze haar strafwerk serieuzer nam dan haar huiswerk.
Vorige week, met Engelse les kwam Suze bij haar in de klas, ze was eruit gestuurd en moest naar het Hoofd. Frida was verbaasd dat haar zusje straf had, ze dacht dat Suze altijd braaf was. Suze was tegen haar bijna nooit lelijk of gemeen, zoals Gerrit wel vaak was. Soms nam Suze het zelfs voor haar op.
Ze hoopte nu maar dat alles goed ging met haar in de les, zodat Suze niet zou meemaken dat ze weer straf kreeg of voor gek werd gezet, want Broekmans was erg sarcastisch en vond zijn gemene grappen zelf erg leuk.
Broekmans vroeg al gauw om haar strafwerk. Gelukkig, ze had het af en leverde het in. Het was stil in de klas, ieder moest voor zichzelf werken. Opeens hoorde ze: “Klungel, kom hier!” Frida vloog overeind, ze wist gelijk dat zij de klungel was. Ze liep naar de lessenaar en Broekmans zei treiterig: “Zie je dat je hier een ‘n’ hebt vergeten? Kan je nog niet eens je strafwerk zonder fouten maken? Schrijf het nog maar eens vijf maal over, zonder fouten”.
Ze trilde een beetje en vond het zo erg dat Suze dit nu zag gebeuren. Ze ging zitten en hoorde als klap op de vuurpijl: “Je blijft toch altijd een kluns, hé?”
Tot overmaat van ramp gaf Broekmans haar ook een beurt voor de klas. Ze had gelukkig haar huiswerk geleerd en hij vroeg haar iets waarop Frida in het engels moest antwoorden. Ze wist het antwoord maar hakkelde van de zenuwen, kwam niet goed uit haar woorden. Echt een moment voor Broekmans om sarcastisch te worden: “Je hebt het zeker niet geleerd, hè”? zei hij met een grijns. “Jawel, maar ik dacht…”. “Niks te maren en denken kan je niet, ga maar lekker zitten, ik schrijf wel een eentje op”.
Frida kon wel huilen, zo gemeen vond ze het van Broekmans. Ze verdacht hem ervan dat hij dit nu expres deed omdat haar zusje in de klas zat. Echter ze was het wel gewend, ze had een dikke huid gekregen.
Veel meisjes in haar klas begonnen al borstjes te krijgen, Frida had nog niets, ze wilde dat ook hebben en keek vaak naar haar lichaam, ook of ze al haartjes kreeg, het stelde niet veel voor. Ze wilde, net als Jolande en Cootje zijn. Jolande was ook al ongesteld, maar ze vond het niet fijn. Het leek Frida wel fijn om groot te zijn. Laatst probeerde moeder haar voorlichting te geven, samenzweerderig vroeg ze: “Frida, wil je de b-doekjes van de waslijn halen”? B stond voor bandage en werden gebruikt tijdens de menstruatie. Dat wist Frida allang, de emmer water met bloederige doeken stond geregeld in de badkamer, bah. Vader spoelde ze nogal eens uit, gênant eigenlijk. Het stond Frida tegen om intimiteiten met moeder te bepraten, ze bracht de doeken en zei : “Je hoeft me niets te vertellen, ik weet alles al” en liep snel weg. Hierover had ze de vorige zomer al veel gehoord toen ze bij Eva logeerde. Eva had toen een nichtje te logeren en die had haar ‘emmertje’ zo noemden ze dat. Ze had alleen niet begrepen waarom dat ‘emmertje’ heette. Nu begreep ze dat het emmetje moest zijn, de M van menstruatie.
Bij Eva kon je over die dingen praten en vragen stellen, daar was het gewoon en schaamde ze zich niet. Frida moet er niet aan denken intieme zaken met moeder te bespreken. De gedachte alleen al maakt haar onpasselijk. Ze zou het nooit aan haar moeder vertellen als ze ongesteld was geworden, dat loste ze zelf wel op. Frida had ondertussen zelf een behaatje genaaid, ze was handig en zou daar ook niet om vragen want ze had er geen nodig. Ze wilde als de andere meisjes zijn en vulde dat behaatje op met zakdoekjes.
Ze wist nu ook een manier om zelf een lekker gevoel op te wekken. Als ze op haar kamer huiswerk moest maken, streek ze met haar pen over het kruis van haar broekje en dat voelde heerlijk.
Van huiswerk maken kwam sowieso niet veel terecht, dat lukte haar niet omdat ze haar gedachten er niet bij kon houden. Ze ging liever met haar vriendinnen om, bij Linda mocht ze ook vaak slapen omdat zij de jongste en enig meisje was, haar ouders vonden het fijn voor Linda. Frida mocht altijd bij haar vriendinnen slapen, moeder leek er juist gelukkig mee. De andere kinderen sliepen bijna nooit ergens anders.
Linda sprak vaak over jongens en met wie ze ‘ging’. Frida ‘ging’ nooit met een jongen, hoe deden die anderen dat? Werden ze dan gevraagd en wat deden ze dan? Frida voelde zich daar helemaal buiten staan. Ze kon zich niet voorstellen dat een jongen met haar wilde gaan, ze vonden haar toch lelijk en raar? De meisjes in haar klas wilden graag ‘apart’ zijn, maar zij wilde juist ‘gewoon’ zijn, ze weten niet hoe erg het is om echt apart te zijn, dacht Frida. Ze zou maar wat graag met een jongen ‘gaan’ en leuk gevonden worden. In gedachte stelde ze zich voor dat een jongen aan haar zou laten blijken dat hij haar aardig vond en met haar wilde gaan. Zou dat zo toegaan bij Linda en anderen? Er hing toch altijd wel geheimzinnigheid omheen. Frida zou niet weten hoe ze daarmee om moest gaan. Zoenden die jongens je dan ook? Dat zou wel heerlijk zijn als het oprecht was, zodat ze niet meer alleen was en zich veilig kon voelen bij een jongen die van haar hield. Maar als het alleen om vrijen ging zou ze zich schamen.
************************
Eva kwam logeren. Frida was heel erg blij dat haar beste vriendin nu eindelijk weer eens bij haar zou zijn. Ze zou Eva aan al haar vriendinnen voorstellen, ze zouden dan eens zien hoe een leuke vriendin ze had. Iedereen vond Eva immers aardig? Moeder ook, ze vond al Frida’s vriendinnen wel goed. Eva was meestal vrolijk en lachte makkelijk met anderen.
Op een avond in de zomer zaten Eva, Linda, Bob en Frida nog tot laat in de tent die bij Linda in de tuin stond. Bob woonde naast Linda, ze vertelden elkaar verhalen, dan moppen, daar was Eva altijd goed in. Toen het wat donker begon te worden gingen ze over geesten en spoken praten. Het werd vreselijk spannend want Bob wist iets over spiritisme , een soort geloof in geesten, dat ze echt bestonden en opgeroepen konden worden. Frida werd er inwendig erg bang van maar toch wilde ze alles horen en mee griezelen. Linda en Eva konden er om lachen en probeerden Frida bang te maken. Dat lukte dus wel een beetje maar Frida hield zich toch flink.
Het was al helemaal donker toen Frida en Eva thuiskwamen en naar bed gingen. Frida was zich aan het uitkleden op de slaapkamer toen Eva opeens het licht uitdeed, de deur opengooide en met een laken over haar heen als een spook aan kwam zetten, ze riep met zware stem: “Ik ben de geest van pierlala..ha ha…”, Frida wist dat het Eva was die een grap maakte, niettemin brak alle spanning in haar los en begon ze te schreeuwen en te huilen, raakte vreselijk overstuur. De hele familie schrok op van het plotselinge lawaai en viel stil toen Frida niet kon stoppen. Ze was nauwelijks tot bedaren te brengen en kwam tenslotte langzaam tot rust. Eva en Frida kropen samen in het zolderbed, onder de dekens sloeg Eva haar arm om Frida heen die nog natrilde.
Frida wilde zo graag eens met Eva over moeder praten, dat moeder zo gemeen en lelijk tegen haar deed. Ze had dat nog nooit tegen iemand gezegd, ze wilde dat haar vriendinnen haar moeder goed vonden, want moeder was ook wel goed, alleen hield moeder niet van haar. Daarom was het ook zo slecht tussen hen. Nu durfde ze het Eva te vertellen want Eva kende de hele familie al zo lang en Frida had zo’n behoefte aan begrip, ze voelde zich zo vreselijk alleen.
“Vind je niet, Eva dat mijn moeder helemaal niet aardig tegen me is? Ze geeft mij overal de schuld van, is zo gauw boos. Zie jij dat ook”? Eva dacht even na en antwoordde: “Maar jij bent ook niet aardig voor je moeder, hoor”. Van dat antwoord schrok ze erg, ze dacht dat Eva aan haar kant zou staan. Niet dus, ze moest zelf veranderen. Ze durfde er niet verder met Eva over te praten. Misschien zag Eva het wel goed want zij vond het best fijn om bij onze familie te zijn. En daar hoorde zij ook bij.
************************
Er was nu bijna alle dagen ruzie in huis. Was het niet met moeder, dan wel met Gerrit of een ander gezinslid, soms leken ze allemaal tegen haar. In gedachten noemde Frida haar moeder een viswijf vanwege haar hysterisch geschreeuw, letterlijk aan alles ergerde moeder zich. Nooit was iets goed genoeg. Ze voelde zich ook steeds opstandiger worden, het was gewoon niet eerlijk dat moeder haar overal de schuld van gaf. Moeder was zelf één en al klaagzang en chagrijn. Gisteren liet Frida de melk overkoken, zo stom want ze wilde dat juist niet laten gebeuren en ze stond er met haar neus bovenop, toch vloog de melk erover. Natuurlijk moest dat haar weer gebeuren, moeder ging gelijk tekeer: “Wanneer zal jij ooit eens iets goed doen, niets kan ik aan je overlaten, stuk ongeluk dat je bent”.
O waarom was alles altijd zo naar? Kon ze maar weg uit dit huis, weg bij moeder. Moeder zei zelf toch ook zo vaak dat ze blij zou zijn als zij het huis uit was? Niemand hier is blij met mij en ik wil helemaal niet moeders leven verpesten’, dacht Frida, ik ben ook niet blij met mijzelf. Waarom ben ik geboren, hoe moet ik toch leven?
Ze moest denken aan het boek dat ze pas had gelezen over Jane Eyre, daarin zat een waanzinnige vrouw opgesloten. Ze herkende zichzelf in die vrouw, alsof ook zij opgesloten moest worden achter tralies omdat ze anderen aan zou vallen, als een verscheurend dier. Ze had zo’n medelijden met die vrouw en was zo bang dat zij ook zo zou worden.
Frida verafschuwde haar eigen gedrag, maar ze kon gewoon niet anders en begon moeder steeds meer uit te dagen, haar enige machtsmiddel was dat ze wist dat ze moeder in alle staten kon krijgen. Daar was geen kunst aan, ze durfde zelfs zeggen: “Ik vind je een rot moeder”, waarop moeder haar had aangekeken en met de vinger aangewezen toen ze zei: “Je zult het van je eigen kinderen op je boterham terug krijgen”. Daar schrok ze van.
Waarom zei moeder altijd zulke enge dingen? Als ze op haar nagels beet, zei moeder: “Nagelbijter, mensentreiter”, soms zei ze ook: “Je bent een nagel aan m’n kist” en “Wee je gebeente”.
Inwendig werd ze bang van zulke uitspraken. Vooral die nagel aan haar kist, alsof haar hand dan de klauw van satan was. O nee, niet daaraan denken, het mocht niet waar zijn dat ze naar de hel gaat want ze geloofde toch echt in God.
Ze smeekte en huilde God om vergeving als ze in bed lag en niet slapen kon: “Lieve God, als u mij vergeeft zal ik m’n hele leven van u getuigen, want dan maakt u mij de gelukkigste mens van heel de wereld. Ik weet dat ik u vervloekt heb, nu weet ik wat het is om voor eeuwig verloren te zijn. Daarom weet ik dat er ook redding moet zijn, dat er een hemel is. Er is niets dat ik meer verlang. O laat me toch zeker weten dat mijn ziel voor eeuwig gered zal zijn. Als u mij nu die zekerheid geeft, wil ik daar nu voor sterven. Nooit zal ik u meer vervloeken. Als ik vervolgd zou worden om m’n geloof, dan ga ik liever de brandstapel op dan dat ik u opnieuw verloochen”. Het zweet brak haar uit want ze voelde de vlammen al opkomen. Ze stikte bijna maar als ze God verloochende beging ze weer de zonde tegen de Heilige Geest en zou het leven op aarde al een hel zijn. Ook die gedachte verstikte haar.
Dan zou ze in het gekkenhuis terechtkomen, net als tante Tina. Frida had van moeder gehoord dat die heel erg was gaan vloeken en met de bijbel had gesmeten, bladzijden eruit had getrokken en verscheurde. Nu was ze opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis.
Waarom moest ze altijd maar over het geloof nadenken, over de dood, over het einde van de wereld en het oordeel? Het was of een ander haar in de macht had, daarom was ze zo bang dat ze ‘bezeten’ was. Daarom wist ze dat alleen God haar kon verlossen. Thuis praatte ze eigenlijk niet graag over het geloof, juist niet want als het gesprek die richting uit ging , begon ze van binnen te trillen en ging ze expres ongeïnteresseerd doen.
Volgens Frida dachten ze thuis juist dat ze lichtzinnig en oppervlakkig was want zo liet ze zich zien. Ze trok zwarte netkousen aan en een te korte rode rok, maakte haar lippen net zo rood en zong Mylord van Edith Piaff, moeder woest om haar te korte rok, vader wilde het lied van een hoer niet horen. Wat waren ze toch stijf en ouderwets, ze begrepen niets van haar. Ze zou zich ook niet laten kennen. Haar gevoel ging niemand iets aan, ze was er allang achter dat je niet op je gevoel af kon gaan. Niemand in haar familie liet enig gevoel zien, Frida misschien wel maar dat waren beslist verkeerde gevoelens, daar konden ze geen rekening mee houden. Wat telde waren regels, gezond verstand en gehoorzaamheid.
************************
“Ons gevoel misleidt ons”, preekte de dominee, “omdat het egoïstisch is, zelfzuchtig. We moeten vertrouwen op Gods Woord, alleen Zijn woord is waarheid, al het andere is leugen”. Frida was het daar van harte mee eens, mensen waren niet te vertrouwen, ze zong het pas nog in de kerk:
“Reken niet op mensenwaarde, want bij mensen is geen baat
Ligt niet alles wat hij wil met zijn laatste adem stil?“
Frida herkende al haar gevoelens in de psalmversjes, daar las ze hoe ze zich voelde, wat ze vreesde en verlangde, de vrees overheerste.
Met Cootje, haar broer Joop en Linda gingen ze op de fiets naar een jeugddienst in Hilversum. Het was een nieuwe kerk met witte muren vanbinnen en met een groot houten kruis boven de preekstoel. Ds. Heinen preekte over het thema “Zoek het zelf maar uit”. Er werd veel gezongen en er was een negrospiritualband.
Het was echt mooi, vol blijdschap en Frida voelde weer dat diepe grote verlangen naar God, dat ze zou mogen leven zonder die vreselijke angst, dat ze door God aangenomen zou worden en dat ze dat ook echt beleven kon. Ze wist zeker dat er niets mooiers dan dat bestond en ze had stiekem wat tranen weggepinkt toen ze zongen:
Dat heet weergaloos’ ontferming; dat genade rijk en vrij.
God schenkt redding, schenkt bescherming,
schenkt z’ aan zondaars, schenkt z’ ook mij.
Ja, wanneer mijn onvermogen en mijn diep bederf mij smart,
toont mij ‘t Godd’lijk Vaderhart zijn verlossend mededogen.
God is liefde! – Engelenstem, mensentong, verheerlijkt hem!
Bij sommige liederen van Johan de Heer voelde ze ook dat grote verlangen om te mogen leven in de zekerheid van het geloof, maar die zekerheid kon je niet afdwingen, het is genade aan de uitverkorenen.
Haar vriendinnen twijfelden aan het geloof en de kerk, die konden daar zo makkelijk over doen alsof God hen nodig had in plaats van zij God. Linda zei na afloop van de jeugddienst: “Ik geloof niet dat we zondig zijn, God heeft ons goed geschapen en volgens mij komen alle mensen in de hemel, de hel bestaat niet”. Dat vond Cootje ook: “Je hoeft niet naar de kerk te gaan om te geloven, als je maar goed leeft”. Daar was Frida het niet mee eens: “Het is toch niet zo makkelijk om goed te leven, iedereen maakt toch fouten en dan heb je vergeving nodig”. “Daar heb je de kerk toch niet voor nodig en God is liefde, Hij wil dat we gelukkig zijn”, vonden ze alle drie. Joop zei: “Ik vind het veel te vaak over zonde en schuld gaan, ik ben niet zondig noch schuldig”. “Als je er zo over denkt”, zei Frida “dan heb je helemaal geen geloof nodig, dan ben je volmaakt”. Joop voelde zich aangesproken: “Nee, ik ben niet volmaakt en maak best wel eens een fout maar wat geeft dat? Ik hoor graag de Blijde Boodschap maar ik haat die zware donderpreken”. Frida kon er niet veel tegenin brengen, toch meende ze te moeten zeggen: “Volgens mij hebben we allemaal vergeving van zonden nodig, Christus is toch niet voor niets gestorven?” Joop zei: “Ik neem dat niet zo persoonlijk, Jezus is ons voorbeeld, het is goed om hem na te volgen, ik zou echter niet willen dat iemand voor mij stierf”. Cootje voegde toe: “Er zijn genoeg ongelovigen, humanisten bijvoorbeeld, die heel goed leven en veel voor anderen over hebben, daar heb je God niet voor nodig. Bij ons in de kerk zitten huichelaars, geloof mij maar”. Frida reageerde: “Maar God ziet het hart aan, die goede humanist kan wel goed doen om aanzien voor zichzelf te verwerven en die huichelaar kan wel erg onder zijn fouten lijden. Dat kunnen wij niet beoordelen”. Joop vond van wel: “Een goede boom brengt goede vruchten voort, dat kun je zien”. “Ja maar dat komt door de bron, de goede voeding, zo is het met mensen ook”, vervolgde Frida “het gaat erom uit welke bron wij leven”. Ze waren het erover eens dat dat niet veel uitmaakte, goed is goed en Frida maakte het weer extra moeilijk.
Hoewel Frida nu juist graag door zou discussiëren, hadden de andere drie daar geen zin meer in. Op die momenten voelde Frida zich zo anders en onbegrepen. Zij zou nooit uit haarzelf zonder geloof goed kunnen leven. Ze zou willen dat ze zich zo kon voelen als haar vriendinnen. Ze voelde zich door en door slecht, alsof de zonde van de hele wereld op haar schouders rustte.
************************
Cootje was boos op een leraar omdat ze naar haar mening onterecht straf had gekregen. Cootjes moeder zei: “Cootje heeft een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel”. Frida kon zich niet voorstellen dat bij haar thuis ooit zoiets gezegd zou worden. Hoe kon Cootje weten wat rechtvaardigheid was? Dat woord hoorde bij God, hij was zelf de Rechtvaardige, hij alleen wist wat rechtvaardigheid was en dat was vaak heel anders dan wat mensen rechtvaardig vonden, dacht Frida. Cootje vond het gewoon oneerlijk. Maar buiten dat was het wel mooi als je eigen moeder goed over je dacht. Was mijn moeder maar zo, wat voor gevoel zou dat zijn? dacht Frida. O de gedachte alleen, dat er armen om haar heen geslagen werden, verwarmde haar van binnen. Hoe heerlijk moet dat zijn! Ze begreep wel dat dat niet mogelijk was maar ze kon haar eenzaamheid en verlatenheid bijna niet meer verdragen.
Moeder zei zelden iets aardigs, er was altijd wel iets dat niet deugde, beter moest. Bovendien mocht je niet eigenwijs zijn of verbeelding hebben. Als Frida kritiek had en dat had ze veel, dan was het: “Kijk naar jezelf, wat je zegt ben jezelf en verbeter de wereld, begin bij jezelf“, nooit een serieuze reactie.
‘Dit is pas onrechtvaardigheid, dacht Frida boos, waarom ben ik minder dan jullie? Alles wat ik doe of zeg wordt onderuit gehaald, ik ben dom, lelijk, doe m’n best niet, bederf de sfeer in huis, maar volgens mij bederft moeder de sfeer en krijg ik de schuld omdat ik daar boos om word en m’n mening zeg. Als ik tegen moeder in ga is de wereld te klein, wordt ze razend en keert iedereen zich tegen mij in plaats van tegen moeder. Ook vader laat me in de steek. Ik wil erbij horen, bij jullie en dat moeder van mij houdt. Ik zie heus wel dat moeder hard werkt en goed zorgt, dat ze het druk heeft met zoveel kinderen. Toch zou ze wel wat blijer, opgewekter mogen zijn.
Alleen als er visite is speelt ze mooi weer, dan zegt de visite: “Wat heeft die Truus toch aardige kinderen, die dochters doen zoveel voor haar. Een echt goed christelijk gezin!”
Maar moeder zelf vindt de kinderen van haar zus veel mooier dan haar eigen dochters omdat die klein en fijn zijn. Haar dochters zijn haar te lang, net als zijzelf. Toevallig ben ik de kleinste maar omdat ik het ben ergert het moeder, ik mag niets moois of goeds bezitten.
Ik heb geen zin om te helpen in het gezin omdat ik toch alles verkeerd doe en afgekat wordt, Als er afgewassen moet worden ga ik op de wc zitten, krijg ik daar natuurlijk voor op m’n kop’. Frida kreeg er bijna plezier in om iedereen op stang te jagen, dat was het enige wat ze met succes kon. Ze voelde zich echter vreselijk schuldig maar ze kon haar lieve kant niet laten zien, daar schaamde ze zich voor. Die goede kant moest ze beschermen. Niettemin haatte ze zichzelf om haar rot gedrag.
Bij Cootje en Jolande was ze wel anders, die vonden haar wel aardig en Frida had eigenlijk nooit ruzie met hen. Maar die wisten ook niet hoe ze zich voelde. Soms wilde ze wel dood zijn, niet meer te hoeven leven leek ook op verlossing. Echter, dan wachtte haar de hel want zelfmoordenaars kwamen niet in de hemel.
Waarom waren haar ouders niet blijer met hun geloof? Frida twijfelde niet aan hun oprechtheid maar als zij zo overtuigd zou zijn als zij waren, dan zou ze van blijdschap echt gelukkig zijn.
Nu zagen ze een ontevreden kind dat haar zin doordreef, negatieve aandacht opeiste en altijd weerwoord paraat had. Eens hoorde ze Joke tegen Herman zeggen: “Frida zegt wat wij denken”. Niettemin maanden ze haar vaak haar mond te houden want anders kwam er weer herrie van. Frida was helemaal niet van plan haar mond te houden, zo zat ze niet in elkaar, ze wilde haar mening geven en geloofd worden. Het resultaat was tegengesteld, niemand thuis nam haar serieus. Ze maakte zichzelf eerder tot doelwit voor de frustraties binnen het gezin. Wanneer iemand haar werkelijk serieus nam schrok ze en maakte grapjes over wat ze zei of deed.
Zouden vader en moeder eigenlijk wel van elkaar houden? Daar merkte Frida niet veel van, moeder was niet gelukkig, klaagde veel en wilde dat iedereen voor haar klaar stond. Vader deed wat hij kon, zong er zelfs psalmen of volksliederen bij. Ja, vader was wel opgewekt en misschien ook wel een beetje blij met zijn geloof, maar of hij blij is met moeder? Met zijn kinderen? Frida vond dat hij geen onderscheid maakte tussen zijn leerlingen en zijn eigen nakroost. Soms zuchtte hij heel diep. Hij zat het liefst in zijn studeerkamer. Daar mocht hij niet gestoord worden.
Moeder had nu acht kinderen, in de nieuwe woonplaats was er, na Elly en Bart, nog een
meisje gekomen, een nakomertje. Alle kinderen waren natuurlijk gek op Anja, ook Frida
hield veel van haar kleine zusje.
************************
De schoolprestaties waren niet goed, slechte cijfers, veel straf omdat ze niet oplette. Wanneer de leraar een pestbui had wist hij haar wel te vinden. Het leek wel of de narigheid juist haar opzocht. Het was bijna hilarisch als het niet zo treurig was.
Gisteren, met Fysica moesten ze naar het natuurkundelokaal, iedereen pakte z’n spullen bij elkaar en ging de klas uit. Frida was in de veronderstelling dat de schooltijd om was, ging achter de anderen ook naar de gang, ze vond het wel vreemd stil toen ze haar jas aantrok, ook op het schoolplein was niemand te zien, ‘ wat raar’ dacht ze nog maar ze pakte haar fiets en fietste afwezig naar huis. Toen pas bedacht ze dat ze naar het natuurkundelokaal had moeten gaan. Ze durfde niet alsnog naar de klas te gaan noch naar huis. Ze vulde dat laatste uur op door wat gedachteloos rond te fietsen, opeens gepiep van autoremmen, bijna zat ze onder een vrachtauto, de bestuurder zag bleek van schrik. Het was niet eens tot haar doorgedrongen. Ze keek de automobilist wezenloos aan en kwam weer terug op de aarde.
Tegen haar vriendinnen zei ze later dat ze niet lekker was geweest en daarom het laatste uur had verzuimd. Na schooltijd ging ze liefst met een vriendin mee om samen huiswerk te maken, maar van huiswerk maken kwam niet veel terecht. “Waarom werd je vanmiddag de klas uitgestuurd”, vroeg Linda. “Ik zat met m’n balpen te spelen en onverwachts vloog dat ding uit elkaar met gevolg dat die als een raket door de klas schoot, precies op het hoofd van Lakerveld, die bijna zat te slapen in zijn stoel voor de klas”. Linda had dat niet gezien: “Ik hoorde jou lachen en Lakerveld liep driftig naar je toe”. “Het was stom dat ik ging lachen maar het was zo’n grappig gezicht, het ging per ongeluk”. “Lakerveld dacht dat ik het expres had gedaan”. “Ik had het wel willen zien”, zei Linda, “echt iets voor jou”.
“Vanmorgen met engelse literatuur dacht Broekmans ook dat je hem in de maling nam”, zei Linda. “Je bleef captéén zeggen in plaats van captain, Broekmans verbeterde je tot viermaal toe en jij herhaalde steeds captéén”. “Nee, dat deed ik niet, nu kan ik er wel om lachen”, zei Frida. “Ik snap zelf niet hoe dat dan komt”, zei Frida, “bij mij gaan al die voorvallen per ongeluk, ik zou dat niet expres durven doen”. “Dat zeg je nu wel”, zei Linda, “maar de hele klas moest lachen en Broekmans voelde zich echt in de maling genomen”.
Frida had zich toen juist opgelaten gevoeld, nu kregen ze er weer de slappe lach van.
Om dit soort gebeurtenissen hadden ze vaak dikke pret. Frida kreeg er plezier in om de gek met zichzelf te steken en anderen daarmee te vermaken. Aan lachen geen gebrek. De meeste klasgenoten die haar niet begrepen vonden het merkwaardig dat ze zo kon lachen om haar eigen onnozelheid. Ze probeerden haar in de maling te nemen, met succes want Frida had weinig verweer. Ze wist niet goed hoe ze daar op moest reageren.
De fijnste les vond Frida Nederlands, vooral literatuur met name gedichten. De leraar die dat gaf hield er zelf ook van. Hij kon er mooi over vertellen en elke week kreeg er één de beurt om iets voor te dragen. Dat waren wel lawaaiige lessen omdat de meeste leerlingen het vreselijk vonden om iets voor te dragen, dat deden ze slecht en er werd niet geluisterd. Frida had daar juist wel zin in, toen het haar beurt was droeg ze het sprookje van de Varkenshoeder van Andersen voor. Helemaal uit haar hoofd, het werd zelfs stil in de klas en de leraar zat met open mond te luisteren. “Zo, dat kan je dus wel, en goed”! Ze kreeg een negen.
Ze had zelf ook een gedichtje gemaakt, voor het eerst:
Land van verlangen, eeuwige zee vol liefde en erbarmen, neem mij mee
Voer mij op de golven naar de andere kant, aan de voet van de branding in zuiver zand
O hoop die doet leven, verlaat mij niet, omarm en bescherm mij, anders red ik het niet.
Ja, van zoiets hield ze en zou ze veel meer willen doen, net als debatteren tijdens maatschappij- en godsdienstles, tekenen is ook fijn, maar juist tijdens die vakken is er herrie in de klas en doet bijna niemand serieus mee, dan gaan ze expres keet trappen.
Met haar vriendinnen sneed ze nu vaker serieuze onderwerpen aan, die vonden dat wel boeiend maar ze zeiden ook geregeld ”Niet zo moeilijk doen, Frida”!
************************
Over intieme meisjesdingen praatte Frida niet graag, ze schaamde zich voor haar gevoelens, vooral als het om liefde en seks ging. Zij verdiende immers geen liefde en nooit zou zij een man gelukkig kunnen maken, dan moest ze eerst veranderen. Frida deed alsof al die zaken haar interesse niet hadden, hoewel ze er altijd aan moest denken. Ze leek wel een beetje verliefd op een jongen uit een hogere klas, dat zou ze nooit tegen iemand zeggen of laten merken, ze droomde over echte liefde waar ze zo hevig naar verlangde. Ze verwachtte niet dat iemand haar mooi of aardig zou vinden, maar ze zou het zo heel graag willen.
Moeder zei tegen Linda dat ze wel gauw zou trouwen omdat ze zo fijn gebouwd was en mooie handen had. Frida liep naar moeder toe en vroeg: “En ik, moeder, zal ik ook vroeg trouwen?” Moeder keek haar keurend aan: “Ik denk het niet, jij bent zo’n aparte, je zou wel eens niet kunnen trouwen”.
Toen vloog Frida naar het portaaltje, verborg haar gezicht in de jassen: “O God, laat me alsjeblieft trouwen, laat me niet altijd zo alleen blijven, ik ben zo bang om alleen te blijven”. Hoe had ze het kunnen vragen! Ze wist toch hoe moeder was. Bijna was ze gaan huilen in het bijzijn van de anderen. Als een meisje niet trouwt werd ze een oude vrijster, net als de tantes Betty en Loes, die samenwoonden en ‘juffrouw’ genoemd werden omdat alleen getrouwde vrouwen ‘mevrouw’ heetten. Moeder vond dat die dames eigenlijk mislukt waren. De toekomst en het geluk van een vrouw lag in het huwelijk, volgens moeder. Waarom was moeder dan niet gelukkiger?
Frida wilde heel graag trouwen, daar dacht ze veel over na. Wat moest er van haar terecht komen als ze alleen bleef?
Wanneer Frida op haar kamer zogenaamd haar huiswerk maakte, speelde ze met zichzelf om dat lekkere gevoel op te wekken, ze gebruikte daar nog steeds haar potlood of pen voor, ze wist niet dat het ook anders kon.
Dat vernam ze later van Linda, die hoorde alles van haar moeder, ze spraken er gewoon over, net als bij Eva. Het heette ‘masturberen’ maar ze zeiden altijd ‘jezelf klaarmaken’ en dat deed je gewoon met je hand. Jongens deden het ook, als ze klaarkomen kwam er zaad uit. Soms hadden jongens een natte droom, dan kregen ze dat gevoel en kwamen klaar in hun slaap. Frida had ook wel eens zulke heerlijke dromen, daar praatte ze niet over. Alleen jongens kregen dat.
Eigenlijk mocht je het niet bij jezelf doen, dat hoorde bij het huwelijk, tussen man en vrouw te gebeuren als ze elkaar liefhadden. Als je het bij jezelf deed raakte je op jezelf gericht en dat was ongezond, jongens konden er ziektes van krijgen. Meisjes ook? Frida geloofde dat van die ziektes niet, wel dat je op jezelf gericht raakte en dat je die gevoelens moest bewaren voor de ware liefde. Ze deed haar best het niet te doen maar dat heerlijke gevoel deed haar even al die nare dingen vergeten. Als ze alleen was en verdrietig kon ze het niet laten.
Ze begreep niet goed waarom het slecht was, het voelde zo, alsof die gevoelens verboden waren. Het mocht alleen als je getrouwd was, dan was het liefde, dan kreeg je dat zalige gevoel van God. Dan was het mooi en heilig. Frida moest denken aan de allereerste keer dat ze dat gevoel kreeg, zomaar vanzelf en dat was een heilig gevoel. Dat had ze niet zelf gedaan, in de bijbel stond ook dat het in de ‘bijslaap’ gebeurde. Daar stond ook dat het een ‘groot geheimenis is’. Maar hoe die bijslaap te werk ging bij haar eigen ouders, daar wilde ze niet aan denken.
Frida kwam steeds sterker in de ban van haar verlangen naar liefde, maar ze was ook erg
bang. Diep in haar heerste een grote angst voor de toekomst, voor het leven.
Soms sliep ze bij Jolande, samen in een heel breed driepersoons bed. Jolande drukte Frida dan stijf tegen zich aan en had gezegd dat haar ouders dat ook deden. Dat wilde Frida niet, ze schaamde zich om zo te doen, maakte zich los en ging naar de wc. Jolande was al heel volwassen met dikke borsten, Frida snapte niet hoe ze zo openlijk durfde te zijn, het leek wel of Jolande wilde vrijen met haar. Frida verlangde ernaar dat met een jongen te doen.
Intussen was Frida eindelijk ongesteld geworden, maar ze had niets tegen moeder gezegd, alleen Suze wist er van, verder niemand. Ze had zelf maandverband gekocht en een periodiekbroekje, dan hoefde niemand er iets van te merken. Helaas, toen Gerrit aan de avondmaaltijd opmerkte dat ze een puistje op haar voorhoofd had, riep Joke: “ O o, Frida wordt groot, ze krijgt puistjes”, waarop Suze zei: “Frida is allang groot”. Ja, toen kwam haar geheim toch uit. “Hoor je dat vader, Frida is groot geworden”, zei moeder “Wat, waar gaat dit over”? Zoiets drong amper tot hem door en Frida merkte aan moeder dat ze gekwetst was. Dat deed haar goed, gaf haar een gevoel van overwinning. Waarom wist ze zelf niet goed maar ze wilde dat moeder ver uit haar buurt bleef.
************************
Er was bijna altijd ruzie met haar in huis. Vooral met moeder en Gerrit maar ze verloor ook alle credit bij de andere broers en zusjes. Frida stampte boos, stuurs en snauwend rond: “Ga weg, zie je niet dat ik hier langs moet?” “Doe niet zo raar, ben je niet goed?” “Ik ben prima, bemoei je niet met mij!” Gerrit pakte Frida vast, kneep in haar armen, keek haar aan en zei: “Wil je wel eens ophouden en normaal doen?” “Hou je poten thuis”, Frida rukte zich los, Gerrit wilde haar weer pakken maar Frida dreigde: “Waag het niet me aan te raken, idioot”, Herman, Joke en Suze, een paar kleintjes en moeder kwamen erbij. “Wat staan jullie daar stom naar mij te kijken, laat me met rust” . Joke zei: “Ik weet niet waar dit over gaat maar je lijkt achterlijke Grietje wel” “Ja”, vond Herman, ik denk ook dat je debiel bent”. Frida werd woest en schreeuwde: “Willen jullie nu direct opdonderen, ik heb jullie niks gevraagd, ga weg, weg uit m’n buurt”, Frida sloeg met haar armen om zich heen. Toen hoorde ze Suze zeggen: “Je lijkt de duivel wel ”. Die opmerking kwam hard aan, bracht haar tot zichzelf omdat het precies was waar ze zo bang voor was, dat ze ‘bezeten’ was. Net als de waanzinnige vrouw in Jane Eyre
Naarmate het thuis slechter ging, zocht Frida het bij haar vriendinnen. Ze legde zich toe op het maken van grappen en grollen. Ze lachten heel wat af met elkaar, Frida genoot daar het meeste van. Ze wilde niet meer denken aan dat allerergste want ze wilde geloven dat het niet waar kon zijn dat ze voor eeuwig verloren zou zijn. Dat was kinderlijk gedacht, ze was er zeker van dat God bestond en dat ze niet zonder God kon leven. Nooit zou ze God meer verloochenen, die les had ze er wel van geleerd. Maar of ze in de hemel kwam, was nog lang niet zeker. Ze voelde zich erg slecht en bang, maar die gevoelens bezwoer ze door te verkondigen dat ze echt geloofde en dat al het goede van God moest komen. Niet van mensen.
Haar vriendinnen dachten zelf goed te kunnen leven, die geloofden in zichzelf.
Soms ontstonden daar heftige discussies over. Frida weerlegde hun argumenten met bijbelteksten, stond er niet: “Niemand doet goed, zelfs niet één’” en dat “de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten”?
Nee God is liefde en hij houdt van alle mensen, ook van zondaars. Het geloof moest blij maken, het was toch de Blijde Boodschap? Ja, dacht Frida, dat is wel zo maar die blijdschap komt dan toch doordat je zonden vergeven zijn? Ze ontdekte dat haar vriendinnen haar niet begrepen, eigenlijk begreep Frida dat op haar beurt weer niet. Frida voelde wel dat ze vooral de ernstige, serieuze taal van het geloof had verstaan. Ze wist wel dat er ook een andere heel mooie kant was, de kant van haar verlangen. Echter, het was toch eerst nodig je ellende te kennen alvorens verlost te kunnen worden? Zag ze dat dan fout? O was het maar anders, was zij maar anders en niet zo’n buitenbeentje dat overal apart stond. Ze zou heel erg haar best gaan doen zich aan te passen om er bij te horen, sprak ze met zichzelf af.
Een andere weg zag ze niet want zij had geen enkel vertrouwen in zichzelf zoals haar vriendinnen wel enigszins leken te hebben. Hoe kwamen ze daaraan, waarom had zij dat niet? Ze voelde zich waardeloos. Wat kon ze nu helemaal? Ja ze kon een beetje tekenen maar dat was van geen belang, ze hield van gedichten, van lezen en van knutselen. Allemaal zaken waar je niets voor kocht. Vader zei vaak dat ze hun talenten moesten gebruiken tot eer van God.
Gewoon leuk leven was er niet bij, de muziek van ‘tijd voor tieners’ en radio Luxemburg was niet goed, dansen al helemaal niet. Bioscoopbezoek niet toegestaan, alleen als er een christelijke Cefa film draaide in het kerkcentrum, dat mocht wel. Frida was stiekem naar de bioscoop geweest met een paar vriendinnen. De Non met Audrey Hepburn draaide daar. Ze zaten helemaal op de eerste rij, vlak voor het grote doek. Op een gegeven moment viel er een vaas van de schoorsteen op het doek, Frida vloog van haar stoel naar het doek en wilde de vaas opvangen. O wat hadden ze toen gelachen.
************************
Toen Frida ’De Christenreis’ van John Bunyan las genoot ze daar aanvankelijk van, het sprak haar aan en de namen die Bunyan aan zijn personages gaf vond ze prachtig zoals Uitlegger, de heer Ootmoedig en Mooiprater, Getrouwe, Hoop en Wellust, de gesprekken die ze voerden en hoe ze kasteel Twijfel en reus Wanhoop te lijf gingen. Ze vond het wel humoristisch, ze zag de personen voor zich, mede door de tekeningen in het boek. Het geheel sprak zeer tot haar verbeelding.
Tijdens het lezen kreeg de oude angst opeens weer vat op haar toen ze las over de wanhopige man in een ijzeren kooi waar hij nooit meer uit kon komen omdat hij de Heilige Geest had bedroefd.
Christen vroeg hem: ‘Is er dan geen hoop meer? De Zoon van de Gezegende is vol erbarmen’! ‘Ik heb Hem wat mij betreft opnieuw gekruisigd’, zei de man, ‘ik heb zijn persoon gehaat, Zijn gerechtigheid veracht, Zijn heilig bloed onrein geacht. Daardoor heb ik mijzelf uitgesloten van alle beloften; er blijven voor mij niets over dan bedreigingen, vreselijke bedreigingen, ontzettende bedreigingen en een brandende toorn, die mij als weerspannige zal verteren. O eeuwigheid, o, eeuwigheid! Hoe zal ik moeten worstelen met de vloek, die ik tot in der eeuwigheid zal moeten dragen‘.
Het was dus toch waar van de ene zonde, maar de man in de kooi zei ook dat: “God hem berouw heeft ontzegd en dat Zijn Woord hem geen aanmoediging geeft om te geloven”.
Als dat zo is hoe kan hij dan zo lijden?, dacht Frida want zij had wel berouw en zij wilde juist wel geloven. Als God haar geen berouw had vergund om haar zonde dan had ze ook niet zo hoeven lijden en als Gods Woord haar niet tot geloven had bewogen, dan was er toch helemaal geen probleem?
Dan had God voor haar niet bestaan en had ze een mooi leven kunnen hebben. Ze begreep niet goed waardoor de man in de kooi zonder geloof en zonder berouw nu zo gekweld werd. Dan zou hij toch berouw moeten voelen?
Soms, nee steeds vaker was alles zo moeilijk te begrijpen, daarom wilde Frida dat God haar wijsheid gaf, zodat ze alles met haar verstand kon begrijpen en uitleggen, daar hoopte ze op.
Dan zou ze in een boek alles helder en duidelijk uiteenzetten voor de mensen zodat ze wel moesten geloven, want ergens moet het toch allemaal kloppen.
Tenslotte is er maar één Waarheid en dat is God, dacht Frida.
************************
Moeder leed vreselijke kiespijn, er was iets mis gegaan met een zenuwbehandeling. Het was heel erg, ze liep huilend en kermend door het huis. Frida leed met haar mee, dit gunde ze moeder niet ook al was ze nog zo vaak boos op haar, Frida kon het niet verdragen, ze zou het willen oplossen.
Toen Frida in bed lag hoorde ze moeder huilen in haar slaapkamer. Opeens hoorde ze moeder roepen: “ Frida, kom eens hier, ik moet je wat zeggen.” Ze liep naar moeders bed en ging op vaders kant zitten. “ Frida, ik denk dat ik sterven ga.” “Nee, moeder, zeg dat niet”. “Jawel, ik voel het, het is niet erg, willen jullie ‘Veilig in Jezus armen’ zingen op mijn graf?” Er brak iets bij Frida, ze kon zich opeens niet meer beheersen en haalde huilend uit: “Nee moeder, zeg dat niet, zeg dat het niet waar is, je mag niet doodgaan, nee nee”. Ze raakte overstuur, terwijl ze anders op alles zo nukkig, hard en lelijk reageerde, verloor ze nu haar beheersing. Moeder leek ook te schrikken en bond in: “Misschien gaat het straks toch weer wat beter, ik voel dat de pijn wat wegtrekt”. Dat bracht Frida wat tot bedaren en ze liep beschaamd terug naar haar bed, in wezen toch nog bang.
De volgende dag op school bleef de gedachte dat moeder dood zou gaan haar in beslag nemen, ze kon aan niets anders denken. In de pauze stond ze alleen tegen het hek aan en was bang dat de gordijnen straks als ze thuis kwam, dicht waren omdat moeder toch dood was gegaan. Er liep een traan over haar wang. Jolande en Cootje zagen dat en Cootje sloeg haar arm om Frida heen om te troosten: “Wat is er, ik ben je vriendin hoor, zeg het maar”, maar ze kon haar verdriet niet zeggen. Toen kwam Jolande er bij, sloeg ook een arm om haar heen en zei: “Frida is mijn beste vriendin”. Het was een heel nieuwe warme ervaring voor Frida, dat had ze nu in ‘t geheel niet verwacht.
************************
Dat voorjaar zijn Frida en Jolande in de paasvakantie een weekend bij Eva in Amsterdam geweest. Bijna was het niet doorgegaan want moeder was weer eens heel erg boos geworden om iets onbenulligs. Ze maakt altijd van een mug een olifant en na een poosje is het hek van de dam. Het gebeurde op een zondagavond toen ze om tien uur ‘s avonds thuis kwam. Die zondag hadden ze ‘s middags bij Frida thuis gegeten en ‘s avonds zouden ze bij Cootje eten. Dat doen ze vaak om beurten. Moeder vroeg nog of ze ‘s avonds een stukje taart kwamen eten, maar ze hadden naar een spannend radiohoorspel geluisterd van Paul Vlaanderen en waren het helemaal vergeten.
Toen Frida thuis kwam viel moeder gelijk uit dat ze de hele avond had zitten wachten met de taart, dat ze nooit rekening met haar hield, terwijl ze speciaal voor hen nog taart had overgehouden enzovoort. Frida vond het echt wel een beetje naar voor moeder: “Het spijt me moeder, maar we zijn het heus helemaal vergeten”. “Wanneer zal jij eens aan mij denken? De hele avond zat ik alleen”, zei moeder zielig. “Vader was toch thuis?” Moeder wond zich op: “Wat heb ik aan vader, die zit maar in z’n eigen kamer”, huilde moeder. “Wat maakt u zich weer druk om niks, als u maar klagen kan”, mopperde Frida. Moeder haalde vader erbij: “Bemoei jij je er dan ook eens mee, jij ziet nooit wat”. “Ja maak maar weer een flinke scène om niks, ik vind het vreselijk hier, afschuwelijk zelfs”. Vader werd ook boos op Frida: “Zo praat je niet tegen je moeder, ga naar je kamer”. Ze vond het zo onrechtvaardig, zo buiten alle proporties, was moeder eigenlijk wel normaal? Altijd even onredelijk, ze wist nooit hoe ze moeder aan zou treffen, in elk geval niet plezierig, ze zou blij zijn uit huis te kunnen gaan. Ze smeet de deur achter zich dicht en stampte de trap op naar boven. “Het weekend naar Eva gaat niet door”, hoorde ze vader nog zeggen. Dat kwam aan, als die straf echt door ging zou het huis te klein zijn want dat zou ze niet laten gebeuren. Ze zal en moet gaan.
Gelukkig ging het wel door als ze maar beloofde dat ze op zondag naar de kerk ging. Die belofte is wel lastig na te komen omdat ze bij Eva nooit naar de kerk gaan, naar welke kerk dan en hoe laat? Het werd een fantastisch leuk weekend met Jolande er bij, dat was ook zo’n lachebek net als Eva. Er kwamen nog meer jonge mensen, er werd muziek gemaakt en gedanst. Jolande werd een beetje gek op Aart en Frida wist niet hoe ze het had toen Wouter haar zoveel aandacht gaf, met haar praatte en danste! Nu is het leven toch leuk, dacht Frida, was het maar vaker zo. Het is net of er helemaal geen enkel probleem hoeft te zijn. Thuis is alles een probleem want dansen, muziek en plezier is al gauw ‘werelds vermaak’, dus verdachte zaken. Alles draaide om kerk en geloof, alles was plicht en wat prettig was werd ook plicht zodat ook daar de lol van af ging.
Die zondagmiddag waren ze op een hol nog naar een kerkje gegaan, ergens tweehoog achter op de Keizersgracht. Ze waren al te laat voor veel kerkdiensten maar hier konden ze nog terecht. Frida durfde haar belofte aan vader niet te breken, tenslotte was God daarbij in het geding. Toen ze de trap op stommelden kwam het gezang hen al tegemoet: “Ik heb de vaste grond gevonden”…”Pas maar op dat je niet valt Frida”, lachte Eva. Achter een soort Albert Schweitzer orgeltje begeleidde een man het lied, hij leek bij elke nieuwe noot zijn hele gewicht op de toetsen te drukken. Alle hoofden draaiden zich om, het orgel stokte midden in de zin, op zo’n invasie was niet gerekend. Stoelen erbij, iedereen was in rep en roer om ze hartelijk te ontvangen, zo mooi dat zulke jonge mensen de kerk bezochten, het evangelie wilden horen!
En daar zaten ze dan, tussen een handjevol vriendelijke oude mensen, behoed en in zwarte kledij. De Voorganger zag het als de hand van God en zegende de jonge gasten.
Eva en Frida gingen in de zomervakantie samen vakantiewerk doen in een particulier bejaardenhuis om wat bij te verdienen. Het betrof een heel grote mooie villa in Bussum. Ze gingen daar drie weken aan de slag om kamertjes schoon te maken, af te wassen, koffie en thee rond te brengen en allerlei voorkomende werkzaamheden te verrichten.
Ze kregen een kamer in de grote garage die verbouwd was voor bewoning van personeel. Frida vond het geweldig om met Eva te zijn maar ook om niet thuis te hoeven zijn en zelfstandig te wonen. Ze maakten het heel gezellig op hun kamer, plakten platen en tekeningen aan de muren, namen wat servies mee om thee te kunnen drinken, boeken om te lezen, kussens op hun bedden. De garage stond wat verscholen in het bos opzij van de villa, ‘s avonds was het er een beetje eng maar de deur kon op slot en dan voelden ze zich wel veilig. In de kamer was op borsthoogte een houten schot in de wand van ongeveer één meter hoog en ruim twee meter breed.
Het bleek dat daar een doodskist door moest kunnen omdat achter hun kamer een mortuarium is. Een klein gedeelte van de garage werd daarvoor gebruikt als er iemand van de bejaarden overleed. Aan de buitenkant was daar ook een toegangsdeur naartoe. “Eng hè Eva, dat gele schot”. Frida zag al voor zich hoe dat weggehaald werd voor een doodskist en hoe die dode dan aan de andere kant van de muur zou liggen. “Ik wil niet onder dat gele schot slapen”, Eva lachte erom en wilde haar bed daar wel zetten.
Frida had zich zelden zo fijn gevoeld, het werk vond ze leuk, de oudjes waren aardig en met Eva was het altijd prettig omdat zij vrolijk is en samen bedachten ze leuke plannetjes.
Op een avond stormde het hard, de takken van de bomen sloegen tegen de hoge raampjes van de garage en deden het maanlicht door de kamer dwalen. Frida zag allerlei figuren over de muren bewegen en fluisteren, ze werd erg bang toen ze het licht over het houten schot zag gaan, het leek haar de geest van een dode die ooit achter het gele schot had gelegen. Ze kroop zo diep mogelijk onder haar dekens en probeerde boven de storm uit met Eva te praten, zolang Eva terug praatte ging het nog wel maar toen Eva wilde gaan slapen kon Frida het niet meer uithouden. “Ik ben bang Eva”. “Kom maar bij mij”. “Nee, ik durf niet aan die kant”. “Dan kom ik wel bij jou, hoor”, en Eva schoof bij Frida onder de dekens, al snel vielen ze samen in slaap. Alles was zo leuk, maar het was wel een beetje een spookgarage.
************************
Het laatste schooljaar op de ulo verliep rommelig. Er werden voorbereidingen getroffen voor het eindexamen. Herhaling van voorgaande lessen en toetsen om te beoordelen of de leerlingen in staat waren het examen met goed gevolg af te leggen. Frida zag er geen gat in, ze stond er slecht voor net als sommige anderen, ook Cootje was zwak, Jolande stond er beter voor. Linda heel goed. Liefst wilde ze geen examen doen, ze zag er erg tegenop. Broekmans liet de hele klas een proefexamen doen en als dat onvoldoende was dan zag hij liever dat er geen examen werd gedaan. Het proef examen werd een flop, Frida kon zich totaal niet bij de opdrachten bepalen, voelde bij voorbaat al angst voor de afgang die ze zou maken, ze kon zelfs niet meer opnemen wat er stond, wat de vraag was. Ze voelde zich bijna analfabeet.
Wat ging er fout, want zo slecht was ze nu ook weer niet dat ze niets meer wist. Haar proefexamen was dus onvoldoende, Broekmans wilde niet dat ze examen zou doen want hij wilde geen zakkers, alleen maar geslaagden. Die boodschap bracht hij persoonlijk over aan Frida’s ouders. Naar wat Frida zelf wilde werd niet gevraagd, ze wilde het jaar dan wel over doen.
Frida liet alles wat langs haar heen gaan, ze kon zich al helemaal niet meer concentreren, zocht afleiding in dromerijen over liefde, jongens en over later. Met de mulo werd het toch niets meer, maar wat dan? In haar hart zou ze het liefst naar de kunstacademie gaan waar ze zich zou kunnen toeleggen op tekenen, boetseren, misschien wel voordragen en toneelspelen. Maar dat waren dromen die ze met niemand deelde, want wat verbeelde zij zich wel? Bovendien zou ze dan toch zeker eerst het mulodiploma moeten hebben. Eens had ze gezegd dat ze wel door wilde leren, toen had moeder haar uitgelachen: “Jij leren, dat kan je wel vergeten, daar heb je de hersens niet voor”. Toen hoorde ze vader zeggen: “Dat zou je nog wel eens verbazen, Frida is lang niet dom”. Dat deed haar een beetje goed.
Vreemd genoeg voelde Frida zich ook opgelucht want ze was vreselijk bang voor het examen. Later zou ze inzien hoe dikwijls ze vluchtte als ze bang was te falen.
Achter op de Berini bij vader ging de tocht naar Baarn, naar een tapijt- en kledenweverij. Vader meende dat ze daar misschien werk zou kunnen vinden dat geschikt voor haar was. Het werk in de weverij boeide Frida, in de grote benedenhal zag ze jonge meisjes touwen van houtwol uit elkaar pluizen om tot draden te worden verwerkt. Er hing een speciale vettige geur, het was er stoffig en de machines maakten veel lawaai. Dat soort werk zou ze dan moeten doen, nogal saai en eentonig, dat trok haar niet aan maar des te meer wat ze boven in de weverij zag waar het echte weefwerk plaatsvond en waar de ontwerpen werden gemaakt voor bijzondere kleden. Ze zag hoe een jonge vrouw werkte aan een prachtig kleed met schitterende kleuren. Ja, dát wou ze graag doen, maar dat vereiste nog een gedegen vooropleiding. De meisjes die de touwen bewerkten kwamen nooit zonder opleiding op die plaats.
Vader was net als Frida geboeid, hij zag wel dat zijn dochter kunstzinnige aanleg had, maar hij zag het werk aan de touwen ook niet zo zitten.
Intussen liep Frida er op school zo’n beetje als spek en bonen bij, ze vond het wel naar dat ze haar diploma nu niet zou halen, ze meende dat het haar tenslotte wel gelukt zou zijn, net als Cootje die toch haar diploma haalde na te zijn gezakt voor haar proefexamen. Jolande, die er goed voorstond zakte voor haar examen. Onbegrijpelijk, Jolande had zich al ingeschreven voor de kweekschool en dat kon toch doorgaan. Cootje ging naar de kunstacademie terwijl Frida zichzelf veel kunstzinniger vond. Het deed Frida een beetje pijn omdat zij zo graag naar zo’n opleiding was gegaan. Maar Cootjes ouders hadden vertrouwen in hun dochter en wilden haar alle kansen geven. Zo was het niet bij Frida thuis. Niemand had vertrouwen in haar en dat verwachtte ze ook niet, ze vertrouwde zichzelf niet eens. Vader zag nog het beste wat ze kon en hoe ze was maar toch nam hij het nooit voor haar op als moeder haar afkraakte. Hij liet haar in de steek omdat hij vond dat hij altijd één lijn moest trekken met moeder. Openlijk een conflict uitpraten behoorde tot de onmogelijkheden, alsof met het breken van de spanning alles zou breken.
Vader had een eigen leven, een stukje dat alleen van hem was en alleen bij hem hoorde. Dat was in de kerk als ouderling, in zijn werk, in zijn studeerkamertje en in zijn moestuintje. Daarbuiten was hij moeders hulp en toeverlaat. Waar het zijn kinderen betrof was hij vooral geïnteresseerd in hun schoolprestaties. Zodra hij binnen het gezin iets voor hemzelf deed, bijvoorbeeld een kaartje leggen op de tafel, hij speelde graag patience, dan zinde dat moeder niet en sloeg ze met de krant op tafel omdat er wel wat beters te doen viel dan dat goddeloze kaartspel. Dan vlogen alle kaarten de lucht in en kon vader zijn spelletje wel vergeten. Bijna nooit werd vader openlijk kwaad, beheerst en wat aangeslagen zocht hij zijn studeerkamer weer op.
Frida stond in de keuken bij haar vriendin en keek naar buiten. Het was voorjaar, alles stond uitbundig in bloei. De zon scheen fel en er woei een zachte warme voorjaarswind die de witte bloesemtakken voor het raam deden bewegen. De moeder van Cootje was jarig en liep in de tuin, veertig jaar was zij geworden, Frida was zestien.
Alles leefde, beefde en Frida beleefde dat moment opeens zo intens, ze wilde de tijd stilzetten en dit vasthouden. Ze dacht: alles gaat voorbij, straks ben ik tien, twintig jaar verder en dit moment komt nooit meer terug. De toekomst leek vaak zo ver weg, boezemde haar angst in, maar op dat moment was de tijd zo aanwezig dat alles al voorbij leek te zijn.
Ze realiseerde zich dat de tijd een ademtocht is en dat het leven voorbij is voor ze er erg in zou hebben, dat er een moment zou komen dat ze ook veertig jaar zou zijn en aan dit moment zou terugdenken.
Ze ziet zichzelf daar nog staan in een ecru jurkje, zo levend, zo verlangend. Er gebeurde niets, maar het was een eeuwigheidsmoment, vol verwachting en hoop…