Aan het werk
Frida wilde graag op school blijven om daarna naar de kunstacademie te gaan. Die wens sprak ze niet uit omdat ze niet verwachtte dat ze serieus zou worden genomen. Dat was een droom, geen werkelijkheid. Ze had op alle fronten gefaald, nu moest ze gaan werken. Liefst wilde ze in de verpleging, dan kon ze uit huis gaan, maar daar was ze nog te jong voor. Onder leiding van moeder solliciteerde ze als winkelmeisje in een fournituren- en kledingzaak, daar vonden ze haar niet geschikt. De eigenaar van de zaak vond het spijtig voor de ouders van Frida. Hij kreeg een idee, vrienden van hem zochten juist een nieuwe kracht die hen van dienst kon zijn bij allerhande werkzaamheden.
Zodoende kreeg Frida werk aangeboden bij een ouder echtpaar zonder kinderen, zij runden een opleidingsinstituut voor kantoorpersoneel, daarnaast hadden ze ook een drukkerijtje. Hun laatste hulp was kortgeleden getrouwd en dat meisje was als een dochter voor hen geweest, ze zagen Frida wel graag als haar opvolgster. De schrik sloeg Frida om het hart want ze voorvoelde al dat ze aan die verwachtingen niet zou kunnen voldoen.
Het echtpaar was hartelijk en aardig genoeg, Frida wist daar geen raad mee, het benauwde haar. In haar visie waren mensen altijd kritisch en overheersend. In haar hart bleef ze bang om te falen, ze voelde zich ook schuldig omdat ze deze mensen teleurstelde. Ze kon niet als een dochter voor hen zijn omdat ze zich als een kind behandeld voelde. Ze wilde voor vol worden aangezien en ze sloot zich af. Het was een saaie bedoening.
Voor het overgrote deel kreeg ze huishoudelijk werk te doen als schoonmaken, stofzuigen, boodschapjes halen, stapeltjes maken en vouwen van drukwerk, tussen de middag tafeldekken, zij at zelf ook mee. Daarnaast kreeg ze gratis typ- steno- en handelscorrespondentie-les. Er groeide geen vertrouwelijkheid tussen haar en het echtpaar. Frida voelde zich opgelaten. Ze werd betrapt op het snoepen van de vleeswaren voor de boterham, ze was er met haar hoofd niet bij en vergat veel. Het was beter dat ze vertrok.
Ze verlangde terug naar school en de contacten die daarbij hoorden. Samen gek doen en lachen. Haar vriendinnen hadden vastomlijnde plannen waar het hun opleiding en toekomst betrof. Zij niet, ze wist werkelijk niet wat ze wilde. Ze verloor zich meer en meer in dromerijen over liefde, als ze een vriend zou hebben, als er iemand van haar zou houden, als ze niet meer eenzaam hoefde te zijn.
Af en toe ging ze stiekem met een jongen mee, zo’n nozem met vetkuif op een brommer, die ze niet kende en hij haar niet. Het hoorde niet, haar vriendinnen deden dat niet. Meisjes die dat wel deden waren ordinair. Daar had Frida een hekel aan, zij wilde beslist niet ordinair zijn, maar de aandacht die ze dan kreeg was leuk, ze liet zich zo graag vleien. Zo’n nozem nam haar achterop, vervolgens reden ze naar een stil plekje, daar probeerde hij dan met haar te vrijen, dat liet ze een beetje toe. Maar de jongen zelf interesseerde haar eigenlijk niet. Dat waren bijna nooit jongens waar je goed mee kon praten. Mannen en jongens die ze aardig vond zag ze bijna als andere en hogere wezens dan vrouwen. Hoe komt het toch, dacht Frida, dat mijn vriendinnen wel normaal contact hebben met jongens, bijna net als met meisjes? Bij mij is het of zich een hoge muur optrekt bij dat soort ontmoetingen, behalve als ik het stiekem doe. Dan speel ik opeens gevaarlijk spel, terwijl ik me tevens superieur voel omdat ze iets van mij verlangen.
Zondags ging ze weer naar Cootje of Linda maar nu ze niet meer bij elkaar op school zaten hadden ze elkaar niet meer zoveel te vertellen, er groeide afstand. Ze werd ook bang dat ze iets over haar gehoord zouden hebben, dat anderen haar gezien hadden met een nozem. Daar schaamde ze zich erg voor, niemand mocht dat weten.
Opnieuw werd er naar een baantje gezocht, ze kon niet thuis blijven niets doen. Dat gaf ook spanning tussen moeder en Frida. Het was mogelijk op het internaat te gaan werken als leerling groepsleidster. Vader werkte daar ook, ze voelde er niet veel voor en vader en moeder zagen toch ook wel obstakels om haar te laten werken waar vader werkte. Het liefst wilde ze in de B-verpleging, ze voelde affiniteit met geestelijk zieken en dacht daarbij aan haar eigen angsten. Zij zou die ongelukkigen vast begrijpen, maar moeder schrok ervan en zei: “Daar komt niets van in, je bent al zo’n aparte, dan word je ook nog gek”. “Het lijkt wel of u alles wat ik voorstel moet afkraken, nooit is iets wat ik zelf wil goed”, reageerde Frida, terwijl ze door moeders opmerking angst voelde opkomen. Via connecties van vader kwam het voorstel om in een revalidatiecentrum te gaan werken. Ze kon daar intern wonen en met haar zeventiende jaar aan de vooropleiding A beginnen.
Daar had ze wel oren naar, ook omdat ze dan uit huis zou zijn, weg van moeder en de anderen die haar te dicht op haar huid zaten. Eindelijk vrij om haar eigen gang te gaan.
********************
Frida werkte op een afdeling met merendeel oudere patiënten, chronisch zieken waaronder veel reumapatiënten die na een operatie revalideerden. Een moederlijke verpleegster van een jaar of vijftig begeleidde haar in het werk op de afdelingskeuken. Zuster Braam was duidelijke in haar opdrachten, vriendelijk en gaf vertrouwen. Met plezier en geduld legde ze aan Frida uit hoe het werk gedaan moest worden. Frida voelde zich blij worden en deed haar uiterste best om het zuster Braam en de patiënten naar de zin te maken.
Ja, dacht Frida, dit is nu fijn om te doen. De patiënten zijn zo aardig en dankbaar, ze waarderen me, ook zuster Braam geeft me soms een compliment als ik vlot en accuraat werk in de afdelingskeuken. Eindelijk gloorde er iets van vreugde in Frida, ze voelde zich rustiger worden en begon hoop te krijgen.
Ze had haar kamertje al leuk ingericht, daar stak ze graag energie in, zo’n eigen plek betekende veel voor haar, bood haar warmte, gezelligheid en vooral veiligheid. Het was een erg klein kamertje, een bed, een klerenkast en een klein schrijftafeltje bij het raam. Als ze in de opleiding kwam zou ze naar het zusterhuis verhuizen en een grotere kamer met wastafel krijgen. Hier waren nog een paar kamertjes en aan het einde van de gang was een zaal met wastafels en douches. Twee zusjes uit Drenthe hadden ook elk een kamertje. Amy werkte in de huishouding als schoonmaakster en Ilse werkte in de eetzaal van de zusters. Ilse had een gehoorprobleem en moest een hoorapparaat dragen maar dat wilde ze niet. Frida ging wel eens uit met Ilse, kleren kopen of koffie drinken. Ilse bleek jaloers en achterdochtig, dat had te maken met haar slechte gehoor, ze dacht al snel dat er over haar geroddeld werd.
Na een paar maanden heerlijk gewerkt te hebben werd Frida vrij plotseling overgeplaatst naar een afdeling met jonge mensen die na een ongeluk verlamd waren geworden. Een afdeling die als erg moeilijk te boek stond. Frida dacht: ‘Willen ze me hier hebben omdat ik zo goed gewerkt heb bij zuster Braam? Waarom vertellen ze me de reden niet? Ik had het zo naar m’n zin en alles begon zo goed te gaan. Nu moet ik opeens omschakelen’.
Eigenlijk vond Frida de overplaatsing niet fijn maar er werd haar niets gevraagd. Ze was orde, regelmaat en prettige begeleiding gewend, maar hier was het een chaos en veel drukker. In de eerste plaats al veel meer lawaai door geroep en geschreeuw, veel patiënten raceten met hun rolstoelen over de gang, maakten grappen en ruzie met elkaar, waren boos of blij. Het verschil met de vorige afdeling was enorm. Daar was het doorgaans rustig, bijna stil, ook als het druk was.
De oude angst dat ze zou falen stak de kop weer op. Ook hier werkte Frida in de afdelingskeuken, echter zonder vaste begeleider. Nu had ze vaak alle dagen een andere zuster als partner. Ze miste het overwicht en de rust van zuster Braam. Door de drukte en onderbezetting kreeg ze ook verpleegwerk te doen. Zo werd ze, zonder enige vooropleiding aan het wassen van patiënten gezet. Op een dag werd haar zomaar een waskom in de hand gedrukt met de opdracht de heer de Waard van onderen te wassen: “Ik ga nu Marion helpen, van boven is hij al klaar”, zei de zuster. Ze wist zich geen raad want hoe moest dat? Liever had ze Marion mogen wassen. De heer de Waard was een erg lange jongeman die uit een boom was gevallen en z’n rug gebroken had. Met een rood hoofd en kijkend naar zijn voeten die vanwege zijn lengte over het matras uitstaken, wreef ze met de washand over zijn geslacht. “Is het water niet te koud meneer de Waard?” “Dat maakt niet uit, zuster, dat voel ik toch niet”. Ze durfde hem niet aan te kijken toen ze hem afdroogde. Na deze vuurdoop moest ze al snel patiënten naar toilet brengen, helpen met aankleden, de jonge patiënten maakten haar wel wegwijs. Die wisten alles veel beter en namen haar behoorlijk in de maling.
De vrije dagen die ze bracht ze in het begin thuis door, dan had ze veel te vertellen. Op de vraag wat er met de patiënten aan de hand was, zei Frida: “Het zijn bijna allemaal dwarsliggers”. “Dwarsliggers, hoezo, liggen die dwars in bed?” “Dat niet maar zo noemen ze dat”.
Het werd een hectische tijd en ze merkte dat ze zich niet staande wist te houden. De jonge mannen die revalideerden waren vaak boos om wat hen was overkomen, ze vloekten en tierden de boel niet zelden bij elkaar. Sommige waren slechts een paar jaar ouder dan zij was. Ze had ook reuze medelijden met hen en begreep goed dat het vreselijk moest zijn om na een ongeluk tot besef te komen voor altijd verlamd te zijn. Maar met medelijden kwam ze niet ver, ze werd voor de gek gehouden en daar was ze niet tegen op gewassen. “Zuster, je hebt een ladder in je kous”, was zo’n veel gehoorde opmerking. Als ze dan keek en niets zag riepen ze in koor: “Nee zuster, niet daar, veel hoger”, ze begreep wel dat ze wilden dat ze haar rok optrok maar ze wist niet wat ze zeggen moest. Er waren steeds weer nieuwe grappen en opmerkingen. De mannen vonden haar leuk, dat verbaasde haar, ze dacht dat ze lelijk was en geen aandacht waard. Hier kreeg ze veel aandacht voor haar persoontje en uiterlijk. Ze nam de grappen veel te serieus en trapte overal in tot grote hilariteit van zusters en patiënten, ze had geen verweer zoals de meeste andere meisjes wel hadden, die gaven hun belagers van katoen.
Frida stond alleen, collega’s vonden haar vreemd, namen haar op de hak. “Kom eens hier, Frida, je moet niet denken dat je klaar bent, de afwas staat er nog”, dan hadden ze nieuwe vaat neergezet. Zonder commentaar waste Frida de kopjes af terwijl de andere zusters stonden te giebelen.
Het irriteerde hen dat Frida zo weinig tegengas gaf. Vreemd, dacht Frida, thuis heb ik altijd direct m’n woordje klaar en sla ik venijnig terug, nu voel ik me verlamd. Ik durf niet eens boos te worden. Raar dat ze hier plezier in hebben, ik zie er de grap niet van in.
Ze was er zich wel vaag van bewust dat ze moeite had ongecompliceerd contact te leggen. Het drong niet snel tot haar door wat de ander bedoelde, waar de ander op uit was. Dan wist ze ernst van luim niet te onderscheiden, niettemin registreerde ze feilloos wat er gebeurde. Haar eigen droge humor bestond voor het grootste deel uit zelfspot maar dat werkte niet, werd niet begrepen. “Die is gek”, zeiden ze dan.
Van het hartgrondig vloeken door de patiënten schrok ze erg, hoe durfden ze! Het liefst zou ze hen toeroepen: “Stop daarmee, weet je niet hoe erg dat is, je vraagt God om je te verdoemen?” De patiënten zouden haar uitlachen, het geloof maakte hen eerder boos dan blij. Frida begreep niet dat ze God de schuld durfden geven. Nooit zou zij God ooit nog de schuld durven geven. God had haar zoveel te vergeven.
Ze piekerde daarover en dacht: “Waarom ben ik toch altijd met het geloof bezig? Ik wou dat ik het vergeten kon, maar in mijn hoofd dreunt doorlopend een gebed om hulp, dat ik geen fouten zal maken, dat ik niet in de maling zal worden genomen, dat God mij zal helpen. God weet dat ik geloof, maar ik ben zo bang zolang ik niet weet of mijn ziel gered zal worden.
Overal zie ik Uw oog op mij, doe ik het wel goed? Nee, natuurlijk doe ik het niet goed, ik ben onzeker, afwezig, vergeet veel, verslaap me, ik kom altijd net even te laat op de afdeling. Zo graag wil ik m’n best doen, soms is er zo’n goede dag, dan ben ik zo blij met m’n werk dat ik me plotseling echt gelukkig voel. Direct komt dan de gedachte dat het eigenlijk verschrikkelijk is dat ik me gelukkig durf te voelen ten koste van deze gehandicapte mensen. Het lijkt wel of ik niet gelukkig mag zijn. Alleen perfect goede mensen verdienen geluk. Wanneer ik blij ben komt er een schuldgevoel.
Hoofdzuster Kamp riep haar: “Zuster Frida, wil je mevrouw Buslo ophalen van de therapie en daarna zuster Betty helpen in de spoelkeuken?” Frida knikte, zei “ja”, draaide zich om en tegelijkertijd besefte ze dat ze helemaal niet gehoord had wat zuster Kamp had gevraagd. “In de spoelkeuken helpen”, dat had ze gehoord en “mevrouw Buslo naar therapie brengen?” Wat te doen? In de spoelkeuken is niemand, dan maar mevrouw Buslo zoeken. Ze kon toch moeilijk teruglopen en vragen wat ze moest doen? Dus voerde ze de opdrachten niet wuit. Zuster Kamp had haar vervolgens op het matje geroepen: “Wat is er met jou aan de hand, als ik je wat vraag moet ik op je kunnen rekenen. Met jou weet ik nooit hoe het er voor staat. Soms werk je tegen een gediplomeerde op maar vaker kan ik niets met je beginnen. Je moet echt beter bij de les blijven”. Later hoorde ze zuster Kamp over haar praten: “Zo eigenwijs, ze doet gewoon niet wat je zegt”.
********************
Wanneer ze vrij was ging ze soms naar het dorp, bij de snackbar ontmoette ze vaak jongens waar ze een afspraak mee maakte of direct mee uitging. Als ze aandacht kreeg, verdween dat verloren gevoel een beetje. ‘Nee’ zeggen was doorgaans te moeilijk voor Frida, behalve als ze met Ilse uit was. Ilse kon er niet tegen als Frida meer aandacht kreeg dan zij, daar werd ze werkelijk boos om op Frida. Dus als Ilse erbij was probeerde Frida zich onzichtbaar te maken en duwde ze de aandacht naar Ilse. Echter wanneer ze alleen was speelde ze graag haar spel van aantrekken en afstoten met de jongens. Het was natuurlijk erg slecht. Ze wist best dat het niets met liefde te maken had en dat die jongens alleen maar wilden vrijen. De gedachte dat iemand wel eens echte belangstelling voor haar zou kunnen hebben liet ze niet toe.
Op de afdeling werd ook volop geflirt, sommige meisjes hadden zelfs verkering met een patiënt, dat was bij iedereen bekend. De directrice keek met argusogen naar het gedrag van de jonge zustertjes, of ze zich wel netjes gedroegen, geen mannelijke bezoekers ontvingen, die mochten niet in het zusterhuis komen. Gingen de zusters niet te veel uit, waren ze op tijd binnen? Om elf uur gingen de buitendeuren op slot. Stiekem lieten de zusters een kelderraampje op een kier staan waardoor ze dan na elf uur toch naar binnen konden komen. Met de patiënten mochten de zusters ook niet te amicaal omgaan. Dat gebeurde echter wel en niet zo zuinig.
Frida zag met eigen ogen hoe sommige, ook gediplomeerde, zusters patiënten uitdaagden, quasi vriendschappelijk stoeiden en zich lieten aanhalen, lacherig met een air van ‘dat kunnen wij doen, jij niet, bij ons is het zuiver, bij jou niet’.
Ja, met Frida werd ook geflirt en ze flirtte een beetje terug, toch wist ze zeker dat ze nooit een serieuze relatie aan zou gaan met een verlamde man omdat ze inzag dat ze zo’n relatie niet aan zou kunnen.
Ze zag hoe deze jongemannen leden onder hun ongeluk, hun onvermogen zich normaal te kunnen bewegen, geen gevoel in hun onderlijf te hebben, incontinent te zijn, geholpen te moeten worden met zowat alles tot aan het toilet toe. Hun bravoure naar de zusters toe, ze begreep dat wel maar de gedachte aan intiem contact verwierp ze.
Die confrontatie leek haar zo pijnlijk voor beide partijen.
Toch was het niet makkelijk om voldoende afstand te bewaren. Wanneer ze John, een knappe Surinamer op het toilet moest helpen, trok hij als hij even kans zag haar verpleegstersuniform omhoog, tot aan haar jarretels: “O zuster wat een prachtige benen”, riep hij dan uit terwijl Frida snel haar rok naar beneden trok, “laat me nog één keer kijken”. Natuurlijk voelde Frida zich dan gevleid, liet soms trots nogmaals haar mooie benen zien.
Ze wist nog van een keer dat ze met een aantal patiënten ging wandelen, elke zuster kreeg een patiënt om te begeleiden. Het revalidatiecentrum lag midden in het bos nabij Leersum, een prachtig wandelgebied. Ferdinant, een aantrekkelijke man van dertig die door een ongeluk een been moest missen werd aan Frida gekoppeld. Hij was verloofd, toch probeerde hij met haar te flirten en wilde verder gaan zodra ze buiten zicht van anderen waren. Frida zei: “U bent verloofd, dit moet u niet doen”. Ze vond het te slecht en te ver gaan om te flirten met een verloofde man en dacht aan zijn vriendin. De wandeling verliep toen in stilte en wat stug, teruggekomen bij het centrum stak Ferdinant z’n duim omhoog en zei: “Je bent honderd procent oké”.
Zo voelde ze zich niet. Ze was stuurloos en angstig, wist niet hoe te werken, hoe te leven, alles was chaotisch. Het voelde als waren er twee levens in haar, een binnen- en een buitenleven. Van binnen leefde ze haar echte leven, wat ze voelde, dacht en verlangde, haar buitenleven was heel anders, daar probeerde ze zich aan te passen en trok aandacht met haar gedrag, ze wilde er bij horen Overigens keerde Frida zich ook wel binnenstebuiten, dan wist niemand meer wat men aan haar had. Dat gebeurde als het geloof ter sprake kwam, dan was ze echt oprecht omdat ze dat altijd moest verdedigen. Dat was voor haar het belangrijkste, te ernstig om mee te spelen.
Soms miste ze moeder, had ze spijt dat ze vaak zo lelijk tegen haar was geweest. Moeder was wel goed, zij deed het fout. Moeder had gewoon gelijk dat ze niets kon, ze zag het nu zelf. Toen ze van huis wegging was ze zo blij geweest, maar nu voelde ze zich nog eenzamer dan thuis. Hoe vaak had moeder niet gezegd: “Let op mijn woorden, met jou loopt het nog verkeerd af”. Dan dacht Frida ‘Dat zal jij niet meemaken’. Ze wilde niet dat moeder gelijk zou krijgen, ze wilde laten zien dat ze wel iets kon, wel goed was. Op haar kamer zocht ze troost in haar bed, draaide een grammofoonplaatje van Mahalia Jackson ‘God is so good to me’ en huilde zichzelf in slaap.
In een plaatselijk krantje las Frida een advertentie: Jongeman, negentien jaar, wil graag corresponderen met spontaan, aardig meisje. Dat leek haar wel mooi om te doen want ze schreef graag en had zoveel te vertellen. Govert, zo heette hij, schreef al snel terug dat hij blij was met haar brief. Hij zat nog in dienst en had geen geld om uit te gaan maar schrijven was geen probleem. Hij ontving één gulden per dag. Frida verdiende vijfendertig gulden per maand met kost en inwoning, dus dat verschilde niet veel van elkaar. Een kopje koffie kostte vijftien of twintig cent.
Er ontstond een intensieve briefwisseling, Frida leefde er van op en was elke keer weer blij verrast wanneer ze zijn brief in haar postvakje vond. Ze stortte haar hart bij Govert uit, geloofde erin dat hij haar begreep en Frida genoot van de openhartige brieven die hij terugschreef. Ze voelde zich verliefd op Govert en hun brieven werden steeds intiemer.
Er werden foto’s uitgewisseld, Govert bleek een knappe Indische jongen. De foto ging in een lijstje op haar bureautje.
Hoe zou het verder gaan? Ze hoopte op een toekomst met Govert, hij ook met haar, maar goed beschouwd schreef ieder aan zichzelf over verlangen naar liefde en geluk. Ze bleven voorlopig schrijven, Frida kon nu tegen haar collega’s zeggen dat ze ook een vriend had. Dat gaf haar een gevoel van volwaardigheid ‘Zie je wel dat ik de moeite waard ben, dat er iemand van mij kan houden?’ Het weerhield haar ervan om met andere jongens uit te gaan. Ze keek naar de ontmoeting met Govert uit, dat kon toch niet anders dan geweldig zijn?
********************
Binnenkort zou de vooropleiding starten, er waren nieuwe meisjes gekomen die ook aan deze opleiding zouden beginnen. Ze was vast van plan nu heel goed haar best te gaan doen, ook met de studie. Ze kreeg een grotere kamer in het zusterhuis, naast haar woonde Hannie, daarnaast Jenny en tegenover haar Lena. Hannie was lid van een ‘zwarte kousen’ gemeente in Barendrecht en mocht bijna niets. Dat ontdekte Frida toen ze Hannie vroeg mee te lopen om haar brief aan Govert te posten. “Nee, dat mag ik niet op zondag”, zei Hannie. “Hè, waarom niet?’ vroeg Frida verbaasd. “Wij mogen op zondag niet werken, niet reizen, ook niets kopen, we wandelen alleen als we naar de kerk gaan”. “Maar je werkt nu toch?” “Ja, voor de verpleging wordt een uitzondering gemaakt omdat de patiënten verzorgd moeten worden, maar verder doe ik vandaag niets”. “Ik ben toch ook gelovig”, zei Frida “wat voor kwaads zit er in een brief te posten, dat begrijp ik niet”. Hannie legde uit dat veel zogenaamd gelovigen veel te oppervlakkig waren en deden waar ze zelf zin in hadden, ze besloot te zeggen: “Gereformeerden zijn Farizeeërs en huichelaars, vroom praten maar zich werelds gedragen, dat klopt toch niet?” Frida voelde zich aangesproken: “Dat is niet waar Hannie, mijn vader is een echte christen en geen Farizeeër”. Hannie wilde niet verder in discussie en Frida wilde begrip tonen.
Bij Hannie thuis was het nog veel strenger dan bij Frida thuis. Hannie mocht geen lange broek dragen, alleen rokken tot ver over de knie. Hannie had heel mooi bruin golvend dik haar, dat ze niet mocht kort knippen. Ze droeg dat meestal in een vlecht om haar hoofd. Wat Frida wel het meest vreemd vond was, dat ze een korset droeg, net zoiets als haar moeder droeg. Moeder droeg dat korset om haar rug steun te geven, ze had tenslotte acht kinderen gekregen. Hannie echter, was amper achttien jaar, liep daardoor wat stijf voorover en kon zich door dat korset moeilijk bukken. Het werd Frida niet duidelijk of Hannie iets aan haar rug mankeerde of dat het volgens Hannie gewoon zo hoorde bij hun. Ze vermoedde het laatste.
Toch vond Frida het fijn dat ze met Hannie kon praten over het geloof en ze respecteerde Hannies opvattingen. Beter zo geloven dan helemaal niet geloven.
Het was leuk en boeiend om één dag in de week lessen te volgen, Frida vond het nu fijn om te leren en haalde goede cijfers. Op de afdeling werkte ze samen met Lena in de afdelingskeuken. Dat ging goed, ze kregen steeds meer plezier met elkaar. Frida werkte op haar eigen manier, voor ze aan de vaat begon wilde ze eerst alles ordenen en stapelen, dat werkte vlotter en makkelijker dan gewoon in de rommel te beginnen, vond ze. Omslachtig legde ze aan Lena uit hoe het moest. En waar anderen zich min of meer ergerden aan Frida en de schouders ophaalden, zag Lena er de humor van in, zonder iets te zeggen deed Lena haar na. Wanneer Frida haar eigen gedrag terugzag in de subtiele bewegingen van Lena moest ze vreselijk lachen. Dat was heerlijk, dat samen lachen werkte enorm bevrijdend.
Nu ze een paar vriendinnen had ging het wel beter, Lena werd een goede vriendin, ze hadden altijd lol, moesten al lachen als ze elkaar zagen. Frida had weinig belangstelling meer voor jongens want ze vond het met Lena veel leuker. Tenslotte, ze had toch Govert? Ze schreven elkaar trouw.
Lena en Frida mochten dan erg veel lol hebben, ze voerden ook heel serieuze gesprekken. Op een avond besloten ze hun leven te beteren en schreven tien goede voornemens achter in het dagboek van Frida. Later konden ze dan checken of ze die nagekomen waren. Ze zouden op tijd opstaan, niet te laat op het werk komen, niet roddelen, vriendelijk en behulpzaam zijn, eerlijk, dus nooit liegen, studieopdrachten zo goed mogelijk uitvoeren, afspraken nakomen en niet uitgaan met jongens.
Op een avond, toen het al laat was en Frida naar haar eigen kamer wilde gaan, liet Lena haar nog iets zien wat ze leuk vond en waarom ze moest lachen. Het was een stripverhaaltje van Godfried Bomans in het boekje Capriolen. Samen lazen ze het verhaaltje en bekeken de geestige tekeningen van de boef in een ouderwetse rolstoel, zo een als de oma van Frida ook had. Het duurde niet lang of ze lagen slap van het lachen. Frida kon niet wegkomen en zei: “Ik kleed me uit, want ik moet naar bed en dan heb ik dat alvast gedaan. Ze kregen steeds meer lol, konden niet meer stoppen met lachen tot er op Lena’s deur werd geklopt. Een oudere zuster deed open en keek wat bevreemd naar de gierende meiden op het bed, waarvan één in haar ondergoed en de ander maaide haar armen op en neer, deed de invalide man in de rolstoel na: “Wat heeft dat lawaai te betekenen, het is al over elven en hoogtijd te gaan slapen, zusters”. Ze schrokken, voelden zich betrapt “Ga onmiddellijk naar je eigen kamer”, zei zuster de Wit die Lena’s kamer ook verliet. Frida liep, schuldbewust met haar kleren over haar arm, in haar ondergoed naar haar eigen kamer, ze voelde de ogen van zuster de Wit op haar achterste gericht.
Heel veel later hoorde Frida dat er verhalen de ronde hadden gedaan dat Lena en zij lesbies zouden zijn. Wat een idee, Lena en Frida waren al in verlegenheid en lacherig als ze een hartelijke groet uitwisselden. Lena vond het naar toen ze dat hoorde, vertelde het niet aan Frida. Toen die het hoorde deed het haar niet veel, liet haar eigenlijk koud. Frida geloofde niet eens dat echte homofilie bestond, iedereen wilde gewoon een man of vrouw als geliefde. Als het anders ging was er iets mis met die persoon. Ze dacht dat het verhaal door die zuster de ronde deed. Het kan ook al eerder de ronde hebben gedaan uit jaloezie om hun vriendschap en het plezier dat ze samen hadden.
Er was een jongen komen werken op de arbeidstherapie, Jim, heette hij, was een aparte kunstzinnige jongen waar Frida kennis mee maakte toen ze een patiënt naar de arbeidstherapie bracht. Ze kwamen met elkaar aan de praat en dat klikte meteen. Hij tekende, schreef gedichten, hield van klassieke muziek, viel op door z’n opvallend uiterlijk en gedrag, dat was een beetje vreemd. Hij was aan de kleine kant, had een min of meer babyface met halfdichte pretogen, keek altijd glimlachend de wereld in, liep vaak in zichzelf te zingen en trok zich weinig van z’n omgeving aan.
Jim was enig kind, zijn moeder was lid van een gereformeerde gemeente op de Veluwe. Hij had geen vader, die was voor dat hij geboren was om het leven gekomen, doodgeschoten in de oorlog. Hij leek soms wel op een oude wijze opa, zat vol evangelische teksten, schreef daarover en wilde evangelist worden.
Ze waren al gauw erg eigen met elkaar, als kinderen. Frida ergerde zich aan hem, liet dat merken en maakte ruzie omdat ze wilde dat hij wat normaler deed. “Doe eens wat vlottere kleren aan”, zei Frida bij voorbeeld. “Kleren zijn niet belangrijk, dat is maar buitenkant, het gaat om de binnenkant”, was zijn antwoord. “Het oog wil ook wat”, zei Frida haar moeder na, “als je zo apart doet, wil ik niet naast je lopen”.
Hij lachte erom, bleef haar leuk vinden, wat ze ook zei of deed, hij nam haar in feite niet serieus.
********************
Frida kreeg nu ook nachtdiensten, die duurde twee weken en daarna had ze vier dagen vrij.
Aan het begin van de nacht was er nog één en ander te doen, eerst rapport lezen dan sommige patiënten nog in bed helpen, daarna ruimde ze de spoelkeuken en afdelingskeuken op. Rond middernacht werd het stil. Om het uur met een zaklantaarn de zalen over lopen om te zien of alles in orde was. Tussendoor kon ze wat voor zichzelf doen, lezen, puzzelen of handwerken, wanneer er gebeld werd ging ze naar de betreffende patiënt.
‘s Nachts waren de mensen soms zo anders dan overdag. Alle branie en stoerheid was verdwenen, dan zag Frida hun moeite en verdriet, hun eenzaamheid. Ze voelde zich aan hen verwant. Er werd best veel gehuild. Ferry, een vierentwintigjarige jongeman kon niet slapen en belde. Hij leed aan een zeer progressieve vorm van multiple sclerose, zijn benen waren al verlamd. Overdag had hij vaak grootspraak: “Als ik m’n hele leven in deze ‘rotstoel’ moet blijven, maak ik me vandaag nog van kant. Maar nee, de vrouwen zijn me nog te lief, dus toch maar niet”, lachte hij dan. Nu stond Frida bij zijn bed en klaagde Ferrie over zijn angst voor de toekomst, het hield hem uit de slaap. Ze streek hem over z’n hoofd, ze konden elkaar nauwelijks zien bij het flauwe licht van de zaklantaarn. “Zuster, ik weet dat het niet mag maar mag ik als je blieft even je borsten zien?”
Frida schrok terwijl ze gelijkertijd zoiets verwachtte. Dat mocht ze toch niet doen? De situatie benauwde haar, ze wilde hem niet kwetsen door hem af te wijzen. “Ferrie, dat kan ik toch niet doen, het nachthoofd kan haar ronde doen en binnenkomen”. “Even maar, misschien krijg ik nooit meer een meisje”. Het was zo pijnlijk, hij voelde zich zo eenzaam, dat gevoel kende Frida maar al te goed.
Ze wist dat Ferry waarschijnlijk nooit meer een relatie kreeg, dat hij niet eens lang zou leven. Ze kon hem dat kleine gelukje toch wel geven? Zijn hand ging al naar haar borst: “Toe zuster, het is niet verkeerd, doe het maar.” Frida stond in tweestrijd want het nachthoofd zou kunnen komen.… ze had zo met Ferry te doen en knoopte haar uniform los, liet haar borsten zien. Die waren prachtig, dat vond ze zelf ook en hij keek er naar en bevoelde ze. “O, heerlijk zijn ze, kom even hier bij me, laat me je beter voelen en kom naast me liggen”. Bang om betrapt te worden maar geen kwaad voelend om hem dat te geven, trok ze haar schort omhoog en klom bij hem in bed, vlijde zich naast hem neer, hij streelde haar mooie lang benen tot boven haar kousen nabij haar jarretels en kuste haar borsten. “Dank je wel, dank je wel”, zuchtte hij. Hij wilde heel graag proberen of hij ’het’ nog kon, maar dit was al meer dan Frida had gedurfd. Ze wist dat ze een mooi lichaam had en meende dat dat het enige was dat ze te geven had, het enige dat mannen van haar wilden.
Ze wilde niet verder gaan dan ze al gegaan was omdat ze zeker niet wilde meemaken dat hij ‘het’ niet meer kon. Dat zou ze zo pijnlijk voor hem vinden. In zekere zin ontmoette haar eenzaamheid zijn eenzaamheid.
Snel gleed ze uit het bed en fatsoeneerde haar kleding want als ze zo gezien werd kon ze ontslagen worden. Dat dit veel meer gebeurde wist ze wel, maar daar praatte niemand over. Ze voelde zich hierover niet slecht, ze had het harteloos gevonden als ze Ferry had afgewezen. Er waren niet veel woorden nodig om elkaar in deze uitstekend te verstaan en vrij te laten. De verhouding leed er niet onder in het werk, integendeel. Het schiep ook geen verplichtingen.
Sommige meisjes meenden dat ze dan ook gelijk verkering hadden, zo waren er wel een aantal stelletjes, dat vond Frida juist niet zo goed. Het beïnvloedde de sfeer op de afdelingen, veel jonge mannen probeerden een verpleegstertje als vriendin aan de haak slaan. Frida was ook gevraagd door Pieter, maar ze wist dat ze dat echt niet aan zou kunnen.
Jozef, ook een dwarslaesiepatiënt, had altijd bijzondere aandacht voor haar, terwijl hij al een tijdlang verkering had met Marjolein. Dat was algemeen bekend en werd getolereerd. Jozef had gezien dat Frida afgehaald werd door een jongen op een brommer, bij hem achterop sprong en wegreed. Op de afdeling teruggekomen had Jozef haar kwalijk genomen dat ze met een jongen was uitgegaan, haar uitgescholden voor slet. Frida trok zich dat aan en Jozef ging net zolang door tot ze huilde en wegliep. Hij probeerde haar vaak emotioneel te raken door lelijk te doen.
Eigenlijk verpleegde ze liever wat oudere mensen, daar voelde ze zich veiliger bij.
In een van de volgende nachten belde mevrouw de Vries een paar maal, ze huilde omdat ze de volgende dag naar huis zou gaan. “Het is toch fijn om weer naar uw man en kinderen te gaan? Ze zien er naar uit, dat zei uw man gisteren nog”, zei Frida. “Ik zie daar zo vreselijk tegenop want ik kan nog bijna niets door die verlamming. Ik ben ze enkel tot last”. “Dat is niet waar, ze houden echt van jou en je moet je niet schuldig voelen”. “O zuster ik had beter dood kunnen gaan na die hersenbloeding”. Ze had gehoopt uit haar rolstoel te zijn na haar revalidatie maar zover was ze niet gekomen. Frida wist niet wat te doen. De realiteit ontkennen had geen zin, het was erg moeilijk voor die vrouw.
Opeens zei ze: “Bidt u wel eens? Gelooft u?” De vrouw bevestigde dat en Frida hoorde zichzelf praten over het geloof, dat mensen haar verdriet niet konden verhelpen, maar dat God haar kon helpen dit te dragen. Ze wist eigenlijk niet meer wat ze allemaal zei, er ontstond een gesprek en de vrouw liet haar verdriet de vrije loop. Toen was Frida hardop gaan bidden met de vrouw, daarna dekte ze haar toe. Mevrouw de vries belde die nacht niet meer. Frida zag dat ze rustig sliep toen ze haar ronde deed.
Frida stond verbaasd over wat ze gedaan had en hoe ze dat durfde! Ze voelde zich zo slecht tegenover God, hoe kon dit? Was ze nu een huichelaar, zoals Hannie zei?
********************
Eindelijk zou ze Govert dan ontmoeten, de afspraak was gemaakt en de verwachting waren hoog gespannen. Ze wisten al zoveel van elkaar, het geschreven woord zou toch naadloos over moeten gaan in het gesproken woord? Frida’s gedachten stonden niet stil: Zal hij dan echt de ware zijn? Wat zal hij zeggen en ik, wat moet ik zeggen of doen? Het is zo raar een onbekende te ontmoeten waar ik zoveel van weet. Ik ben bang en blij tegelijk. Zal hij me kussen of wacht hij daarmee? In gedachten verlang ik naar hem, maar hoe zal dat straks zijn. Ziet Govert er net zo naar uit als ik? Als ze de brieven geloofde, moest dat wel waar zijn.
In Zeist, bij Figi hadden ze afgesproken. Govert stond bij de bus en ving haar op. Hij was toch anders dan ze in gedachten had. Ze zag een vreemde, niet haar type. Govert was aan de kleine kant en iets gezet. Lang en slank is mooier. Hoewel hij zeker niet lelijk was, voelde ze zich niet aangetrokken. Dat negeerde ze, belangrijker was hoe hij haar zou vinden.
De teleurstelling was groot toen ze bij elkaar zaten en koffie dronken. Er was er geen herkenning, ze voelden zich vreemd tegenover elkaar. Het gesprek wilde niet vlotten. Dat was moeilijk toe te geven na zoveel ontboezemingen in hun correspondentie. Ze zouden de tijd nemen elkaar beter te leren kennen en maakten een nieuwe afspraak.
De volgende afspraakjes werden niet veel beter, ze vrijden een beetje en dat klikte ook niet bepaald maar ze durfden tegenover elkaar niet de waarheid onder ogen te zien. In dat geval zouden ze zich schamen voor hun openhartigheid.
Govert bleek niet erg gul, zeurde erover dat hij geen geld had, vroeg Frida de koffie te betalen.
Na een aantal ontmoetingen die steeds niet bevredigend waren, forceerde hij hun ontmoeting in een vrijpartij waarin Frida hem te ver liet gaan. Achteraf begreep ze niet dat ze dat niet kon tegenhouden, het was verre van fijn en ze wilde dat niet. Het leek wel of iedereen haar baas was. Haar zelfvertrouwen was nul komma nul, eigenwaarde had ze al helemaal niet. Nooit meer wilde ze zo ver gaan voor ze getrouwd zou zijn.
Met vrije dagen ging ze niet graag naar huis, ze had er niets te zoeken. Moeder was vaak chagrijnig, klaagde dat het een lieve lust was over alles wat haar niet zinde. Ze toonde geen interesse in haar, zij en vader wilden alleen weten of ze nog wel naar de kerk ging. Moeder vroeg een beetje geld van haar verdienende kinderen als die een weekend thuis kwamen, zogenaamd voor de onkosten die ze maakte voor het eten en de zorg. Maar Frida verdiende heel weinig als leerling in de vooropleiding, kon het geld moeilijk missen.
Meestal nam Frida een bloemetje voor moeder mee om haar tegemoet te komen, blij te maken. Moeder hield wel van bloemen, bedankte zowaar: “Ik kan juist een bloemetje wel gebruiken”, zei ze terwijl ze Frida keurend monsterde. “Hoe lang blijf je?” “Dat weet ik nog niet, over drie dagen moet ik weer werken”. “Je kan me helpen met de schoonmaak, ik heb erge last van m’n handen en schouders”. Veel zin had Frida daar niet in, ze wilde juist lekker lang uitslapen. “Dat zien we morgen dan wel”, zei Frida. “Je hebt toch wel andere kleren bij je, want in deze kan je niet werken, die rok is bovendien veel te kort”. Frida bespeurde al enige ergernis en van uitslapen zou wel niet veel terecht komen. Dat stoorde moeder in haar plannen, dan begon ze vanaf negen uur om de vijf minuten te zeuren dat ze eruit moest komen, dat er koffie was en dat ze moest helpen.
Frida bleef beducht voor moeders boosheid. Tegen de andere kinderen hield moeder zich in, alsof ze tegen hen niet zo durfde te doen als tegen haar. De andere kinderen hielden zich gedeisd, verdienden haar goedkeuring door hun best te doen, die bleken in staat moeder redelijk tevreden te stellen. Over Frida was ze nooit tevreden. Zelfs als ze wel iets goed deed, zei moeder doodleuk: “Hè ik had zo graag gezien dat Joke dat gedaan zou hebben”. Frida mocht niet eens iets goed doen, ze verdiende geen liefde, daar was Frida het mee eens, toch deed het pijn.
Soms dacht ze terug aan die ene keer dat moeder echt plezier om haar had. Het was op een uitvoering van de gereformeerde meisjesclub. Ze voerden een toneelstukje op en Frida had de rol van onnozele Hans, ze speelde die rol met verve. Ze herinnerde zich dat ze zich toen ergerde aan de andere meisjes die uit verlegenheid hun rol slecht speelden want daardoor kon zij minder goed uit de voeten dan ze wilde. Toch had ze plezier in dat toneelspelen en op het moment dat zij voor het voetlicht kwam en een echte onnozele Hans speelde, zag ze moeder op de eerste rij zitten. Moeder moest vreselijk lachen, ze gierde het uit, gaf zich er helemaal aan over, ja Frida voelde toen dat moeder echt oprecht groot plezier aan haar beleefde. Dat was zo fijn want moeder lachte bijna nooit.
Studeren kostte haar geen moeite. Op de afdeling echter, liep het niet altijd gesmeerd, ze voelde zich minderwaardig ten opzichte van de anderen, kon haar gedachten er niet bij houden en was bij voorbaat al bang dat er iets mis zou gaan, altijd voelde ze dreiging. Maar zodra ze Lena zag, was het goed, die keek blij naar haar, al gauw was er dan iets waar ze de grootste pret om hadden. Dat waren meestal kleine dingen; de manier waarop iemand liep, keek, praatte, gewoon de typische gewoonten van mensen maar ook van henzelf. Ze wisten direct van elkaar waarom ze lachten om wat ze zagen. Het soms impulsieve gedrag van Frida dat bij anderen irritatie opriep, wekte bij Lena de lachlust op, die maakte een droge opmerking, een subtiele beweging waaruit Frida duidelijk werd hoe ze had gedaan en daar kregen ze dan weer de slappe lach van. Wanneer ze aan tafel zaten met de andere zusters, durfden Lena en Frida elkaar nauwelijks aan te kijken omdat ze dan zeker weer, om het één of ander dat ze zagen moesten lachen. De anderen aan tafel leken zich er aan te storen, doch zowel Lena als Frida waren er niet op uit anderen te ergeren of uit te lachen. Eenmaal kwamen ze aan de ronde tafel tegenover de directrice terecht die tussen een arts en hoofdzuster zat. De directrice was erop gebrand dat de zusters zich netjes gedroegen. Wanneer ‘Trien’ binnenkwam moesten alle zusters direct opstaan en haar groeten, vervolgens gaf zij het sein wanneer ze weer mochten gaan zitten.
Lena en Frida zaten naast elkaar en durfden bijna niet te eten. Het was oppassen geblazen want er viel erg veel te lachen. Ze hielden zich in maar stikten bijna, opeens kwam de vermicelli bij Frida de neus uit.
Soms gingen ze dansen in het KMT met de militairen. De aalmoezenier haalde- en bracht de zustertjes weer thuis. Dat waren leuke avonden waar soms een afspraakje uit voortvloeide. Frida merkte dat jongens haar aantrekkelijk vonden, begon daar mee te spelen, het gaf haar een gevoel van macht. Ze kon goed flirten maar ze nam de avances nooit serieus, ze wist best dat het om een vrijpartij ging en niet om haarzelf. Ze raakte eigenlijk helemaal van de kaart als iemand, wie dan ook, haar serieus nam, dan maakte ze er een geintje van of reageerde afwijzend. Het beangstigde haar als een jongen serieus met haar verkering wilde, ze had snel een smoes klaar: “Nee, ik wil geen zeeman, die is te weinig thuis, dat is niets voor mij”. “Maar ik wil wel aan de wal gaan werken”. “Ik wil niet dat je voor mij de zee opgeeft”. Wanneer een jongen ongelovig was gebruikte ze dat ook om hem af te wijzen. Altijd genoeg redenen, ze wees de jongen in kwestie nooit persoonlijk af, gaf hem altijd het gevoel dat hij goed was, te goed voor haar. Dan kraakte ze zichzelf af en vertelde hem dat hij nooit gelukkig met haar zou worden. Dat meende ze ook werkelijk, stel je voor dat hij ontdekte wie ze werkelijk was! Niet die mooie meid met zoveel sex-appeal maar een moeilijk meisje met veel problemen, die meer liefde nodig had dan ze had te geven. Zo’n jongen zou van de koude kermis thuis komen. Frida wilde eerlijk zijn, ze mocht zo’n jongen niet bedriegen.
Lena kwam ook niet te dicht bij, behalve in haar humor maar die was altijd mild en erg geestig. Ze voelde zich dan geaccepteerd zoals ze was. Bij Lena was ze veilig.
Frida kleedde zich graag wat apart en artistiek, knutselde vaak wat bijzonders in elkaar, iets wat anderen dan niet droegen. Op de arbeidstherapie kon ze materiaal kopen waar ze allerlei dingen van kon maken, zoals tassen, sjaals, kettingen maar ook lampen en gordijnen. Zo viel ze op en trok een zekere aandacht en wilde ook wel graag contact leggen maar al snel voerde ze diepe gesprekken over de zin van het leven, over doodgaan en geloven. Gewoon oppervlakkige luchtige contacten gingen haar niet makkelijk af. Naar haar idee moest ze altijd iets te bieden hebben en anders deed ze er niet toe. Heel graag wilde ze meedoen met het oppervlakkige gebabbel van de anderen maar dan kwam ze er moeilijk tussen, het leek wel of ze dan stoorde.
Het leek Frida dat anderen haar als vooruitstrevend, een dolle mina, een flowerpower hippie zagen. Ze moest daar inwendig om lachen: ‘Ze denken dat alleen omdat ik apart ben, een beetje anders, maar ik sta juist kritisch tegenover de nieuwe vrijheid. Vrije seks kan niet goed zijn, al heb ik geen recht van spreken. Onder het mom van vrije seks veroorloof ik me geen vrijheden’. Het blijft verkeerd, ik ben slap en zwak.
De tien regels scheurde ze uit haar dagboek, die confronteerden haar teveel met haar falen.
********************
Om elf uur ‘s avonds moest het stil zijn in het zusterhuis en de lichten uit, dan ging de buitendeur op slot en kon je er niet meer in of uit, behalve door een opengelaten raam in de fietsenkelder.
Op een avond waren Lena, Hannie Jim op Frida’s kamer en luisterden naar klassieke muziek van Beethoven en Offenbach. Jim had grammofoonplaten meegenomen, ze hadden kaarsen aangestoken en genoten werkelijk van de muziek. Het werd een heel gezellige avond met filosofisch getinte gesprekken, over goed en kwaad, over geloof, muziek en over boeken. Frida was helemaal in haar element, ze begon in die tijd erg veel te lezen, kocht veel Salamander en Meulenhof pockets. John Steinbeck las ze erg graag.
Hannie ging om tien uur naar haar kamer en ze gingen gedrieën nog door, nu met pret maken, geestige verhalen en kwinkslagen. Lena ging om elf uur naar haar kamer en Jim zou ook vertrekken, hij woonde in het oude gedeelte van het hoofdgebouw, niet in het zusterhuis, daar mochten geen mannen komen.
De buitendeur bleek al op slot, hij zou door een kelderraam naar buiten hebben gekund, maar dan moest hij toch aanbellen om het andere gebouw in te kunnen. Ze besloten dat Jim bij Frida op de kamer zou blijven, de volgende ochtend kon hij gewoon naar z’n eigen kamer gaan. Zij en Jim hadden geen seksuele relatie, het was meer kinderspel, je kon het zelfs geen vrijen noemen maar er was wel eigenheid, vertrouwdheid. Ze besloten kop aan staart te gaan slapen.
De volgende ochtend, ze waren net wakker, liep Jenny door de gang en klopte overal op de deuren, roepend: “Opstaan”. Op hetzelfde moment gooide ze bij Frida de deur open en zag dat Jim in bed lag, Frida had haar uniform al aan om te gaan werken. Jenny viel stil, keek nog eens goed, draaide haar hoofd om en liep weg. Frida direct er achteraan om Jenny uitleg te geven: “Het is niet wat je denkt, Jenny, de buitendeur was gisterenavond al op slot. We hebben niets verkeerds gedaan”, maar Jenny wilde haar niet eens aanhoren. “Dat zal wel”, zei ze en keek Frida verachtelijk aan terwijl ze snel haar kamerdeur voor Frida’s neus dicht deed. Wat stom dat ik de deur niet op slot heb gedaan, dacht Frida beklemd. Als Jenny mij nu maar niet verraadt. Ik zou dat nooit doen, maar Jenny is zo voorbeeldig, ze is er zeker toe in staat.
Die ochtend was er les. Daar waren onder meer ook Jenny, Hannie en Lena. Er kwamen repetities terug, het ging over de stofwisseling van het voedsel door het lichaam. Veel onvoldoendes, maar Frida had een negen en Jenny ook. Zij blij, in haar enthousiasme draaide Jenny zich lachend naar Frida toe om direct haar gezicht weer af te wenden. Frida vertrouwde Jenny niet, die was altijd erg hooghartig en ook jaloers dat Lena haar beste vriendin was geworden, voorheen zocht Jenny ook contact met Lena.
Toen Frida na de les op haar kamer was werd ze geroepen, ze moest bij de directeur komen. De schrik sloeg haar om het hart. Nu gaat er iets verschrikkelijks gebeuren, dacht Frida, Jenny heeft me verraden, wat gemeen van haar! Ze liep langzaam en beverig, schaamde zich om de directeur onder ogen te moeten komen. Hij kende haar vader en dacht dat zij, Frida, uit een nette familie kwam. Nu zou hij ook weten dat zij niet zo goed is als haar broers en zusjes. Ze maakte haar familie te schande.
Het hart klopte haar in de keel toen ze zacht aanklopte. Even later zat ze tegenover die aardige man, die haar nu afkeurend, doch ook verdrietig, aankeek. “Dit had ik nu echt niet van jou verwacht, Frida, je hebt me erg teleurgesteld”. Frida trachtte zich te verdedigen: “Er is niets gebeurd en het is gemeen van Jenny om mij te verraden”. “Dat is haar plicht, Frida, niet zij maar jij overtrad de regels”. “Maar we deden niets, hij kon de deur niet meer uit” zei Frida zwakjes. “Het is regel dat er geen jongens in het zusterhuis komen, dat weet je. Wat je gedaan hebt, hoort niet voor je getrouwd bent. Daarmee besmeur je de liefde, kind, het mooiste dat er is”. Frida voelde zich heel vies en verloren, terwijl de directeur nog wat doorpreekte, durfde ze hem niet meer aan te kijken. “Je begrijpt dat we je moeten ontslaan, deze overtreding is te ernstig om te ontzien. Dat geldt ook voor Jim, hij is al op de hoogte. Je mag nu gaan, ik heb je ouders ingelicht”.
********************
Ze was ten einde raad, net nu er wat verbetering en schot in de opleiding kwam gebeurde dit. O het was zo erg, volkomen overstuur en verslagen zat ze even later op haar kamer een tas in te pakken. Daar kwam Lena, Lena voelde diep met haar mee: “Ach Door, wat erg voor je, wat kan ik voor je doen? Helpen inpakken? Je wegbrengen?” Lena was zo lief, veroordeelde haar niet. Frida huilde tranen met tuiten, wist niet wat te beginnen. Jim en zij mochten niet eens gelijk vertrekken, ze werden als grote zondaren de laan uit gestuurd.
Bij de bushalte wachtte Jim haar op, hij nam het lang niet zo zwaar op, bleef er redelijk opgewekt onder, maar hij was altijd zo, net of het gewone leven hem niet aanging. “Het is een rare, dacht Frida, het lijkt wel of het hem weinig kan schelen dat ik ontslagen ben. In zijn plaats zou ik me schuldig voelen, daar schijnt hij nooit last van te hebben. Ze zag er tegenop om naar huis te gaan. “We hebben nog tijd genoeg”, zei Jim “we kunnen in het bos blijven, het is mooi weer”. “Hoe kan je nu zo opgewekt doen terwijl ik helemaal van de kaart ben?” klaagde Frida, ze voelde zich eenzaam en werd boos op Jim. “Er is een tijd om te huilen, om te lachen, een tijd om afscheid te nemen…”, zo citeerde Jim Prediker in zijn antwoord. Altijd dat christelijke filosofische gezever van hem: “Doe toch eens gewoon” snauwde Frida. Jim lachte en leek ook nu te genieten terwijl Frida bijna in shock was. Ze dwaalden die middag door het bos tot het echt tijd werd naar huis te gaan want vader en moeder wisten er van en verwachtten haar.
Moeder was in alle staten: “De kroon is van je hoofd gestoten”, “als je nu maar niet in verwachting bent”, kermde moeder. “Waar hebt u het over, er is helemaal niets gebeurd”. “Niets gebeurd, niets gebeurd, je sliep toch met hem?” “Hij sliep op een matje met kussen voor m’n bed”, jokte Frida, “Ik ben echt niet in verwachting, hoor”. Het verbaasde Frida, zelf had ze niet eens aan die mogelijkheid gedacht en ook niet dat moeder daar over in zou zitten.
Ze dacht dat haar ouders kwaad zouden zijn over haar ontslag. Ze schaamde zich veel meer over haar falen, dat het nu weer fout was gegaan, net als bij haar vorige baantje. Moeder draaide behoorlijk bij toen ze gerustgesteld was, ze vroeg zowaar of ze een glas warme melk wilde hebben. Frida hoorde haar tegen vader zeggen: “Die jongen sliep op het matje voor haar bed”. Vader nam dat direct aan, hij vond haar ontslag erg jammer. Frida voelde zich razend op Jenny, wat een rotmeid, wat gemeen van haar. Wat een leedvermaak zal die griet hebben.
Nu was ze op staande voet ontslagen voor zoiets doms. Haar relatie met Jim was volkomen onschuldig, ze had wel gekker dingen uitgehaald.
OOM KEES
Frida hielp tante Coby en oom Kees met de grote schoonmaak van hun woning. Ze waren beide ruim de zestig gepasseerd en konden haar hulp goed gebruiken. Frida vond het best, dan hoefde ze niet thuis te zijn en verdiende ze er een beetje bij. Ze kon ook blijven slapen, het was een groot huis met heel veel kamers.
In diezelfde plaats was een streekziekenhuis, waar ze gesolliciteerd had voor de verpleging en ze vroeg zich af of ze wel aangenomen zou worden na haar ontslag. In dat geval zou ze de vooropleiding opnieuw moeten doen.
Voorlopig was ze druk in de weer met de schoonmaak. Het huis had hoge ramen en plafonds, erg bewerkelijk. Frida kende deze tante en oom niet goed, het waren intieme vrienden van een echte tante en oom, daarom mocht ze ook tante en oom zeggen. Dat ging haar makkelijk af, ze waren aardig voor haar. Ze leefden helemaal in hun blije geloof, getuigden daar van, zongen samen bij de vleugel, tante speelde en zong sopraan, oom de tweede stem. Meestal zongen ze uit Johan de Heer en andere opwekkingsliederen. Ze kerkten vaak op het Brandpunt in Doorn.
Frida wist dat haar ouders niet zoveel van dat halléluja gedoe moesten hebben, ‘die mensen dachten er te makkelijk over’. Als tante en oom echter op de koffie waren en bij de piano samen zongen, vond moeder dat maar al te mooi. Moeder wilde graag ook met haar gezin uit Johan de Heer zingen, dat lukte haar slechts zeer zelden. Samen zingen vraagt om saamhorigheid en overgave. Die ontbrak ten enenmale.
Frida warmde zich aan hun hartelijkheid en blijheid in hun geloof. Ze voelde zich niet bekritiseerd maar geaccepteerd, zo heerlijk was dat. Ze wilde dat ze ook zo blij kon zijn in haar geloof, dat ze ook kon zeggen dat God van haar hield, dat Jezus haar Heiland was en dat haar ziel voor eeuwig gered was. O als ze dat toch eens mocht weten, dat die vreselijke angst om voor eeuwig verworpen te worden voorgoed voorbij zou zijn. Ze praatte wel veel over het geloof met Lena, dan was ze vol vuur over de waarheid ervan, maar het was of ze daarmee de hemel wilde verdienen en haar angst bezweerde. Ze voelde zich verlaten door God maar zij zou God nooit meer verloochenen. Nu ze die allervreselijkste angst had gekend, wist ze dat daartegenover vreugde moest bestaan. Ze verlangde zo naar echte bevrijding om vrij en blij te kunnen leven.
Op een avond was er een kleine besloten bijeenkomst op de slaapkamer bij tante Coby, zij zat in haar bed omdat ze zich niet zo goed voelde. “We zouden het fijn vinden als je er ook bij komt, Frida” , zei tante. Frida zette een stoel naast het bed van tante Coby en sloot zich bij het clubje aan. Er werd samen gebeden, gezongen, uit de bijbel gelezen, getuigd en gedankt, in blijdschap en opgewektheid. Een beetje vreemd vond Frida dat wel, tikje overdreven zelfs, doch ze voelde wel dat het oprecht was en de openheid van de mensen naar elkaar toe was warm. Er kan toch niets heerlijkers zijn dan voorgoed geborgen, voorgoed veilig te zijn.
Zo voelde het geloof van vader en moeder niet. Dat voelde streng en dreigend aan, dan kwam het alleen goed als je deed wat zij wilden. In deze kring voelde Frida nu een vrede die overeenkwam met haar verlangen.
Oom Kees liet het bezoek uit en Frida bleef alleen achter bij tante Coby, die pakte haar hand en vroeg: “Wel Frida, hoe vond je het om met ons mee te doen?” Voor het eerst in haar leven durfde Frida te zeggen: “Mooi, maar ik ben bang dat het niet voor mij is, dat ik voor eeuwig verloren zal gaan”. Ze voorvoelde dat tante Coby die angst niet zou bevestigen.
“Waarom denk je dat?” vroeg Tante Coby . “Gewoon omdat alles in mijn leven verkeerd gaat, ik word ontslagen, krijg veel kritiek en het lukt me niet het beter te doen, ik voel me slecht”. Tante Coby luisterde goed zonder afkeuring en moedigde Frida aan door te praten. “Met moeder heb ik altijd ruzie, ze houdt niet van mij omdat ik anders ben dan de andere kinderen, die doen beter hun best, ik ben een lastig canaille, zegt ze”. Tante Coby verzekerde haar dat God niets liever wil dan haar aannemen als zijn kind. “Maar tante, het is echt waar wat ik vertel, wat moeder zegt is ook waar, ik heb zo lelijk tegen haar gedaan, dan pestte ik haar expres om haar boos te maken”.
“Lieve kind, alles kun je God belijden, Hij weet alles immers allang, Hij zal je graag vergeven en vernieuwen”.
Frida geloofde het nog niet en opeens vertelde ze over haar diepste angst, over de zonde tegen de Heilige Geest, nooit eerder in haar leven had ze hierover tegen iemand gesproken, nu vertelde ze alles, over de zondagschooljuf, de meester in de zesde klas, dat ze haar schoenveters niet kon strikken en dat ze toen ”Rot God” had gezegd, niet zomaar even, nee echt gemeend omdat vloeken niet mocht. Tante Coby sloeg een arm om haar heen, keek haar liefdevol aan en zei: “Maar lieve kind, dat heeft God jou allang vergeven”.
Op dat moment gleed er een loden last van Frida af, het was of ze een jas van honderden kilo’s uittrok en of ze zelf een veertje werd. Het is niet te beschrijven wat er toen met Frida gebeurde, nooit eerder was ze zo gelukkig in haar leven geweest als op dat moment. Heel haar leven kwam in het Licht te staan, ze kon en mocht leven, blij leven! Nu wist ze zeker dat ze nooit meer bang hoefde zijn voor God, haar ziel was voor eeuwig gered. O, dacht ze, nu kan ik ook gelukkig leven, nu kan ik toch een goed mens worden. Heel de toekomst ligt open, ik hoef niet bang meer te zijn. God houdt van mij, ik weet dat nu zeker. Ze kon een nieuw begin maken, zou alles anders gaan doen. Ze wist dat ze voor eeuwig bij God geborgen was, deze zekerheid zou haar nooit meer verlaten.
De volgende dagen danste Frida met de bezem, jubelde het uit met de stofdoek en zeemde zwaaiend de ramen, ze wist van geluk en blijdschap niet wat ze doen moest, wilde iedereen vertellen over wat God kan doen, wat God haar had gedaan. Haar grootste en diepste angst was als sneeuw voor de zon verdwenen, niet voor het moment, nee voor eeuwig.
Eerst schreef ze een brief aan vader en moeder om hen te zeggen dat ze van hen hield en dat ze zo’n spijt had van haar moeilijke gedrag, of ze haar wilden vergeven. Dat ze hen dankbaar was voor de christelijke opvoeding. Het werd een mooie brief, nu zouden ze haar beter begrijpen en van haar houden. Vader en moeder vonden het het allerbelangrijkste dat hun kinderen in God geloofden zodat ze behouden werden. Daar getuigde Frida van om ook haar ouders blij te maken.
Toen ze het weekend daarna thuis kwam voelde ze toch een beetje vrees, moeder kon best een slechte bui hebben, ze was altijd zo sceptisch, maar ze zullen de brief toch wel gelezen hebben? Ze zou eerst maar even afwachten tot ze er zelf over begonnen. Ze keek achter de vaas op de hoek van de schoorsteen waar altijd de laatst ingekomen post gezet werd, Frida’s brief stond er niet bij. Gek, waar zou hij dan zijn? Vader en moeder spraken nergens over, het leek net of ze niet geschreven had en opeens durfde ze zelf niet meer naar de brief te vragen. Ze schaamde zich, net als vroeger als ze haar gevoelens liet zien, dan werd ze genegeerd of zelfs uitgelachen. Nu negeerden ze haar weer. Ze begreep het niet. Waarom? Ze willen juist zo graag dat hun kinderen geloven, naar de kerk gaan, dacht Frida en vroeg voorzichtig: “Waarom staat mijn brief niet achter de vaas?” “Dat weet ik niet, vraag het vader”, zei moeder vrij onverschillig. Verder niets, geen woord erover. Het gaf Frida zo’n naar raar gevoel. Waarom schaamde ze zich nu weer, dat hoefde toch niet? Maar het was haar niet meer mogelijk vrijuit met haar ouders te praten, het leek wel of ze dat niet wilden. Een eenzaam verlaten gevoel overviel Frida, ze moest haar blijdschap verbergen terwijl ze die zo graag met hen had willen delen.
Ze was blij dat ze weer naar tante en oom kon gaan, daar voelde ze zich geaccepteerd zoals ze was. Het geluk dat ze nu had gevonden konden haar ouders haar niet meer afnemen. Aan tante Coby durfde ze niet te vertellen dat vader en moeder haar brief genegeerd hadden. Tante had gezegd dat het een mooie lieve brief was en dat haar ouders daar erg blij mee zouden zijn. “Zo zie je maar Frida, God maakt alle dingen nieuw””, had ze gezegd. Frida schaamde zich om de reactie van haar ouders te vertellen en zei: “Ja, ze waren heel blij”.
********************
Frida hoopte dat ze in het streekziekenhuis zou worden aangenomen, zodat ze al het oude achter zich kon laten om een goed leven te gaan leiden. Nu zou het geloof haar echt helpen. De toekomst lachte haar toe, de wereld lag voor haar open. Frida zat vol mooie plannen, ze kon nu getuigen van haar redding, zijzelf was het bewijs.
In de weekends ging ze liefst naar Lena maar soms ook naar Jim. Jim woonde nu weer bij z’n moeder en zij ontving Frida hartelijk. Frida’s ouders wilden niets van Jim weten, namen die vriendschap niet serieus, terwijl hij toch ook gereformeerd was. Goed, Jim viel wel uit de toon in vergelijking met andere jongens, hij had ook geen vrienden. Ze begreep wel dat haar ouders hem afwezen, hoewel ze nooit enige moeite hadden gedaan kennis met hem te maken.
In haar hart zag Frida het zelf ook niet zitten met hem maar Jim vond alles leuk aan haar en zij kon zichzelf zijn door de vertrouwdheid die was ontstaan, echter wel op een negatieve manier. Zat er eigenlijk niet een steekje los bij hem, dacht ze soms, toch was hij zo intelligent en kunstzinnig. Hoe komt het dat ik tegen een muur oploop en hem blijf uitdagen om te weten wat er echt in hem leeft? Frida dacht daar vaak over na. Het feit dat ze zelf zo volledig geaccepteerd werd was erg belangrijk. Niettemin begon ze steeds meer kritiek op hem te leveren, ze kreeg een hekel aan zichzelf omdat ze zo lelijk tegen hem deed. Hij lachte erom, nam haar tenslotte ook niet serieus. Woest kon ze dan worden. Jim lachte dan nog harder, alsof ze vreselijk grappig was.
Met Lena was het heel anders, veel leuker, ze namen elkaar helemaal serieus met veel humor en respect. Aan Lena vertelde Frida over haar geloof en hoe blij ze daar nu mee was, ze wilde zo graag dat Lena nu ook ging geloven want ze hield echt veel van haar, het zou zo vreselijk zijn als Lena verloren ging. Lena zag zichzelf nog niet direct verloren gaan en nam het wat luchtig op, maar Frida was het menens. In bed begon ze er weer over: “Het is echt belangrijk om te geloven, Lena, want het gaat niet om dit leven maar om het eeuwige leven, om de redding van je ziel”. “Waarom moet mijn ziel gered worden?” “Omdat we zondig zijn voor God”. “Ik voel me niet zondig”. “Toch wel, je bent niet volmaakt, we maken allemaal fouten”. “Maar moet ik dan geloven dat Jezus voor die foutjes van mij aan het kruis moest sterven? Dat kan toch niet waar zijn?” “Het gaat niet alleen om jou of mij maar om de hele mensheid, iedereen is zondig en daarom zijn wij ten dode opgeschreven. Alleen het geloof in Jezus Christus kan ons redden”. “Ik begrijp het niet”, zei Lena “als ik gewoon zo goed mogelijk leef zal ik heus niet verloren gaan”. Frida dacht dat ze het precies en goed uit zou kunnen leggen maar dat viel toch erg tegen. “Lena, ik weet zeker dat het waar is wat ik je zeg, heus, want onze ziel leeft eeuwig, dit leven gaat voorbij”. “Het kan toch ook zo zijn dat er niets is na de dood, dan zijn we er gewoon niet meer”, opperde Lena. “Dat is waar, ons lichaam zal vergaan, maar onze ziel kan niet vergaan, dat is de levensadem van God zelf, die neemt Hij terug. In de bijbel staat dat wij verantwoording moeten afleggen over wat wij met ons leven, dat God ons gaf, gedaan hebben. God zal oordelen en de bokken van de schapen scheiden. Niet iedereen komt in de hemel”, besluit Frida haar betoog. “Ik vind het wel een hard standpunt, God is toch liefde, Hij houdt van alle mensen”, zei Lena. “God is ook heilig en rechtvaardig, hij haat het kwaad, dat kan bij Hem niet bestaan, kwaad vernietigt tenslotte zichzelf, vertegenwoordigd de dood, maar Liefde is leven”. Frida had moeite te stoppen, wilde Lena zo graag overtuigen, maar Lena geloofde het wel, ze wilde slapen.
Lena was niet gelovig opgevoed en had zo haar twijfels over hoe en wat ze moest geloven. Frida wist precies hoe alles in elkaar stak en dat het tenslotte ging om de redding van je ziel om niet voor eeuwig verloren te gaan. Ze smeekte Lena bijna om het aan te nemen: “Je moet echt geloven, Lena!” Het mocht toch niet zo zijn dat een zo goed iemand als Lena, met zo’n edel zacht karakter verloren ging, terwijl zij zo slecht als ze was, behouden zou zijn? Ze moest er om huilen toen Lena aangaf dat ze niet alles zomaar kon geloven.
********************
Dit voorjaar werkte Frida veel bij tante en oom. De schoonmaak van het huis schoot wel op maar gaf erg veel werk. Gelukkig had het geen haast en bleef ze die zomer daar vaak logeren.
De chique studeer- werkkamer van oom Kees was aan de beurt voor de schoonmaak. Frida stond op een hoge trap om de kasten te soppen. Oom Kees wilde haar wel helpen en gaf haar een sopdoek aan zodat ze niet steeds de trap op en af hoefde. Probeerde hij onder haar rok te kijken of verbeelde ze zich dat? Even later zat hij aan zijn bureau in een boek te kijken en zei: “Kom eens kijken Frida, wat een mooie foto’s hier in staan”. Het waren portretten van knappe vrouwen, modefoto’s en dat is begrijpelijk want tante en oom hadden diverse modezaken. Oom vertelde dat hij de kunstacademie had gedaan in zijn jonge jaren, dat hij veel modellen geschilderd had. Hij bladerde verder en de foto’s werden wat gewaagder. “Zie je hoe prachtig die vrouwelijke vormen gefotografeerd zijn? Jij bent ook mooi slank Frida, je zou best mannequin kunnen worden”. Frida lachte gevleid, dat hij haar mooi vond, dat had ze niet gedacht. Het was fijn om met oom Kees te praten, hij luisterde echt naar haar. Ze voelde zich enorm gewaardeerd, oom zei zelfs dat ze intelligent was en eigenlijk zou moeten studeren. Nee ze ging echt verpleegster worden en mensen helpen. Dat vond oom Kees ook een mooi christelijk beroep.
Op een middag, toen tante sliep vroeg hij haar een jurkje te passen dat hij voor de zaak wilde inkopen. Leuk, Frida wilde ook wel graag laten zien dat ze zo’n jurkje goed kon showen. Oom Kees was verrukt en trok het jurkje glad over haar heupen. “Het staat je schitterend, pas nu nog deze rok en blouse”. Op haar slaapkamer kleedde Frida zich nogmaals om en zag zelf hoe mooi deze kleren haar stonden. Ze genoot van de aandacht, van haar nieuwe leven, van het mooie weer, de bomen voor de ramen, echter vooral van zichzelf in de spiegel: Ben ik dat echt? Ik geloof bijna niet wat ik zie, het komt door deze dure kleren. Ook door mijn gezicht, ik kijk veel blijer dan vroeger.
Tot haar grote vreugde werd ze aangenomen in het streekziekenhuis en kon ze daar in september met de vooropleiding beginnen. Door haar ontslag moest ze die nu weer over doen. Het was natuurlijk erg wennen maar ze zou zich helemaal inzetten. Voor tijdelijk kreeg ze een piepklein kamertje waar alleen een bed en stoel in paste. Elke avond maakte ze haar stoel leeg voor Jezus, in gedachten zag ze Hem daar zitten en ging ze met Hem praten, als er toevallig nog kleren op de stoel lagen, ging ze uit bed om die er af te halen. Jezus kon toch niet op haar ondergoed zitten, dat zou oneerbiedig zijn. Vroeger moest ze altijd voor haar bed knielen om haar avondgebed te doen, wanneer ze dat had vergeten mocht ze van haarzelf niet in haar warme bed bidden, nee dan moest ze weer de kou in om netjes te knielen. Ze merkte dat Jezus nu meer voor haar ging leven, dat Hij meer een werkelijkheid was zoals God dat niet kon zijn. God zag ze altijd als de Rechtvaardige Rechter, onaantastbaar, onzichtbaar, zonder gestalte, ze voelde zich zo klein, zo machteloos onder dat Alziend Oog. Nu ze vergeving had ervaren was Jezus tevoorschijn gekomen als een denkbeeldige vriend waarmee ze kon praten.
Nog steeds voelde ze zich geen goed mens maar dat was tenslotte niemand, in de catechismus stond toch duidelijk dat de mens zijn ellende moest kennen.
Ze wist nu zeker dat het geloof geen verzinsel was, maar een werkelijkheid, ze had dat toch aan den lijve ondervonden toen die loden last van haar afviel? Hoe verlicht, warm en bevrijd had ze zich toen gevoeld! Die ervaring zou ze haar leven lang niet vergeten, ze voelde ook dat die cruciaal was voor het verdere verloop van haar leven. Want wat er ook mocht gebeuren, ze zou nooit meer in die vreselijke angst van eeuwige verworpenheid verkeren. In haar beleving bestond er geen grotere angst en verlatenheid op aarde dan die. Zo vreemd dat ze haar ervaring bijna met niemand delen kon. Zelfs, of juist, thuis niet. Was zij dan zo’n uitzondering? Ze zou willen dat ze alles heel goed begreep over God en hoe het geloof daarin aan elkaar zit, dan kon ze het beter uitleggen. Nu lukte dat vaak niet goed, ze had lang niet op alle vragen een antwoord. Er kwamen eigenlijk steeds meer vragen bij. Maar dat tastte de kern van haar geloofsbeleving niet aan. Ze wist nu dat God haar liefhad, dat haar leven bij Hem veilig was. Toch wist ze niet hoe ze leven moest.
Er werd een dansavond georganiseerd voor de verpleegsters die geslaagd waren, alle zusters waren welkom. Frida zag er naar uit ook al kende ze nog bijna niemand van haar collega’s. Er speelde een goede band en er werd druk gepraat, gelachen en gedanst. Frida zat alleen aan een tafeltje en keek toe, hopend dat iemand haar ten dans zou vragen. Dat gebeurde niet, iedereen had zo zijn eigen groepje, zij hoorde nergens bij. Ze voelde zich rot en wat beschaamd om door niemand gezien te worden. Plotseling, na de pauze, vroeg één van de jongens van het bandje haar ten dans. “Moet je dan niet spelen?” “Jawel, straks weer, we lossen elkaar af en toe af”, zei hij. Frida voelde zich opgelaten, ze meende dat hij haar vroeg omdat ze steeds alleen had gezeten.
Toen ze weer teruggebracht was naar haar tafeltje, werd er omgeroepen: “Stilte en luisteren, Kennedy is zojuist vermoord. Het feest is afgelopen”. Iedereen was inderdaad stil en vol ongeloof. Er ontstond verwarring over wat er feitelijk gebeurd was. Zo opgetogen als de avond begon, zo verslagen eindigde die. President Kennedy vermoord, niet te geloven, vreselijk was dat, maar Frida had er meer last van dat ze die avond een muurbloempje was geweest en dat ze uit medelijden gevraagd was door die jongen uit de band.
********************
Het kleine kamertje kon ze al snel verruilen voor een grotere kamer die ze moest delen met Els, een collega die ook de vooropleiding deed. Het werken in een gewoon ziekenhuis was heel anders dan ze gewend was in het revalidatieziekenhuis. Een wereld van verschil en Frida vond het minder prettig. Veel onpersoonlijker, de mensen bleven niet lang, dus veel wisseling van patiënten. Er heerste ook een strakker regiem, ze voelde zich erg bekeken hetgeen haar onzeker maakte. Misschien wisten de hoofdzusters van haar ontslag en letten ze daarom zo erg op mij, dacht ze. Om te beginnen stond ze in de broodkeuken en maakte de avondboterham voor de patiënten klaar. Op een zeker moment vroeg ze zich af of een bepaalde patiënt wel gewone kaas op brood mocht omdat hij vet- en zoutarm dieet had. Ze vroeg de hoofdzuster wat de betreffende man mankeerde. “Het is niet jouw taak daarmee bezig te zijn, wat een vraag, doe gewoon je werk”, was haar bitse antwoord. Frida durfde niet verder uit te leggen waarom ze dat gevraagd had, bang voor weer een kattig antwoord. Het was weer zo herkenbaar die afwijzing. Ze hoorde weleens dat ze zich anders moest opstellen, dat ze eigenwijs overkwam. Achteraf begreep ze dat ze gewoon had moeten vragen of die patiënt gewone kaas op brood mocht en niet moeten vragen naar zijn ziekte. Het ging Frida juist om te begrijpen hoe en wat en niet om domweg te doen wat op briefjes stond. In theorie werd geleerd daarop te letten maar in de praktijk lag dat anders. Hoger geplaatsten waren snel in hun eer aangetast.
Op een dag stond opeens oom Kees haar op te wachten, hij wilde haar verrassen en vroeg haar mee uit eten te gaan. Dat was inderdaad een verrassing, ze ging nooit uit eten, veel te duur. Tante Coby had een andere afspraak en kon niet mee. Frida kleedde zich mooi aan, ze verheugde zich op het uitje want ze had veel te vertellen en oom Kees luisterde altijd zo geinteresseerd.
Toen ze samen het dure restaurant binnengingen, zag ze zichzelf lopen in de spiegel van de hal naast een toch wel erg oude man, nog ouder dan haar vader. Ze betrapte zich erop dat ze zich opeens wat opgelaten voelde. Bovendien kneep oom Kees af en toe in haar hand uit hartelijkheid maar dat vond ze niet prettig.
Wat zouden de mensen om hen heen van hun denken? Frida zette die bijgedachte snel uit haar hoofd. Het zou toch kunnen dat ze met haar opa uit eten ging? Oom Kees vond het heel gewoon, zelfs leuk.
Ze genoot van het lekkere eten en de gezelligheid. Het was ook heerlijk om zoveel aandacht te krijgen, ze vertelde over haar werk in het ziekenhuis, dat ze hoopte daar haar opleiding verder te kunnen voortzetten. Natuurlijk kon ze het niet laten over het geloof te praten, hoe blij ze nu was met het leven, ze wist dat het geloof voor tante Coby en oom Kees het belangrijkste was in hun leven. God was geen strenge (ver)oordelende God maar in hun ogen enkel liefde. Voor Frida hield dat nog wel in dat ze dan goed moest gaan leven. “Kunt u, oom Kees, me uitleggen waarom ik zo verkeerd begrepen en afgewezen wordt? Mensen kunnen zo fel op me reageren terwijl ik me van geen kwaad bewust ben”. Oom Kees geloofde niet dat ze afgewezen werd.
“Je denkt veel te diep over het leven na en je neemt het veel te zwaar op”, zei oom Kees “wees blij en geniet ervan, ik wou dat ik nog zo jong was, dan zou ik meer van de liefde genieten, dan was ik doorgegaan in de kunst”.
“Maar kunst is niet van veel belang voor de samenleving”, vond Frida, “Ik denk dat ik in de eerste plaats om het belang van mijn naasten moet denken en niet aan wat ik alleen zelf leuk vind. Het is toch het fijnste als je anderen gelukkig kan maken, daarom wil ik verpleegster worden”. “Dat is mooi, maar er is niets mis met het maken van kunst, daar genieten de mensen ook van”. “Dat is waar,” zei Frida, “want eigenlijk wilde ik ook naar de kunstacademie, maar thuis zeiden ze dat met kunst geen droog brood te verdienen valt, dat was leuk als hobby. In de maatschappij moet je van nut zijn voor je medemens. Thuis zeggen ze dat ik geen rekening met anderen houd, dat ik egoïstisch ben”. ”Ik vind je niet egoïstisch, zei oom Kees “je bent juist lief en je hebt ons erg goed geholpen”. “Misschien ben ik dan egocentrisch, dat zegt m’n vader”.
“Lieve kind, er is niks mis met jou, je bent mooi en aardig, je denkt veel te negatief over jezelf”. Oom Kees legde zijn hand over de hare heen. “Maar ik vind het leven moeilijk, heel erg moeilijk, eigenlijk is de hoogste kunst de levenskunst”, besloot Frida.
Ze voelde zich wel verwend, genoot van het chique diner, de belangstelling van oom Kees voor haar persoontje en dat hij haar mening waardeerde.
Toen hij haar terug bracht naar het zusterhuis wilde hij een kus geven, deed dat gewoon, ze vond het vies, z’n mond rook naar menthol, hij probeerde haar vast te houden maar ze ging snel de auto uit en deed maar net of alles gewoon was.
Op haar kamer kwam ze wat bij van de schrik, ze wist nu waar hij op uit was maar begreep niet hoe hij dat durfde. Hij was getrouwd met tante Coby, bovendien was hij een christen. Volgens haar klopte dat niet, dat kon toch niet waar zijn? Een onbestemde vage angst schudde ze van zich af. Het moest nu eindelijk eens goed met haar gaan. God zou haar toch niet weer in de steek laten?
Later die week had ze een afspraak met tante Coby om te komen koffiedrinken. Dat ging goed, oom Kees deed weer heel gewoon, met elkaar keken ze nog even televisie, er kwam een voetbalwedstrijd, daar hield oom Kees van maar tante ging naar bed. Frida stond op, deed haar jas aan en wilde ook weg gaan, maar oom vroeg haar nog even te blijven voor de gezelligheid. Ze voelde zich opgelaten toen hij haar tegen zich aan drukte op de bank, stel je voor dat tante Coby naar beneden kwam. “Niet doen oom Kees, ik ga weg hoor”, Frida liep naar de hal om weg te gaan maar hij drukte haar in de hoek tegen de voordeur, betastte haar, probeerde te kussen, trok haar rok omhoog. Hij was opgewonden en hijgde erbij, het stond Frida tegen, ze was boos maar durfde geen geluid te maken. Boven hoorde ze een deur, tante Coby kon naar beneden komen, ze duwde hem weg en kreeg het voor elkaar om de deur open te maken, toen glipte naar buiten. Gelukkig had ze haar jas al aan, anders had ze nog terug gemoeten.
********************
Haar kamergenootje Els vertelde dat ze zwanger was, al een paar maanden en niemand mocht het weten. Alleen haar zus was op de hoogte, het moest geheim blijven. Frida schrok erg toen ze zei dat ze abortus wilde plegen maar ze wist nog niet wie haar daarbij helpen kon. Haar zus en zijzelf zochten naar middelen daartoe. Frida hoorde over duistere adressen en illegale praktijken, over bepaalde middelen zoals pillen en drankjes, baden en breinaalden. Els vertelde dat ze zich al vaak zittend van de trap heeft laten bonken om de vrucht te verliezen maar niets had geholpen. Toch bleef ze bij haar beslissing om te aborteren, Frida mocht er absoluut niet over praten, dat zou ze zeker niet doen, Frida dacht alleen aan wat zij zou doen in dat geval. Ja, ze zou ook abortus plegen, ze zou nooit, nooit zwanger thuis durven komen. Els moest wel opschieten want ze was al bijna drie maanden ver.
Waarom deelde Els haar geheim met haar? Ze had het niet willen weten, het was moord. Maar ze zou Els niet verraden want als zij zelf… Voor het uitvoeren van de abortus moest Els heel sterke tabletten en een drankje innemen om de vrucht af te drijven. Als dat maar goed afloopt. Els zou het in haar vrije dagen doen, dan ging ze altijd naar haar ouderlijk huis.
Na drie dagen kwam Els opgelucht terug. Ze vertelde dat ze de pillen en het drankje naar voorschrift had ingenomen en dat ze tijdens het eten thuis erge krampen had gekregen. Haar moeder geloofde haar toen ze zei dat ze ongesteld werd en naar bed wilde gaan. Die nacht was ze op de zolder, thuis bij haar ouders, van de foetus bevallen op kranten met plastic zakken daaronder, het was een jongetje. Ze had alles opgeruimd en weggegooid, haar zus had haar geholpen zodat haar ouders niets gemerkt hadden. Frida schrok ervan dat zoiets onopgemerkt kon blijven. Zou dat vaker gebeuren? Ze dacht van wel omdat zij ook al een keer geschrokken was toen de menstruatie niet direct op tijd kwam. Ze zou zich geen raad weten als haar dat overkwam. Nu ze een nieuw begin had gemaakt wilde ze voor haar huwelijk niet meer te ver gaan. Ze wou zo graag zuiver en goed zijn voor God. Haar leven leek wel één lang gebed om hulp, om bescherming.
De vooropleiding was afgelopen, Frida slaagde met goede cijfers. Toch werd ze niet toegelaten voor de verdere opleiding. Er was iets mis met haar houding, Frida begreep niet wat daaraan mankeerde, vroeg er ook niet naar. Dat durfde ze niet eens, het was weer hetzelfde liedje, ze was nergens goed genoeg voor.
Een docent van de opleiding wilde haar wel een werkplek geven op een inrichting voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten, maar dat sloeg ze af. Vroeger had ze dat misschien wel gewild maar nu voelde ze zichzelf afgewezen als geestelijk onvolwaardige. Ze zou nog wel zien.
Ze ging weer uit eten met oom Kees, hij vond haar mooi, lief, goed en aardig, dat vleide haar enorm, maar ze wilde niet dat hij met haar probeerde te vrijen, dat stond haar tegen, toch wist ze dat hij daar op uit was. Hoe kan hij dat verantwoorden? Toen hij in de auto met zijn handen onder haar rok voelde, zei ze: “Niet doen, oom Kees, dat hoort toch niet?” “Je moet het allemaal niet zo star en traditioneel bekijken kind, ik doe dit omdat ik van je hou, dit is ook echte liefde”. “Maar u hebt toch tante Coby?” “Ja, ik hou ook zielsveel van haar en zou haar voor nog geen miljoen willen missen, maar wat ik voor jou voel staat daar helemaal los van, dat moet je niet zo zwaar zien, het is juist iets moois”. “Maar ik wil het niet, het mag echt niet”. Frida moest denken aan een bijbeltekst in Matteus 18: ‘Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee”. Dat stond in de bijbel. Dat zou toch vreselijk zijn voor oom Kees? Ze maakte zich zorgen over hem hield hem de tekst voor. Oom Kees zei: “Lieve kind, je begrijpt de tekst verkeerd, het gaat daar niet om de liefde, ik zal jou nooit kwaad doen. Hoe kan liefde nu ‘zonde’ zijn?”
Nee, ze wilde deze liefde niet, het mocht niet. Waarom sloeg ze hem niet gewoon van zich af, waarom bleef ze netjes en vriendelijk tegen hem? Omdat hij haar mooi en aardig vond? Waarom had ze geen verweer? Ze vond het zelfs walgelijk als hij te ver ging. Wat moest ze doen?
Ze zou zorgen dat ze hem niet meer zag of alleen met tante Coby erbij.
********************
De volgende maanden zat Frida zonder werk. Er kwam een vraag van kennissen of ze bereid was te helpen in een gezin met drie kinderen waarvan de moeder overspannen was, die moest er een poosje tussenuit. Het gezin woonde in een grachtenpand in Amsterdam. Daar kon ze intern wonen. Frida nam dat met beide handen aan, dan was ze verder weg van oom Kees en hoefde ze ook niet thuis te gaan wonen.
Zolang de moeder weg was had ze het wel naar haar zin, ze was zelf tevreden over hoe het liep met de kinderen en de huishouding. De jongste was pas een jaar, een heerlijk jongetje, ze sliep bij het kind op de kamer. Als Frida naar bed ging kon ze lang naar hem kijken wanneer hij zo lekker lag te slapen. Een paar maal maakte ze een tekening van het jongetje.
Met de vader van het gezin kon ze goed overweg, hij was aardig. Hij was ook tevreden, maar toen de moeder terug kwam veranderde alles.
De moeder wilde dat Frida bleef, dan kon zij weer voor de klas gaan staan, hetgeen ook zo gebeurde maar al gauw boterde het niet tussen de moeder en Frida. Ook als de moeder weg was voor haar werk wilde ze dat Frida precies zo werkte als zij dat voorschreef, ze maakte briefjes en lijstjes over wat ze moest doen, hoe laat en op welke manier. Mocht er tijd over zijn dan lag er een briefje met extra taken. Omdat Frida al twee maanden goed op haar eigen manier had gewerkt kon ze dat moeilijk accepteren. Bovendien kreeg ze veel kritiek op haar werk, of betrof het weer haar houding? Ook deze werksituatie werd onprettig beëindigd. Frida trok het zich niet aan, ze wilde toen wel graag weg. Bovendien had ze gesolliciteerd bij de Nederlandse Spoorwegen en was opgeroepen om een test af te leggen. Die test doorstond ze heel goed, ze werd aangenomen voor administratief werk. Voor ze kon beginnen moest ze een bewijs van goed gedrag overhandigen, op het gemeentehuis kon ze dat aanvragen. Daar schrok ze van. Ze was bang dat ze dat niet kreeg, dat de burgemeester iets van haar wist dat niet goed was. Ze vond zichzelf niet goed genoeg voor een bewijs van goed gedrag, maar toen ze dat gewoon kreeg, was ze blij verrast.
Zolang ze in het gezin werkte was ze niet met mannen of jongens omgegaan, alleen Jim had haar een paar keer opgezocht, dat zag ze zelf als een platonische vriendschap, hoewel Jim het anders wilde. Frida zag hem als een soort broer, waaraan ze zich ergerde en ze maakte steeds ruzie. Oom Kees had haar toen gelukkig met rust gelaten, het zou nu wel over zijn met zijn handtastelijkheden.
Eva had ze af en toe in Amsterdam ontmoet, die studeerde voor haar hoofdakte en had niet veel tijd voor haar. Hun levens waren nogal verschillend en Eva had veel vrienden, veel meer dan Frida. Bij meisjes en vrouwen voelde Frida zich snel afgewezen en teveel, met jongens en mannen ging ze flirten. Ze wilde wel graag anders maar het ging zo vanzelf. Jongens waren daar zelf ook op uit. Als ze dat niet waren maakte dat haar onzeker. Ze kon zich niet voorstellen dat iemand haar echt serieus nam.
Frida probeerde gelovig te leven want ze voelde zich immens dankbaar dat ze behouden was en bevrijd van haar angst voor de hel. Zondags ging ze geregeld naar de kerk en als de gelegenheid er was, begon ze over het geloof te praten en daarvan te getuigen, ze wilde het zo graag aan iedereen geven. Het verbaasde haar dat de meeste mensen zich niet bekommerden om hun zielenheil. Dat velen afgaven op hun, soms strenge, christelijke opvoeding en niet meer wilden geloven. Maar het geloof was in Frida’s beleving niet synoniem aan een christelijke opvoeding. Ze zou er later een boek over gaan schrijven waarin ze zou aantonen dat je zonder geloof niet tot God kon komen. Daar dacht ze veel over na, maar mede door gesprekken met anderen, kwamen er steeds meer vragen op haar af waar ze geen antwoord op had. Het was erg ingewikkeld en moeilijk, ze wilde iets bewijzen wat niet te bewijzen viel. Dat deed niets af van de zekerheid die zij in haar geloof had gevonden, wat ze daarbij voelde ging voor haar boven alles uit.
********************
Frida voelde zich gelukkig omdat ze een nieuw begin kon maken met haar nieuwe kantoorbaan. Ze had veel hoop en geloof in de toekomst, ze dacht dat het nu echt goed zou gaan. In de weekends ging ze geregeld naar Lena of Lena kwam bij haar, ze schreven elkaar en samen zagen ze overal de humor van in. Dat werkte ook aanstekelijk naar de omgeving toe. Lena’s moeder genoot ervan als ze het weekend daar waren. Een spelletje ‘Mens erger je niet’ werd een cabareteske vertoning omdat Frida niet tegen haar verlies kon. Ze moesten allemaal erg om Frida lachen, dat voelde zo warm en ze stookte het vuurtje dan ook graag nog een beetje op.
Lena werkte nu ook op een kantoor. In de verpleging kreeg ze last van eczeem aan haar handen. Eigenlijk wilde Lena na de mulo graag doorleren, ze zocht nog naar een mogelijkheid daartoe.
Frida woonde nu weer thuis bij haar ouders, ze ging elke dag met de trein naar haar werk. Herman, Joke en Gerrit waren het huis uit, zodat ze nu een eigen kamer had. Die maakte ze erg gezellig, ze had altijd veel plezier in het inrichten van haar eigen leefruimte, dan was ze druk in de weer met de centimeter om de meubeltjes zo efficiënt en mooi mogelijk neer te zetten. Hier en daar wat kunst en een bureautje was ook belangrijk voor Frida. Ze hield haar kamer netjes en schoon, Frida wilde graag orde en overzicht hebben. Moeder vond ook dat Frida een goede smaak had waar het de inrichting van haar kamertje betrof. Daar waren ze het over eens!
Jammer dat het thuis nooit gezellig en ontspannen was, veel stress en gesprekken waren onmogelijk.
Op kantoor was het erg wennen, het was zo’n verschil met het werk in de verpleging. Op de Financiële Dienst werkten zo’n twintig mensen, bestaande uit mannen, jongens en zes meisjes. Veel afwisseling was er niet, de meeste rekenwerkjes waren saai maar het moest gebeuren. Wanneer ze een stapel werk af had gaf dat een beetje voldoening. Er kwam echter geen einde aan want er kwam steeds weer werk bij. Zinnig leek haar dit correctiewerk niet. Haar salaris was ruim twee-honderddertig gulden in de maand, dat was meer dan het geld dat ze met dit werk opspoorde. Moeder wilde ook wat geld voor kost en inwoning, de rest was dan voor haar.
Omdat Frida zich naast haar werk nuttig wilde maken was ze op de vraag ingegaan of ze een meisjesclub van de kerk wilde leiden, samen met een vroeger schoolvriendinnetje. Zelf had ze nog wel goede herinneringen aan die meisjesclub waar ze vroeger op zat met Cootje, Jolande, Linda en andere meisjes. Eens per jaar gingen ze met de fiets op vakantie langs jeugdherbergen, dat was hartstikke mieters. Misschien kon ze met Rinie ook zoiets organiseren. Voorlopig kwam het op één avond in de week aan, maar een goede voorbereiding bleek wel noodzakelijk. De samenwerking met Rinie vlotte niet zo en als er geen vast plan voor de avond lag werd het erg chaotisch. Die meiden kwamen alleen maar keten, Frida en Rinie kregen niet genoeg overwicht.
Frida schreef zich in voor een werk- leerweekend voor leiders van gereformeerde jongens en meisjesclubs. Daar ontmoette ze Berend, hij werd stapel verliefd op Frida die zich dat liet welgevallen maar ze vond hem niet haar type. Hij was tien jaar ouder, had een goede baan, gereformeerd, keurige man om mee thuis te komen. Omdat hij zo heel erg vreselijk verliefd was liet het Frida niet koud en wilde ze hem toch thuis voorstellen. Ze had oom Kees gezegd dat ze nu verkering had in de veronderstelling dat oom Kees haar los zou laten. Ze liet hem een foto van Berend zien. Een niet onknappe man met mooi donker golvend haar, niet al te groot en ietsje gezet, net als oom Kees zelf. Oom Kees vond het een geschikte man voor Frida maar vond niet dat hij daarom van Frida af moest blijven. “Je hebt nog steeds geen onderscheidingsvermogen, Frida, je moet mij en Berend los zien van elkaar. Ik gun je die man en ondersteun je, ik hou gewoon van je en wil je enkel goed doen”. “Blijf dan van me af”, beet Frida hem toe. “Je bent niet eerlijk Frida, je vindt het wel fijn”. Altijd hetzelfde liedje.
Overigens werd Frida niet verliefd op Berend en speelde ze eigenlijk met zijn gevoelens omdat ze nog nooit had meegemaakt dat een man zo dolverliefd op haar was met oprechte bedoelingen, dat verontrustte haar. Dan kende hij haar niet, ze bedroog hem omdat hij er wel achter zou komen hoe waardeloos ze was en zeker niet goed voor hem. Hij raakte haar amper aan, uit respect, maar Frida daagde hem uit en één maal begon hij heftig te vrijen, verloor hij zijn zelfbeheersing. Daar had hij op hetzelfde moment spijt van en maakt zijn excuses. Zo eerlijk en netjes en ook lief was hij. Frida voelde zich bezwaard en zette er een punt achter. Dit mocht ze Berend niet aandoen.
********************
Om weer thuis te wonen nadat ze aan een zekere vrijheid had geroken, viel haar niet mee. Moeder was nog altijd klagerig en ontevreden. ‘Doe dit, doe dat’, vooral tegen vader. Elk gezinslid moest voortdurend weten hoe zwaar en druk ze het had:
“Nooit kan ik eens even rustig zitten, zelfs niet om een kopje thee te drinken want dat begint al met water opzetten, wachten, dan weer opstaan omdat de fluit gaat, vervolgens thee in de pot doen, laten trekken en dan weer opstaan om kopjes te pakken en in te schenken, koekje erbij en ga zo maar door. Weet je waar ik laatst even heerlijk rustig zat? Bij de dokter, in de wachtkamer zat ik zo fijn ontspannen in een blad lezen”. “Moet je zien dat je daar vaker komt”, vond Frida.
Was het maar meer ontspannen, Frida voelde zich ook tekortschieten, ze was liever niet thuis.
De stad trok haar aan en ze wilde graag ook uitgaan. Al gauw had ze daar een oplossing voor. Op kantoor was een collega waar ze als een vriendin mee omging, als ze niet naar huis wilde gaan, belde ze naar huis dat ze bij Ank ging slapen. Ank woonde samen met een vriendin op kamers. Ank was eigenlijk niet eens haar vriendin en ze had er nooit geslapen, maar ze kon wel met Ank overweg. Met de andere meisjes klikte het niet zo, die vonden haar natuurlijk apart. Ze kon met Kamerbank tegenover haar wel goed overweg. De dagen waren lang en saai. Het was steeds uitkijken naar de koffiekar en de bel voor de middagpauze, dan naar de middagthee. Tijdens het werk werd er vaak enorm slap geouwehoerd, flauwe grappen en vieze moppen, gewoon pure verveling. Om vijf uur eindelijk weg, dan stroomde de inkt uit het hoge donkere gebouw.
Op een dag, toen ze nog maar kort op kantoor werkte stond oom Kees haar op te wachten. Ze was verrast en schrok ook een beetje. “Dag Frida, ik moest hier in de buurt zijn. Hoe gaat het met je?” Met mij wel goed, met u en tante Coby ook?” “Gelukkig wel, kind, tante Coby vraagt wanneer je weer een keer op bezoek komt”. “Ja, dat zal ik binnenkort doen”, zegt Frida. Ze woonden niet ver van haar werk af. “Kom nu even met me mee om me te vertellen hoe het met je is”, vroeg oom. Frida stapte bij hem in de auto en hij nam haar mee uit eten, dat was best een feestje voor Frida, ze had veel te vertellen en oom Kees gaf haar aandacht en het gevoel dat ze wat waard was. “Als hij maar niet weer begint”, denkt ze. “Ik wil graag de trein van acht uur halen, anders weten m’n ouders niet waar ik blijf”. Gelukkig toonde oom Kees alle begrip en bracht haar naar de trein. Toen ze uit de auto wilde stappen, stal hij toch snel een kus op haar wang.
Op kantoor was er verhuisdag, de afdeling ging naar een ander gedeelte in het gebouw. Het werd een gezellige dag, met veel grappen en gekkigheid, er werd veel gelachen. Vooral de heer Kamerbank was zo’n humoristische man, vol droge zelfspot maar altijd netjes. Hij was Vrijgemaakt Gereformeerd en Frida had hem die dag wat beter leren kennen. Toen ze in de trein naar huis zat moest ze af en toe hardop lachen als ze dacht aan de grappen van Kamerbank. In de andere coupé schuin tegenover haar zat een Surinamer van in de twintig. Hij zag Frida plezier hebben en vroeg waarom ze zo moest lachen. “Ik heb vandaag zo’n leuke dag gehad en zoveel gelachen. We hadden geen gewone werkdag op kantoor omdat de afdeling naar een ander verdieping ging. Iedereen was vrolijk en maakte grappen”, vertelde Frida, “en daarom schiet ik af en toe in de lach”. “Mag ik tegenover je komen zitten?” vroeg John, want zo stelde hij zich voor. Ze kregen een prettig en geanimeerd gesprek, echt leuk. Halverwege de treinreis moest John uitstappen. “Zien we elkaar nog eens?” vroeg hij. “Morgen, zelfde tijd, zelfde trein?” Frida knikt, dan zwaaien ze elkaar uit. Frida was wel onder de indruk van die knappe lange mooie man. Ze zag uit naar hun volgende ontmoeting, morgen al.
John ging echt moeite voor haar doen, ze zagen elkaar vaker, werden verliefd. Frida liet nu niet met zich vrijen en dat respecteerde hij. Ze merkte wel vaker bij zichzelf dat, als ze echt wat in iemand zag, ze niet benaderbaar was, terwijl ze met jongens die ze in wezen niet interessant vond zich liet gaan, er een spel van maakte. Dan dacht ze de situatie onder controle te hebben, maar als het contact serieus werd, was ze vreselijk onzeker en onbenaderbaar.
John nodigde haar bij hem thuis uit, ze speelden een spelletje schaak. Er waren meer mensen in dat huis, familie en een kind. Toch wist ze niet goed wat ze aan hem had en hoe zijn leven er werkelijk uitzag. Ze hadden wel een keer gezoend, dat vond hij heerlijk, wond hem erg op, maar Frida liet nooit iets van haar gevoelens blijken. Daar schaamde ze zich voor. Volgens Frida klopte er iets niet, was hij toch niet helemaal eerlijk, later bleek dat hij getrouwd was en al een kind had.
********************
Oom Kees kwam steeds vaker naar haar toe, hij wachtte haar dan onderweg op als ze van kantoor naar de trein liep. Soms nam ze een andere weg maar dan stond hij op het perron. Ze schaamde zich voor de mensen, durfde geen ophef maken en ging dan maar mee. Oom Kees deed net of hij haar een plezier deed, hij zag toch hoe ze hem trachtte te ontlopen? Hem echt afwijzen was zo moeilijk, dan deed ze hem pijn.
Elke keer ging hij wat verder met zijn handtastelijkheden. “Nee kind, ik heb geen slechte bedoelingen, ik wil het jou juist alleen maar naar de zin maken. We gaan samen uit eten en je mag nemen wat je wil”. Bij de balie van het Motel schrijft Oom Kees zich in. Ze hoorde oom Kees zeggen dat zij zijn secretaresse was. Opeens schaamde ze zich dood. Die mannen achter de balie dachten zeker dat zij een slet was en met een oude man meeging.
“Waarom reserveert u een kamer, we gaan toch eten?” “Natuurlijk, maar dan hebben we nog wat tijd samen om na te praten”. Aan tafel vleide hij haar om haar uiterlijk. Frida vond dat wel fijn om te horen, hoewel ze wist waar oom Kees op uit was. Tijdens de maaltijd merkte Frida dat hij haar, min of meer kwijlend boven z’n bord, met z’n ogen opat.
Frida voelde zich op een vreemde manier superieur, ze had oom Kees in haar macht hoewel ze besefte waar hij op uit was, dat was gewoon erg verkeerd. “Nee oom Kees, ik ga niet mee naar die motelkamer, het wordt veel te laat” Ze was trots op zichzelf dat ze dat geweigerd had. Wel zonde van z’n geld.
In de auto begon hij haar te betasten, te zoenen en uit te kleden om haar te zien en te voelen. Het was niet langer leuk en ze voelde zich niet meer superieur. Ze moest bijna huilen en smeekte oom Kees op te houden. “Natuurlijk liefje, ik zal jou nooit geen kwaad doen, daarvoor hou ik toch veel te veel van je, ik zal ermee stoppen”.
De afspraak voor een bezoek aan tante Coby was gemaakt. Frida voelde zich heel vies en slecht. Hoe moest dit nu verder gaan, dacht ze, waarom gebeurde dit? Waarom kan ik niet ronduit ‘nee’ zeggen? Omdat hij me dan niet meer aardig vindt? Had ik maar een vaste lieve vriend die echt van me houdt en ik van hem, maar wie zou mij willen? Leuke serieuze jongens ben ik niet waard en die waarmee ik flirt wil ik niet, daar kan ik niet mee thuiskomen. Die zijn niet serieus, willen alleen maar vrijen. Daar kijk ik in m’n hart op neer.
Op een avond na haar werk liep Frida een restaurant binnen voor een kopje koffie. Vlakbij haar tafeltje zat een meisje, ze groetten elkaar en toen kwam Anuska, zo stelde ze zich voor, bij haar zitten en begon een praatje.
Er ontspon zich een lang gesprek waarin Anuska over haar moeilijkheden vertelde.
Frida was onder de indruk van haar vlotte verschijning, het gemak waarmee ze praatte, alsof ze elkaar al heel lang kenden. “Weet je, ik zoek werk, want ik heb twee kindjes om voor te zorgen”. “Wat, heb jij al twee kinderen? Je bent nog zo jong!” riep Frida verbaasd uit. “Ja, ik was nog geen twintig toen ik de eerste kreeg en een jaar later de tweede”. “Ben je niet getrouwd?” “De vader en ik zijn aan het scheiden, de twee kinderen zitten in een kindertehuis”. Anuska zocht werk in een verpleeghuis, mede omdat ze daar mogelijk intern kon wonen. Ze wilde ook wel nachtdiensten doen. “Voordat ik op kantoor werkte heb ik in de verpleging gewerkt”, vertelde Frida “Ik heb nog uniformen uit die tijd”
“Geweldig, misschien mag ik ze van je overnemen?” vroeg Anuska. “Ik denk wel dat ze je passen, dan moet je meegaan naar mijn huis”. “Wil je nog koffie?” bood Anuska aan. Frida was helemaal in de ban van deze leuke vrouw, een meisje eigenlijk nog, maar wel ouder dan zij.
Anuska zou de volgende week met Frida meegaan naar huis. Frida had medelijden met haar om de moeilijke situatie waarin ze verkeerde. “Ik betaal de koffie, hoor”. “Dank je wel, dat is aardig van je, ik heb dan misschien net genoeg voor de bus”, zegt Anuska terwijl ze haar geld gaat tellen. “Nee, toch niet, ik kom tekort” ,hulpeloos keek ze Frida aan. “Zou ik alsjeblieft tien gulden mogen lenen?” “Natuurlijk krijg je die zo snel mogelijk terug”.
Frida was bijna blij dat ze haar kon helpen.
Anuska was midden twintig, zag er apart uit en was zo hartelijk, zo aardig tegen haar. Misschien heb ik wel een leuke vriendin aan haar, dacht Frida.
Toen Anuska met haar meeging naar huis om de uniformen over te nemen, vonden moeder, Suze en Rita haar een bijzondere vrouw. Anuska maakte hen bijna verlegen door haar openhartigheid, haar vlotte manier van contact leggen, ze praatte honderduit. Er was gelijk een gezellige sfeer in huis. De uniformen pasten haar goed en ze nam ze over voor dertig gulden. Het geld had ze nog niet want ze begon nog maar net aan haar nieuwe baan. Eind van de maand zou Frida veertig gulden krijgen.
********************
In de weekends gingen Lena en Frida vaak samen uit, naar de stad om te winkelen of een terrasje te pakken, naar een tentoonstelling of bioscoop. Frida vroeg Lena mee te gaan naar tante Coby en oom Henk waar ze aan afspraak mee had gemaakt die ze nog niet nagekomen was. Frida zag er tegenop, schaamde zich tegenover tante Coby.
Het werd wel een goed bezoek, maar Lena en Frida moesten af en toe hun lachen inhouden, niet omdat ze oom en tante uitlachten maar omdat er altijd wel iets was wat hun aandacht trok en hen aan het lachen maakte. Een kleine vinger- hand- of oogbeweging, het aannemen van een bepaalde uitdrukking was al voldoende om elkaar te begrijpen en in de lach te schieten. Omstanders snapten dan niet wat er gaande was. Dat gebeurde wel een paar keer maar ze wisten zich te beheersen en voerden een serieus gesprek. Tante Coby over haar Heer en oom over het project waar ze samen met andere wedergeboren christenen aan werkten. Het plan was een evangelisch christelijke televisieomroep op te richten, daar was veel geld voor nodig. Er volgden vele voorbeelden van hoe de Heer te werkt ging: spontane genezingen, spreken in tongen, bekeringen, bij mensen in hun gemeente viel er op het juiste moment een brief met veel geld in de brievenbus! De Heer had oom Kees van de sigaren afgeholpen. Zo waren er meer verhalen en dat werkte op de lachspieren van Lena en Frida. Lena moest überhaupt niet veel hebben van dat halléluja-gedoe.
Oom Kees deed gelukkig niet plakkerig maar Frida vertrouwde het niet helemaal, ze zag dat Lena ook haar twijfels had over hoe oom Kees naar haar keek. Toen ze afscheid hadden genomen en buiten stonden zei Lena: “Die oom Kees vind ik wel een beetje vreemd, hij slooft zich zo uit, wil hij wat van je?” Frida had zich hier al op voorbereid: “Nee joh, zo doet hij altijd, ik moet ook niet zoveel van hem hebben, hij is inderdaad een uitslover”. “Volgens mij is hij gek op je”, zei Lena. “Hoe kom je erbij, zo is hij echt niet, dat zou ik toch niet willen?”
Frida moest hem wel verdedigen omwille van haarzelf omdat ze zich zo schaamde, stel je voor dat Lena het te weten kwam. Ze zou het niet begrijpen, Frida zou Lena niet meer onder ogen durven komen. Nee, ze sprak met niemand over die slechte kant, daarover schaamde ze zich te erg. Ze moest gewoon veranderen en beter worden.
Frida voelde zich in de war, onzeker, het leek of ze een dubbel leven leidde, een keurig leven met haar familie en vrienden en een verborgen leven waarmee ze wilde afrekenen maar dat lukte haar niet. Ze begreep niet waarom ze zo weerloos was, zo zwak, ze haatte zichzelf. Ze was juist zo blij geworden door toedoen oom Kees en tante Coby, hoe kon oom Kees dit nu doen? Hij reserveerde nu bijna altijd een kamer voor na het diner. Ze ontkwam er niet aan.
Daar moest ze gauw een punt achter zetten want ze ging met Pasen belijdenis doen. Dat durfde ze ook echt aan nu dat allerbeste haar was overkomen, dat God haar van die allerergste angst verlost had. Ze was er nu zeker van dat God haar nooit voor eeuwig zou verwerpen. Een goed leven wilde ze leiden, zuiver en eerlijk.
‘Hoe komt het toch, dacht Frida, dat ik zo bang ben voor het leven, dat ik daar zo tegenop zie. Ik kan praten als brugman, men zegt dat ik intelligent ben, maar zodra iemand ook maar de geringste persoonlijke aanmerking maakt, ga ik onderuit. Dan ga ik fouten opbiechten om dergelijke aanvallen te ontwapenen. Ik begrijp niet hoe anderen op zichzelf durven te vertrouwen. Volgens mij kun je alleen op God vertrouwen, niet op mensen en ook niet op jezelf. Dat ervaar ik toch? Waarom krijg ik geen vriend die echt van me houdt en waar ik veilig bij kan zijn?’
Moeder vond het vreselijk belangrijk dat al haar kinderen belijdenis deden. Ze verplichtte het bijna. Wanneer je géén belijdenis zou willen doen ging ze tekeer, dan zou het slecht met je aflopen. Alsof belijdenis doen zaligmakend was en iets wat je kon afdwingen, ze zou het bijzonder moeten vinden. Frida had veel moeite met haar moeder, ze had vaak een hekel aan haar, aan hoe ze deed. Ondanks haar afkeer van moeder wilde ze altijd weer haar goedkeuring maar ’t was nooit goed genoeg. Het zou haar een worst moeten wezen wat moeder van haar vond, vooral nu zij en vader haar openhartige lieve brief hadden weggemoffeld en er geen woord over zeiden. Dat deed echt pijn, zo’n pijn, maar ze was het gewend, ze was hard voor zichzelf en mepte ook makkelijk om haar heen. Vooral thuis. Op haar werk en bij haar vriendinnen was ze heel anders, voelde Frida zich dan ook anders.
Het werd een mooie belijdeniszondag, Lena en Eva waren er ook. Frida zag er mooi uit en had een breed gerande zwarte hoed op, ze hield van hoeden, het stond ‘af’, tegelijkertijd viel ze wel weer op. Ze deed met overtuiging belijdenis omdat ze zich echt een kind van God wist en daarnaar wilde leven. In haar hart echter voelde ze onrust en angst, dat had te maken met haar verborgen leven, met verkeerde contacten, haar verlangen naar seks en liefde.
Tante Coby en oom Kees waren ook in de kerk en kwamen op de koffie. Ze gaven Frida een boekje van Jan van Gijs: ‘Op zoek naar waarachtig geluk’. Voorin stond geschreven: “Wij hopen en geloven dat jij, Frida, het waarachtig geluk zult vinden!’ ondertekend door oom Kees en tante Coby.
Vader en moeder gaven een bijbeltje. Frida hoopte dat er voorin iets zou staan, een tekst of een wens, nee, alleen de prijs stond daarin, met potlood. Tante speelde en zong liederen op de piano, ze vroeg Kees de tweede stem te zingen bij het volgende lied: Eens breekt in mij het zilveren koord., dan wordt mijn aardse zang verstoord maar op volmaakter schoner wijs, klinkt dan mijn lied in het paradijs…. Dat klonk prachtig, Frida voelde een diep verlangen, een soort heimwee dat ze niet onder woorden kon brengen. Ze verlangde naar het paradijs waarover ze zongen, de tranen brandden achter haar oogleden. Ze begreep niet dat oom Kees dit kon zingen met zoveel overgave. Vorige week was hij nog bij haar gekomen. Toen had ze hem duidelijk gezegd dat ze wilde hij stopte, dat ze nooit meer wilde vrijen met hem, dat het afgelopen moest zijn. Toen begon hij te huilen en heel erg zielig te doen: “Je maakt me doodongelukkig, weet je dat wel?” Hij was er kapot van, kon niet zonder haar: “Ik heb je echt nodig, je doet niet verkeerd maar juist goed om bij mij te zijn”. Ze wilde oom Kees niet ongelukkig maken, ze kon er niet tegen op.
********************
In de stad ontmoette ze Anuska, ze gingen naar een cafeetje waar Anuska bekend was. Het was Frida niet duidelijk of ze nu wel of niet in de verpleging werkte. Het geld had ze nog niet bij elkaar, nog even geduld want ze begon volgende maand pas met haar nieuwe baan. De mannen in de bar kenden haar allemaal en keken nieuwsgierig naar Frida. Anuska was anders dan Frida’s vriendinnen, aan haar kon Frida wel vertellen over oom Kees.
“Weet je, Anuska, ik heb een oom die me geregeld uit eten vraagt en met me wil vrijen en dat wil ik niet”. “Hoe oud is die oom?’, vraagt Anuska. “Hij zou m’n opa kunnen zijn, ik schaam me dood, niemand weet hiervan”. “Is hij rijk, geeft hij geld?” “Ja, hij heeft veel geld, maar dat speelt geen rol, ik wil het niet, maar hij gaat gewoon door”. “Dit had ik echt niet van jou gedacht”, zei Anuska, “maar voor mij ben je er niet minder om hoor”. “Jij bent de eerste aan wie ik dit vertel, ik walg ervan”. Anuska lachte een beetje: “Joh, zo erg is dat niet, ik zou het wel weten”.
Ze dronken koffie en praatten lang door. Frida was opgelucht om er eens over te praten. Toen zei Anuska: “Nou Frida, ik zou wel zo’n vriend kunnen gebruiken, daar heb ik geen moeite mee”. Frida begreep dat Anuska dan in ruil voor geld met hem naar bed zou gaan. Oom Kees wilde haar ook vaak cadeautjes geven, dus daarmee liet hij zien dat hij er wel wat voor over had. Alleen had Frida moeite met die cadeaus, net als met de hele affaire.
Opeens kreeg ze een idee, ze had een oplossing voor oom Kees en ook voor haarzelf. “Zeg, meen je dat Anuska, wil jij echt wel zo’n verhouding?” “Als hij een beetje aardig is, weet ik daar wel raad mee“.
“Dan ga ik oom Kees voorstellen of hij mij met rust kan laten voor jou”. Frida is echt blij met deze naar haar idee fantastische oplossing.
Toen oom Kees haar weer mee uit eten vroeg, ging Frida bijna blij mee. Nu had ze een mooi voorstel om oom Kees te helpen en ook haarzelf. De maaltijd werd daardoor extra geanimeerd. Frida vertelde over Anuska, hoe leuk en aardig ze was, hoe goed ze eruit zag. “Mag ik Anuska eens aan u voorstellen als u in de stad bent om met ons drieen wat te gaan drinken?” Oom Kees wilde wel kennismaken met Anuska en Frida liet doorschemeren dat hij het met Anuska veel leuker zou hebben dan met haar.
Toen ze aan het dessert toe waren, schoof Frida haar bord opzij en zag een briefje van tien gulden liggen. O vreselijk, ze schrok en schaamde zich dood. “Wat heeft dit te betekenen? Waarom doet u dit? Ik ben toch geen…”, ze durfde dat woord niet uit te spreken. “Lieve schat, je maakt een verkeerde interpretatie, het is niet wat je denkt, ik wil alleen maar mijn dankbaarheid tonen, zo doen we iets voor elkaar”. “Maar ik wil deze toestand helemaal niet, ik wil die zogenaamde cadeautjes ook niet meer. Anuska wil dat wel en laat mij dan los”.
De week daarop zou ze Anuska ontmoeten en oom Kees zou ook komen. Anuska zat al te wachten in het restaurant toen Frida met oom Kees binnenkwam. Anuska had moeite gedaan zich mooi te maken en zag er aantrekkelijk uit. Oom Kees bestelde koffie en vroeg of ze er gebak bij wilden. Er werden wat oppervlakkigheden uitgewisseld. “Waar werk je, Anuska?” vroeg oom Kees. “Ik werk in het verpleeghuis Sint Jozef als nachthoofd”, loog Anuska. “Om elf uur vanavond moet ik weer beginnen tot zeven uur in de ochtend. Daarna ga ik slapen tot ongeveer twee uur ’s middags”. Frida merkte dat Anuska met haar verhaal, dat niet waar was, al aangaf welke tijden ze vrij was om uit te gaan.
Op dat moment durfde Frida niet openlijk haar voorstel aan oom Kees te doen, ze kon hem toch niet voor het blok zetten? Straks zou ze hem vragen hoe hij over Anuska dacht. Het gesprek vlotte niet langer en ze namen afscheid van Anuska.
In de auto vroeg Frida: “En oom Kees, hoe vond u haar?” “Niet mijn type, Frida”, zei oom Kees, “ze is mij te brutaal, te vrijpostig”. “Maar zij wil wel graag met u uitgaan en ook vrijen, ik wil dat niet, oom Kees”.
“Je haalt de zaken door elkaar Frida, ik hou nu eenmaal van jou en niet van Anuska”. “Ja maar u zei dat u niet zonder seks kon, Anuska kan u seks geven”. “Jij vind seks ook wel fijn, liefje”, je doet maar net alsof je niet wil”. Frida werd boos: “Dat zegt u nu altijd, maar ik vind het niet fijn, het is raar en naar en helemaal verkeerd, ik voel me slecht en schaam me”. “Wat jij doet is goed, Frida, jij toont begrip voor mijn probleem en ik begrijp jou, bij mij ben je veiliger dan bij die zogenaamde vriendjes van je”. “Maar oom Kees, dit is niet normaal, u bent toch een christen?” “Wat til jij toch zwaar aan het leven Frida, overal maak jij een probleem van”. “God staat hier buiten, jij moet eens leren genieten”. Frida zuchtte, ze had zo gedacht een oplossing te hebben gevonden. Ze zou oom Kees zoveel ze kon ontlopen.
********************
Op kantoor zat ze tegenover meneer Kamerbank en ze had vreselijk veel lol en plezier om zijn droge opmerkingen, hij had ook veel plezier met haar, ze konden het samen goed vinden. Ook serieuze gesprekken kwamen aan bod, hij was Vrijgemaakt- en zij synodaal Gereformeerd. Ze liet zich uitleggen wat nu precies het geschil was waardoor die breuk was ontstaan in de oorlog. Hij wist het precies, het ging erover of de doop de mens reeds verzekerde van Gods heil. De synodalen zeiden in principe van wel, dat je de wedergeboorte mocht veronderstellen, maar de vrijgemaakten zeiden dat je Gods kind mocht zijn en geroepen werd als zijn kind te leven. Toen ze daar goed over nadacht vond ze eigenlijk dat de Vrijgemaakten gelijk hadden. Er speelden in die tijd echter meerdere problemen op kerkelijk gebied, ook van persoonlijke aard. Professor Schilder leek de zaak op de spits te hebben gedreven, maar dat zeiden de synodalen.
Heer Kamerbank was altijd correct, nooit vulgair, dat waardeerde ze, soms was hij een beetje dubbelzinnig maar dat was Frida zelf ook, dat kon leuk zijn. Spelen met woorden en daar dan op doorborduren, daar waren ze beiden goed in. De meeste collega’s waren ondubbelzinnig plat en vaak echt vulgair, dat stond haar erg tegen.
Vanmorgen kwam ze wat later op haar werk vanwege de tandarts, toen ze binnenkwam moest ze al gelijk lachen om Kamerbank die een geinige opmerking over haar haar dat ze voor de verandering in twee vlechtjes had gedaan. Op hetzelfde moment zag Frida een nieuwe collega zitten die geamuseerd naar haar keek. Hij stelde zich voor als Leendert, ze keken elkaar aan en de vonk sprong over.
Er volgde een spannende periode met veel plezier om de woordgrappen die gemaakt werden want Leendert kon er ook wat van. Hij was aardig voor Frida, die zich liefst achter haar kwinkslagen verschool. Frida werd stapelverliefd op Leendert en ze merkte dat het wederzijds was. Hij kwam net uit dienst, zag er knap en goed uit. Frida hoorde hem bij wijze van grap zacht zingen, toen ze hem koffie aanreikte: “mijn allerliefste vrouw reikt mij de koffie aan”.
Ze wist niet hoe ze het had, hier kon ze niet mee omgaan. Hij mocht niet weten wie ze werkelijk was, ze kon dus geen relatie aangaan, maar ze was echt vreselijk verliefd, nooit eerder had ze dit gevoeld.
De andere meisjes op kantoor die ook wel van Leendert gecharmeerd waren, sloofden zich voor hem uit. Toen ze merkten dat Leendert Frida leuk vond werden ze jaloers. Op een keer vroeg Leendert aan Frida of ze met hem wilde oplopen in de pauze tussen de middag. “Ja, dat is goed”, zei Frida geschrokken en dacht: wat moet ik dan zeggen? Hij denkt dat ik leuk ben zoals we op kantoor met elkaar zijn, maar hij weet de waarheid niet, ik ben niet zoals hij denkt en hoe het wel is kan ik nooit zeggen, dat mag hij niet weten. Toen ze buiten liepen waren ze echter niet alleen want een groot deel van de afdeling liep met hen mee. Enerzijds een opluchting omdat er geen vertrouwelijkheid tussen hen mogelijk was, anderzijds een opgelaten situatie, ze wisten niet wat ze tegen elkaar moesten zeggen. Frida had het gevoel dat de collega’s expres zo dicht in de buurt van hun tweeën meeliepen omdat ze niet wilden dat Leendert wat met Frida zou krijgen. Leendert was leuk, Frida was anders.
Op kantoor konden Leendert en Frida erg leuk met elkaar opschieten, allebei goed van de tongriem, veel praten en lachen. Allebei waren ze dan zo ad rem. Zodra Frida zich voorstelde dat ze alleen met Leendert zou zijn vloog de angst haar naar de keel. Hij zou er dan zeker achterkomen dat ze niet was zoals hij dacht dat ze was.
Als oom Kees er maar niet was, want dat zou Leendert walgelijk vinden, ze voelde zich te slecht en moest wel afstand houden. Leendert ondervond dat Frida moeilijk te benaderen was. Keer op keer vluchtte Frida voor mogelijke intimiteit, zijn pogingen pareerde ze met grappen. Haar verliefdheid nam echter toe, haar gedachten waren constant bij Leendert, dag en nacht. Frida verloor zich in dromerijen: wat zou het mooi zijn om een echte liefde te beleven met Leendert, om zijn vriendin te zijn, om samen plannen te maken voor de toekomst. Om te zijn zoals hij haar ziet, samen gelukkig te zijn, veilig bij elkaar en geliefd.
O ze wilde niets liever dan bij Leendert te zijn, door hem gekust worden moest een zaligheid zijn, ze droomde erover, kon er niet van slapen en eten, werd er letterlijk ziek van. Ze voelde dat hij haar wilde, maar het kon echt niets worden want voor zover ze wist geloofde hij niet en ze wilde toch echt een gelovige man hebben, dat moest ook van moeder. Hier kon ze niet mee thuiskomen, maar hij was zo leuk! Hier had ze het razend moeilijk mee maar ze wist toch haar gevoelens te verbergen. Dan kon ook niemand haar kwetsen. De verliefdheid nam niet af, integendeel, nooit meer zou ze ooit nog zo verliefd worden. Ze pasten bij elkaar maar Frida voelde zich niet goed genoeg voor zo’n geweldig lieve aardige normale jongen. Ze kon hem nooit gelukkig maken. Waarom ben ik niet gewoon en goed, zoals mijn familie, zoals Eva en Lena? , dacht Frida.
********************
Een paar weken later liep Frida het kantoorgebouw uit en wie stond daar pontificaal vlak voor de uitgang met z’n dikke Mercedes? Ja, oom Kees en ze schaamde zich rot, iedereen kon het zien. De mensen moesten om zijn auto heen lopen. Ze wilde doen of ze hem niet zag maar toen begon hij te zwaaien en zelfs te toeteren! Snel stapte ze in en reden ze weg, het leek wel of oom Kees haar bewaakte en haar gangen naging. O, als Leendert nu maar niets gezien had.
Frida had zo haar best gedaan oom Kees te ontlopen maar het mocht niet baten. Nu ging hij dus nog opzichtiger te werk. Hij reed naar een motel, reserveerde een tafel en een kamer, ze moesten hun namen invullen en oom Kees zei weer dat Frida zijn secretaresse was.
Ze wilde dat ze zich onzichtbaar kon maken voor alle mensen om haar heen, die dachten natuurlijk dat ze een slet was en keken op haar neer. Frida schaamde zich vreselijk, ze wilde een goed normaal meisje zijn, niet dit. Het eten smaakte haar niet met die hondenogen en hebberige mond van oom Kees op haar gericht. Daarna het hele ritueel in de motelkamer, ze walgde van die dikke bolle buik van oom Kees met dat kleine slurfje eronder, hij kreeg hem niet eens overeind maar toch was hij altijd geil. Ze bleef heel lang onder de douche staan, toch kreeg hij het voor elkaar om te doen wat hij wilde doen. Zag hij dan niet hoe vreselijk ze het vond, hoe ze tegenwerkte? Ach, hij zag haar helemaal niet, hij zag alleen haar mooie lijf, alleen dat was van belang, Frida zelf deed er toch niet toe? Als ze er wel toe deed, zou ze hem toch van zich af slaan?
En ja, de volgende dag op kantoor kreeg ze een opmerking van Leendert: “Wat werd jij luxe afgehaald, met een dure Mercedes nog wel”. “Wat denk je wel, dat is mijn oom”. “Je oom? Het leek eerder je opa, hij was zeker de weg kwijt?” “Dan geloof je me maar niet, het is echt m’n oom.” Frida hoopte dat ze Leendert kon overtuigen maar voelde dat het een verloren zaak was. “Ja ja, je oom, dat zal wel”.
Ze wist nu zeker dat het helemaal niets meer werd met Leendert. Dat hele fijne en leuke dat ze samen hadden in de omgang op kantoor, ging over. Frida voelde zich zo minderwaardig en door de mand gevallen dat ze al haar assertiviteit verloor. Ze ging zich steeds meer indekken en hij ook. Ze raakten elkaar kwijt, maar in haar hart was ze nog altijd erg verliefd op hem, dat ging niet over, het deed haar zo’n pijn, zo vreselijke pijn.
Op een avond dat Frida met Anuska uit was, zag ze dat Anuska steeds oogcontact maakte met mannen. Frida had het gevoel of ze er voor spek en bonen bij zat en geneerde zich voor Anuska die haar niet scheen te horen: “Zeg Anuska, ken je die man, heb je een afspraak met iemand?” “Nee joh, maar ik heb geen slaapplaats voor vannacht”. Dan, vrij plotseling, ging ze er vandoor met een man. Zo deed Anuska dat dus als ze geen slaapplaats had.
Vorige week hadden ze nog samen gewinkeld. Anuska stal de kleren die ze kocht door met twee of drie artikelen in een pashokje te gaan, die aan te trekken onder haar eigen kleren en vervolgens betaalde ze het goedkoopste artikel.
Frida’s hart bonkte in haar keel: “Hoe durf je dat?” “Ach, het is zo makkelijk, echt niets aan”, lachte Anuska.
Het geld dat Anuska haar nog schuldig was, kreeg ze niet terug en Anuska probeerde geregeld weer geld te lenen. Daar ging Frida niet meer op in maar ze betaalde wel altijd de consumpties die ze samen gebruikten. “Wat aardig van je, Frida, de volgende keer betaal ik”, maar die volgende keer kwam nooit. Nee, Frida vertrouwde Anuska niet langer, ze was niet eerlijk. Frida was wel eerlijk, eigenlijk te eerlijk, ze meende altijd haar fouten op te moeten biechten aan anderen, aan iedereen alsof die toch wel door haar heen keken.
Frida moest wachten op de trein die haar naar huis zou brengen. In de stationsrestauratie zat een man tegenover haar die haar zakdoekje oppakte toen dat bij het betalen van de koffie uit Frida’s tas viel. Hij gaf dat heel galant terug en maakte een praatje. Hij kwam van Curacao, Frida moest aan John denken die ze niet meer zag. Die donkere mannen hebben wel iets aantrekkelijks, dacht Frida, ze zijn veel hoffelijker dan die stijve Hollanders. Ze wist wel dat er veel vleierij bij kwam maar toch hoorde ze dat graag en gleed ze makkelijk mee in dat spel.
En zo kwam Frida in aanraking met een hele groep Antillianen, ze werd het meisje van Louis, de leider en ongemerkt moest ze zich aan de regels van de groep houden. Toen John hoorde dat Frida nu het meisje van Louis was, zocht hij weer contact met haar, hij had haar gerespecteerd om wie ze was maar nu ze zich verslingerde aan Louis wilde hij ook het zijne hebben. Frida voelde dat ze gevaar liep bij deze Antilliaanse mannen.
Ze ‘sliep’ nu steeds vaker bij Ank, haar kantoorvriendin, vader en moeder geloofden haar.
********************
‘Hoe komt het toch, dacht Frida, dat ik me zo weerloos voel, zo naakt. Het is of alle andere mensen gekleed gaan en ik weet me niet te kleden. Rare kleren trek ik aan, speel toneel, maak zelfs indruk, maak mezelf wijs dat ik alles onder controle heb, echter men hoeft slechts naar me te wijzen of ik voel me door de mand vallen. Dan kleden ze me uit, letterlijk en figuurlijk.’
Frida voelde zich rot, ook door de spanning tussen Leendert en haar, ze kon er niet meer tegen. Ze een afspraak met de maatschappelijk werkster van het bedrijf om eens vertrouwelijk te kunnen praten over haar gevoelens, dat ze niet wist hoe ze verder moest. Het werk zinde haar ook niet. Misschien kon zo’n iemand haar de weg wijzen?
De vrouw die haar ontving was hartelijk en belangstellend: “Vertel me eens wat je deed besluiten naar me toe te komen?” “Ik voel me niet prettig bij het werk dat ik doe”, begint Frida voorzichtig, “het is zo dodelijk saai en de dag komt bijna niet om zonder slap gepraat en vervelende grapjes.” Frida vertelde hoe het toe ging op de afdeling. Maar niet dat ze zo vreselijk verliefd was. “Wat zou je veranderd willen zien? “Wist ik dat maar, ik weet dat juist niet, maar ik voel me naar, daarom zit ik nu hier”. ”Kun je wat meer over jezelf vertellen, woon je alleen?” “Nee, ik woon bij m’n ouders”. “Kan je bij hen terecht met je problemen?” vroeg de maatschappelijk werkster. “Mijn verhouding met mijn moeder is niet zo goed, we hebben veel onenigheid, m’n vader is wel een heel goede man maar ik heb weinig contact met hem.
Opeens overwon Frida haar ongemakkelijkheid omdat ze niet wist wat ze nu eigenlijk moest zeggen. Over moeder kon ze veel vertellen, over vroeger en haar angsten, dat moeder niet van haar hield. Frida voelde zich schuldig dat ze zo over haar ouders sprak, dat hoorde niet, mocht niet. In gedachten zei ze: “Kijk naar jezelf Frida”. Daarom bond ze wat in en zei: “Maar het is ook mijn schuld, ik doe ook lelijk tegen m’n moeder”. Over haar mooie brief aan vader en moeder vertelde Frida wel en dacht: ‘raar dat ik dat zo erg vind, er is toch eigenlijk niets gebeurd?
Frida vertelde veel, maar niet over oom Kees en haar contacten met de Antillianen. Ze schaamde zich daarover te diep, ze liet in vage bewoordingen wat los over haar zoektocht naar liefde.
Frida moest zich toch enigszins overeind houden. Ze kon praten als brugman en ze wilde dat de maatschappelijk werkster een goede indruk van haar kreeg, dat ze aan haar kant zou staan. Daarom kon ze niet laten zien hoe eenzaam en bang ze was, hoe verloren ze zich voelde.
De vrouw vroeg of Frida het goed vond dat ze eens met haar ouders ging praten? Ja dat vond Frida best want ze had de maatschappelijk werkster niets over oom Kees en de Antillianen vertelt.
Het gesprek had inderdaad plaats bij Frida thuis. In de salon met de schuifdeuren en gordijnen dicht, zonder Frida, alleen met vader en moeder. Frida was wel erg nieuwsgierig naar wat daar nu werd besproken maar haar ouders repten met geen woord over het bezoek. Het leek eerder of ze zich geneerden. De maatschappelijk werkster maakte Frida ook niet veel wijzer over dat gesprek, die zag niet dat daar een probleem lag. Mogelijk zag ze dat wel maar daar stond Frida niet voor open. Het moest aan haarzelf liggen. “Misschien is het goed om eens met de psycholoog te gaan praten”, stelde ze Frida voor.
De aandacht die Frida kreeg deed haar wel goed en ze wilde graag met de psycholoog van het bedrijf praten, misschien kon die haar wijzer maken over haarzelf.
Frida vertelde hem hoe ze de wereld zag, dat ze daar geen deel van scheen uit te maken. Ze praatte honderduit over haar gevoel van alleenzijn, haar angst voor de toekomst. De psycholoog luisterde geïnteresseerd naar haar relaas. Natuurlijk vertelde Frida niet over oom Kees en de Antillianen of van haar verliefdheid op Leendert. Stel je voor! Ze wilde laten zien hoe filosofisch en beschouwelijk zij de wereld om haar heen zag. Toen ze over het geloof begon, verslapte zijn interesse en nam hij zelf het woord. Tot dan toe had hij weinig teruggezegd. “Dit is voer voor psychologen, echter als ik je goed beluister weet je zelf heel goed wat je wilt, je moet gewoon van die kast afkomen, niet blijven kijken maar aanpakken”.
Daar moest ze het mee doen, enerzijds gevleid, anderzijds teleurgesteld. Hij had haar niet doorgeprikt, niet gezien en uit zichzelf wist ze niet hoe ze haar gevoelens kon tonen.
Het ging niet goed met Frida, ze was angstig, voelde zich slecht en vies. Straks was ze ook nog zwanger, hoewel ze er alles aan deed om dat te voorkomen, wilde ze dat eigenlijk niet eens maar ze flirtte graag en dan bleek dat die jongens alleen daarop uit waren. Ze wist niet hoe ze aan condooms kon komen, die werden niet in de drogisterijen verkocht. Eenmaal was ze met Anuska meegegaan, die kocht er veel tegelijk. Dat was op een louche adres waar de verkoper een doos tevoorschijn haalde met losse condooms. Frida schaamde zich dood in dat winkjeltje. De anticonceptiepil bestond wel maar was niet verkrijgbaar voor jonge meisjes en ongetrouwde vrouwen. Bovendien troggelden de Anillianen vaak geld van haar af, gisteren had ze haar laatste vijfentwintig gulden snel verstopt toen ze met de jongens in een café zat. Ze waren aan het kaarten, toepen met inzet van geld. Daarbij werd er drank gebruikt. Frida zag de bui al hangen. Het papiergeld had ze in haar schoen gestopt, toen er betaald moest worden vroeg Louis: “Frida, wil jij even voorschieten, we hebben niet genoeg bij ons.” “Ik heb ook niet genoeg”, zei Frida en ze pakte haar portemonnee om dat te bewijzen. Louis geloofde haar niet: “Heb je het soms verstopt, doe je schoenen eens uit.” Frida wilde weigeren, maar Louis stond erop dat ze haar schoenen uittrok. Toen het geld tevoorschijn kwam haalde hij het eruit en zei: “Kijk, dat moet je nu niet doen, hè, als je niet wilt voorschieten moet je dat gewoon zeggen, maar het verstoppen en dan zeggen dat je niets hebt, is niet eerlijk”. O ze wisten het zo mooi te brengen maar de realiteit was dat ze altijd haar geld kwijt raakte en nooit terugzag.
Anuska waarschuwde haar voor Louis: ”Jij hoort daar niet, pas goed op, ik ken ze en ze kunnen echt gevaarlijk zijn.” Frida wist dat eigenlijk wel doch meende dat zij in een bevoorrechte positie was als meisje van Louis. Ze werd constant bewaakt door Pedro die haar erg in de gaten hield. Pedro deed alles voor Louis en was opmerkelijk aardig voor Frida: “Weet je, jij hebt geluk, wij mogen jou allemaal erg graag omdat je eerlijk bent en we zien dat je echt van Louis houdt. Andere meisjes belazerden de boel, dan gingen we allemaal over haar heen”.
Eigenlijk vond Frida dat Pedro de sympathiekste was en verbaasde zich over het feit dat zij dachten dat zij van Louis zou houden. Ze was gewoon eenzaam, wilde niet naar huis gaan na kantoortijd. Daar kon ze het helemaal niet uithouden. Nu kreeg ze toch aandacht en speelde haar partijtje mee.
Overigens liep dat soms flink uit de hand. Toen een vreemde man eens met zijn vinger over de lange rits op de rug van Frida’s jurk gleed, ontstond er eerst een handgemeen met Pedro en die man, later volgde er een hele vechtpartij. De groep kon zo onvoorspelbaar reageren.
Het kwam ook voor dat ze gezamenlijk negrospirituals zongen. Mooi was dat.
********************
Anuska vertelde dat ze naar een huidarts ging omdat ze dacht dat ze gonorroe had opgelopen. Frida schrok zich rot, daar had ze nog nooit aan gedacht, misschien had zij dat ook wel. Het jeukte soms zo erg van onderen. “Welnee”, zei Anuska, “dat heb jij echt niet”. Frida werd heel bang en vroeg: “Waar woont die specialist?”
Frida maakte een afspraak met die arts, de wachtkamer was leeg toen ze daar zat, ze zag een vrouw in de gang lopen, een oudere dame. Ze wilde niet graag een jonge arts. Een vriendelijke oudere man ontving haar.
Aan zijn bureau vulde hij Frida’s gegevens in. In verband met haar naam vroeg hij: “Heb je iemand in de familie die schildert?” Frida meende te begrijpen dat hij haar opa kende en vertelde: “Ja, mijn opa schildert en doet ook stamboomonderzoek naar families”, ze voelde zich opeens wat beter, want nu wist de dokter wel dat ze uit een nette familie kwam. “Wat brengt je hierheen?” Frida kreeg een kleur en zei zacht: “Ik heb afscheiding en jeuk”.
“Ik zal je onderzoeken, kleed je maar uit”. Het verbaasde Frida dat ze zich helemaal uit moest kleden, voor onderzoek naar een geslachtsziekte is dat toch niet nodig? Maar ze wist het niet, kleedde zich uit op haar onderbroekje na. De arts zat in een makkelijke stoel bij een laag tafeltje en wees Frida de andere stoel. Ze voelde zich erg ongemakkelijk zo naakt in die grote stoel. In elkaar gedoken bleef ze op het puntje zitten.
De arts wilde eerst wat vragen stellen over haarzelf, haar leven. Omdat hij zo aardig en vertrouwenwekkend was vond Frida het fijn om met hem te praten. Hij had een beroepsgeheim, ze kon zich veilig voelen. Het verwarde haar wel dat ze geen kleren aan had, ze kreeg het zelfs koud.
Terwijl ze naakt voor hem zat, vertelde Frida ook over Anuska: “En nu ben ik bang dat ik misschien ook zoiets heb”. “Waarom denk je dat?” vroeg de arts. “Omdat ik wel eens verkeerde contacten heb gehad, ik wil dat niet maar toch gebeurde het”. De arts zei: “Het is beter niet met Anuska om te gaan, jij bent anders”.
Toen hij opstond gleed zijn hand even langs een van Frida’s borsten alsof het per ongeluk ging en vroeg haar op de onderzoektafel te gaan liggen. Vervolgens bevoelde hij haar hele lichaam op een onderzoekachtige manier en ging met zijn hand en ook met een spateltje bij haar naar binnen. Frida vroeg zich af of er meerdere verschijnselen van geslachtsziekten waren dan alleen van onderen. Waarom bevoelde hij haar anders zo uitgebreid?
Hij ging naar een kamertje ernaast en bleef een poosje weg. Frida voelde zich zo raar, zo naakt en koud op die bank. De arts kwam terug en ging verder met zijn onderzoek, betastte haar lichaam opnieuw en haar buik, ging weer bij haar naar binnen met z’n vingers en begon haar overal te strelen. Tot haar verbijstering probeerde hij haar klaar te maken. Frida verstijfde, lag daar als een plank, het zweet brak haar uit, wat moest ze doen?
Was dit normaal? Nee toch, maar hij stond erbij of het wel normaal was, wat wilde hij? Natuurlijk voelde ze geen opwinding, waarom ging hij zolang door? Frida blokkeerde helemaal en toen hield hij gelukkig op. Als een echte dokter zei hij dat ze zich mocht aankleden. Hij deed net of alles normaal was en besprak het honorarium, ze had geen gonorroe. Frida betaalde het consult en ze namen keurig afscheid van elkaar.
Hoe durfde hij geld te vragen? Veertig gulden was heel veel voor haar, hij had het vertrouwen zwaar geschonden. Frida voelde zich smerig en minderwaardig. Waarom wist ze niet hoe ze met zulke situaties om moest gaan?
In gedachten praatte Frida veel met God. ‘Help me toch, ik ben zo alleen, ik weet niet hoe ik moet leven, het gaat niet goed terwijl ik dacht dat alles goed zou komen toen U mij van mijn diepste angst verlost had. Daar ben en blijf ik U eeuwig dankbaar voor. Ja, diep in mijn hart voel ik daar altijd grote blijdschap over, maar hoe kan het dan nu zo verkeerd gaan? Ik wilde voor U leven, van U getuigen, voor U werken en nog wil ik dat. Ik praat zo graag over mijn geloof in U maar intussen is mijn leven een puinhoop, ik schaam me zo maar toch blijft U altijd en eeuwig mijn enige hoop en houvast. Ik weet nu dat, wat er ook gebeurt U mij vasthoudt. Die zekerheid is mijn grootste schat. U kent mij maar ik ken mijzelf niet. Ik voel mij nietswaardig. U ziet het aan mijn leven en toch heeft u mij verlost van die doodsangst voor de hel, mij gered maar het leven komt als een gevaar op me af. U staat aan de kant van de ongelukkigen, aan de kant van hoeren en tollenaars, maar ik wil geen hoer zijn, God, dat ben ik niet. Laat oom Kees stoppen en geef mij als ’t U blieft een lieve man die van me houdt. Ik ben zo bang’.
Hoe hield ze dit vol? Kon ze Lena maar vaker zien en bij haar hebben. Die had ander werk en was niet alle weekenden meer vrij. Met Eva was de laatste jaren veel minder contact, die had een vriendin waar ze bijna alles mee samen deed. Frida voelde zich niet welkom bij die vriendin. Die eiste Eva helemaal op, liet geen ruimte voor een ander. Haar vriendinnen durfde Frida niet in vertrouwen te nemen, die zouden hier niets van begrijpen, ze begreep het zelf niet eens.
Ze wist alleen dat ze zo eenzaam was en zo naar liefde verlangde, echte liefde. Voor haar gevoel verdiende ze dat niet, dan moest ze eerst veranderen. Seks was geen liefde, dat was eigenliefde en egoïsme.
Maar dan, op een avond, toen ze op weg was naar het station om de trein te halen, liepen er wat militairen achter haar op straat. Ze ging een cafetaria binnen, het groepje volgde haar, ze bestelde een patatje en één van de militairen maakte een leuke opmerking waar Frida gevat op reageerde. Zo begon het en hij stelde voor ergens anders nog een kopje koffie te drinken.
Ja, dit voelde goed, was echt leuk, ze maakten een nieuwe afspraak waar ze dan echt naar uitzag. Toch dacht ze nog met spijt aan Leendert, maar dat moest ze vergeten. Frida en Leendert deden hun best elkaar en zichzelf te overtuigen dat ze elkaar niet nodig hadden. Frida vertelde op kantoor dat ze met een jongen uitging die net zo heette als Leendert en Leendert liet Frida een foto zien waarop hij met een meisje danste. Was ik dat maar, dacht Frida desondanks.
Echter, toen ze Mark weer ontmoette voelde ze dat dit wel in orde was, hij werd echt verliefd op haar en ze vertrouwde hem, ze kreeg weer hoop en verlangen. Wie weet werd dit nu echt haar vriend. Hij was graficus, schilderde veel, hield ook van klassieke muziek, hun interesses raakten elkaar. Frida wilde nu weg uit deze stad, weg van die Antillianen, ze wilde niet dat Mark daarachter kwam. Ze wilde ook weg van Leendert, ze kon er niet meer tegen om hem steeds te zien. Bovendien vond ze haar werk vervelend, saai en nutteloos. De dagen duurden zo lang, zeker nu ze niet meer tegenover Kamerbank zat.
De baas van de afdeling wilde haar tegenover hem hebben, om haar in de gaten te houden. Maak nu maar grappen met mij, had hij gezegd.
********************
Ze wilde liever weer met mensen werken, in de verzorging of zoiets. Mark woonde in Amsterdam, ze wilde daar wel werk zoeken. De relatie met Mark ging geweldig, ze waren blij met elkaar. Zijn kussen deden haar ook wat, dat voelde zo heerlijk. Hij was zo ontwapenend en opgewekt.
Ze sprak met Mark af op een plaats waar oom Kees niet kwam en bleef uit de buurt van de Antillianen. Frida voelde zich verliefd en blij als ze met Mark door Utrecht wandelde met zijn arm om haar heen. Diep in haar hart dacht ze nog wel ‘was dit maar met Leendert zo gegaan’, maar die gedachten en de gevoelens daarbij bande ze uit.
Eens gebeurde het dat ze moesten oversteken en daar op groen licht stonden te wachten, dat oom Kees vlak voor het zebrapad stond in z’n auto. Frida schrok, ze zag oom Kees op zijn stuur slaan uit woede dat ze daar met Mark liep, toeterde zelfs maar dat viel niet zo op in de drukte. Mark had alleen aandacht voor haar en Frida ging daar op in, zodat hij niet naar die auto keek.
Misschien kon het serieus wat worden met Mark en daarom wilde ze hem thuis voorstellen, dan kon het een relatie worden waar ze houvast aan zou hebben. Met Mark kon ze aan een toekomst gaan bouwen. Zo zag ze dat, maar er was nog wel een probleempje, Mark was Katholiek, hij tilde er niet zwaar aan maar zijn ouders zouden wel graag willen dat hij Katholiek bleef, dacht Mark. “Voor mijn ouders is het geloof het belangrijkste, alleen gereformeerd komt erin” , zei Frida. “Misschien word ik dan toch maar gereformeerd, want ik geloof wel en zie niet zoveel verschil”, maar dat hoeven we nu nog niet te beslissen”, vond Mark. Ze hadden er samen goede gesprekken over. Voor Frida was het belangrijk dat Mark open stond voor gesprekken over het geloof, ze kon hem wel overtuigen, dacht ze.
Het was een mooie zomerzaterdag toen Mark zich kwam voorstellen aan haar ouders.
“Weten jullie dat Mark mij straks komt halen en dat hij graag met jullie kennis wil maken?”, vroeg Frida. Het leek wel of ze het niet gehoord hadden, ze gaven Frida niet het gevoel daar ook maar enige aandacht aan te willen besteden. Akelig naar voelde dat, voor Frida was het heel belangrijk. Toch wilde Frida niet laten merken hoe ze zich voelde en deed er wat laconiek over. Ze was bang voor moeders oordeel.
Omdat het mooi weer was zat de familie buiten aan de koffie toen er gebeld werd, Frida liep buitenom naar de voordeur en nam Mark, nadat ze in het portiek gezoend hadden, mee de tuin in. Er werden wat handen geschud, moeders gezicht betrok en Frida wist gelijk dat Mark haar niet beviel. Moeder kreeg weer zo’n vreselijke bui, ze stond op, riep vader erbij en wilde met vader, Mark en Frida in de voorkamer praten. Belachelijk, dacht Frida, om daar binnen vijf minuten mee op de proppen te komen. In de voorkamer stak moeder gelijk van wal en vroeg naar het geloof van Mark. Mark antwoordde wat beduusd: “Ik ben katholiek, net als mijn ouders, mevrouw”. “Dan begrijp je zeker wel dat het dus niets kan worden met Frida. Zij heeft belijdenis gedaan in de gereformeerde kerk en twee geloven bij elkaar, dat kan niet goed gaan”. Frida en Mark gaven geen antwoord. Wat moesten ze zeggen? Vader deed er nog een schepje bovenop: “Ja, kinderen, moeder heeft gelijk, dat gaat problemen geven in de toekomst”. “Maar we kennen elkaar nog maar kort, jullie doen net of we al gaan trouwen”, protesteerde Frida zwakjes. “Je moet goed begrijpen dat het nooit wat kan worden tussen jullie”, brieste moeder, “dan begin je er ook niet aan”. Frida voelde op haar klompen aan dat moeder het geloof gebruikte omdat Mark haar niet aanstond, vader zei niet veel meer, Mark al helemaal niet. Moeder draafde maar door: “Hoe haal je het in je hoofd om die jongen voor te stellen?” zei ze boos en tegen Mark: “Zet Frida maar voorgoed uit je hoofd”.
Mark wist niet hoe hij het had en keek de moeder van Frida bevreemd aan. Moeder wond zich steeds meer op en schoot overeind terwijl ze zei: “Ik wil dat je nu direct vertrekt, het moet afgelopen zijn”. In haar opgewondenheid vloog haar ondergebit er bijna uit, toen ze dat snel terug wilde duwen stootte ze de pruik half van haar hoofd. Moeder droeg een pruik wegens kale plekken op haar hoofd. Toen raakte moeder helemaal overstuur. Het was met recht een complete vertoning. Frida schaamde zich dood voor haar moeder en voor Mark. Waarom zegt vader niets, hij zal zich toch ook schamen? Frida zag gelijk al haar hoop vervlogen op een goeie open relatie met Mark.
Als ze met Mark vaste verkering had gekregen, moest oom Kees wel accepteren dat hij nooit meer bij haar terecht kon, want ze wist zeker dat ze echt niet vreemd zou gaan als ze vaste verkering had en zich voorgoed aan een man zou hechten. Dan had ze een geldige reden.
Waarom ging ze niet gewoon haar eigen gang? Ze kon zich toch losmaken van haar moeder die altijd kritiek leverde, nooit een goed woord voor haar over had? Soms had ze zelfs nachtmerries over moeder, dat haar eigen moeder haar zwart maakte bij anderen en op die manier haar plannen dwarsboomde. Ze vond moeder zo naar en toch wilde ze dat moeder haar goed zou vinden, schikte ze zich onder protest, maar toch. Vader zou haar kunnen helpen. “Vader heeft zijn ogen in zijn zak”, zei moeder vaak. Dat was waar maar vooral met het oog op haar, dat had ze niet door. Vader moest het niet in zijn hoofd halen om tegen haar in te gaan, dan was het huis te klein, alles moest gebeuren zoals zij wilde en niet anders.
********************
Dit keer kreeg Frida een heus afscheid op kantoor toen ze vertrok. Nu kreeg ze zelfs een getuigschrift mee, ze had er zelf nog een zwaar hoofd in gehad of ze dat wel mee zou krijgen want naar haar eigen maatstaven had ze echt niet veel gepresteerd. Ze zag Leendert toen voor het allerlaatst. Dat bleef pijn doen, maar ze moest hem voorgoed loslaten want ze kon het ook niet langer verdragen hem elke dag te zien. Om meer redenen was ze blij om weg te gaan uit Utrecht, weg van de verkeerde contacten, weg van oom Kees.
In Amsterdam zou ze een nieuw begin maken, ze ging werken in een verzorgingshuis voor dementerende bejaarden. Ze kreeg een kamertje in de straat vlakbij het huis, een piepklein kamertje met vaste wastafel, waar alleen een opklapbed, kast en stoel in stond. Frida had er nu spijt van dat ze haar verpleegsters uniformen aan Anuska had gegeven want die had ze nu mooi kunnen gebruiken.
Het was een zwaar christelijk verzorgingshuis, ook het personeel was van dezelfde kerk als de directeur. Gereformeerd Vrijgemaakt, volgens artikel 31. Een aantal familieleden van de directeur werkte er ook. Via de kabelradio kregen de patiënten en het personeel alleen christelijke programma’s te horen. Meestal psalmen in de oude berijming en gezangen van Johan de Heer, dat werd van hogerhand geregeld. Nooit een vlot liedje, dat was verboden. Voor en na het eten werd je geacht hardop te bidden en te bijbellezen met de patiënten. Dat deed Frida wel graag. Toen ze de gelijkenis las van de arme weduwe die haar verloren penning zocht: “God nog an toe, tjonge, tjonge, ‘t is toch wat, och wat erg, tjonge, tjonge”, reageerde een dementerende oude dame. Frida had veel binnenpret om de reacties van de patiënten. Ze dacht aan Lena ‘wat zouden we hier een plezier hebben met de mensen, we zouden af en toe niet meer bijkomen van het lachen’. De hoofdzuster, zus van de directeur, vond Frida geestig: “Jij hebt echt gevoel voor humor”, had ze gezegd. Ook de patiënten waren op Frida gesteld, dat voelde ze en zag ze aan hun ogen wanneer ze voorbij liep of hen hielp.
Dit was weer een heel nieuwe omgeving voor Frida, ze maakte kennis met de bewoners, er waren diverse kamers en zalen, een enkeling had een eigen kamer. Allemaal bijzondere mensen, de meesten waren in zichzelf gekeerd, toonden niet veel belangstelling voor de nieuweling op een uitzondering na. Mevrouw de Hoog keek Frida eens goed aan en zei: “Nog lelijker dan zuster Sippie”. Frida kreeg al gauw plezier in de mensen. Een paar bewoners waren nog redelijk bij de tijd, die hadden dan samen of alleen een kamertje. Er was een mannen en een vrouwenzaal met elk twaalf bedden, bij elk bed een nachtkastje en stoel.
Het personeel was truttig, stijf en humorloos. Er werkten weinig jongeren, slechts twee jonge meisjes van haar eigen leeftijd. Janke en Betsie kwamen uit Friesland en trokken samen op. Het werk met de patiënten beviel Frida wel, maar goed beschouwd was het een treurige boel. De meeste mensen kregen heel weinig of geen bezoek, spraken tegen zichzelf of slingerden allerlei kreten de zaal in. Mevrouw de Hoog vloekte graag en veel, mevrouw van Veen wilde veel bidden, Jannie Willemse zong zonder ophouden en Corrie fluisterde medebewoners geheimpjes in de oren. Mevrouw Kats verzorgde een pop als ware het haar eigen baby.
Peer en de heer de Klerk lagen samen op een kamer, Peer kwam van de wallen en de heer de Klerk was advocaat in ruste. Een mooi stel die twee, het platte Amsterdams van Peer tegenover de keurige uitlatingen van de ander. Hoewel dementerende mensen heel erg kunnen veranderen, kon ze toch aan bepaald ingesleten gedrag de achtergrond van de patiënten herkennen. Met Peer was het oppassen, je moest hem niet boos maken, maar de heer de Klerk bleef gevoelig voor stijl en beschaving. Hij zat altijd keurig rechtop en wilde perse een servet om wanneer Frida hem te eten gaf. “Enjoy your meal, mister de Klerk”, zei Frida. Zijn ogen lichtten op van herkenning en hij lachte.
Het kamertje dat Frida bewoonde miste alle gezelligheid, het was alleen een slaaphokje en daar was ze niet graag in haar vrije uurtjes. Jongens ontvangen was verboden en uiterlijk elf uur moest ze binnen zijn. Er werd op haar gelet. Ze ging dan liever naar de stad, ergens koffie drinken en wat winkelen. Natuurlijk zagen Mark en zij elkaar geregeld, het was nog steeds fijn samen, echter meer afstandelijker van Frida’s kant na de kennismaking met haar moeder.
De deur naar een toekomst met Mark samen was definitief voor Frida dichtgevallen. Mark betreurde dat, zag het overigens niet zo somber in. Hij had geduld, wilde haar graag aan zijn ouders voorstellen. Dat durfde Frida nu niet meer aan. Frida wilde bij haar familie blijven horen, kon er niet van loskomen. Haar familie en vrienden waren voor haar de reddingsboei waar ze zich aan vastklampte. Daar hoorde ze bij, wilde hun erkenning en goedkeuring. Als dat lijntje brak zou ze zeker afglijden en verkeerd terechtkomen. Daar was ze hevig bang voor. Hoe kon ze nu ooit de ware ontmoeten?
Oom Kees was ook alweer naar Amsterdam toegekomen, ze was niet mee uit eten gegaan maar in de auto had ze gevraagd: “Waarom komt u overal achter me aan? U weet toch dat ik niet wil?’ “Lieve kind, ik probeer je los te laten maar ik kan niet zonder je, ik moet je zien”, kreunde oom Kees. “Het gaat u alleen om de seks, die kan u ergens anders ook wel halen, en betalen”, zei Frida, “bovendien begrijp ik niet hoe u zich als christen verantwoorden kan, als u naar een hoer gaat is dat beter te verantwoorden dan wat u met mij doet”. “Ik wil geen hoer, dat vind ik vies, van jou hou ik, het gaat niet om geld. Jij kan krijgen wat je vraagt”.
“Maar oom Kees, ik vraag u me los te laten, ermee op te houden, ik verlang zo naar een vaste vriend waar ik gelukkig mee kan worden”. “Dat gun ik je ook en die krijg je zeker wel, ik wil niets liever voor jou. Je verdient het”. “Nou dat geloof ik niet, oom Kees, ik voel me slecht, ik wil zo graag goed leven maar alles mislukt mij”. Oom Kees begreep haar strijd wel: “Ik heb het ook erg moeilijk met mijn seksuele aandrang, het is een vloek en ik bid God dat hij mij daarvan verlost”. “Dan help ik God een handje en wil u nooit meer zien”. Oom Kees zei zielig: “Wees niet zo hard, toon wat begrip, ik wil je alleen maar liefhebben. We doen niemand tekort. Je bent zo zwaar op de hand Frida, je hoeft je niet schuldig te voelen. “Toch is het niet goed”, zei Frida. “Wat is er voor kwaads aan zoiets moois, bekijk het wat luchtiger, probeer wat meer te genieten”, besluit oom Kees.
Ze namen afscheid maar niet voordat oom Kees haar vastpakte, kuste en streelde waar hij maar kon, door haar verzet heen.
********************
Op haar werk werd ze geheel in beslag genomen door de mensen, het was druk en de bewoners kregen naar haar mening veel te weinig aandacht. Sommige mensen waren nog heel goed aanspreekbaar maar hadden niemand om eens mee te praten. Zij praatte graag met ze en dat merkten ze.
Wanneer ze de grote mannenzaal schoon moest maken was dat een beste klus, ze had er wat op bedacht: “Heren”, vroeg Frida, “willen jullie mij helpen met het schoonmaken van de zaal?” “Ja zuster, wat moeten we doen?” Als jullie nu eens allemaal je eigen stoel oppakt en die aan het andere eind van de zaal neerzet. Zou dat kunnen?” Dat was niet aan dovemansoren, de mannen wisten niet hoe snel ze met hun stoel aan de andere kant moesten komen. Een man bleef verdwaasd met zijn stoel rondlopen doch werd door de anderen streng toegeroepen: “Luister naar de zuster, hierheen komen”. Ze waren druk in de weer en voelden zich belangrijk. “Kijk”, zei Frida, “nu hebben jullie mooi ruimte voor mij gemaakt om te dweilen, maar jullie kunnen nog wat voor me doen”.
De mannen kwamen naar Frida toe en die vroeg: “Ga nu bij jullie nachtkastje staan en trek die even weg zodat ik daar kan dweilen”. De mannen waren blij hun steentje te kunnen bijdragen en hun ogen volgden elke beweging van Frida die veegde en dweilde. Daarna vroeg ze de heren allemaal naar de schone kant te lopen met hun stoel zodat zij de andere kant kon doen. Het was zo mooi om te zien hoe lief al die mannen haar ter wille waren, ze zag dat ze er blij van werden. “Heel hartelijk bedankt, heren, jullie mogen me nog eens helpen”.
Het was echt gezellig met elkaar als ze de oude mensen bij het werk betrok. Ze kreeg een warm gevoel voor deze mensen die zo zichzelf, zo echt waren in al hun gebrokenheid. Hier hoefde ze geen rol te spelen, noch zichzelf te beschermen. Deze mensen waren haar oprecht goed gezind. Zo anders als buiten waar ze zich zo bedreigd voelde.
Het eten kwam eraan en werd verdeeld, Frida zou mevrouw de Vries eten geven. Die was te ziek om uit bed te komen, kon ook niet meer overeind komen, daarbij had ze struma, kon bijna niet slikken. Het voeren ging tergend langzaam, mevrouw wilde niet eten. Daar kwam de directeur aan, broeder de Zwaan zag dat het bord nog vol was: “Er is meer te doen, Frida, opschieten”. Het wilde evenwel niet vlotten en Frida vond dat ze beter op kon houden het eten op te dringen, mevrouw was doodziek. Directeur Zwaan ergerde zich: “Ga jij maar verder met borden ophalen, ik neem dit wel over”, hij drukte een extra kussen achter het hoofd van de patiënt en propte de mond van mevrouw de Vries gewoon vol, dan gelijk weer een hap, mevrouw kon het niet wegwerken maar de Zwaan zei: “Zo doe je dat dus”, propte haar mond nog eens vol, zette het bord neer, stond op en op dat moment spuugde mevrouw de Vries haar opgekropte eten met een boog uit haar mond over de buik van de Zwaan. Frida had leedvermaak, vond het net goed voor hem. Die durfde nog boos te worden op de doodzieke vrouw, deed net of hij haar belang voor ogen had, dat ze het eten nodig had om aan te sterken. Hij gebood Frida dat het bord leeg moest.
Nog geen twee dagen later zag Frida dat helpster Janke uit Friesland mevrouw de Vries uit haar bed trachtte te halen om het bed te verschonen. Mevrouw de Vries hangt zwaar en slap om Jankes hals, Janke kan haar bijna niet houden en mevrouw is incontinent. “Wat doe je daar, zie je niet dat ze helemaal niet in orde is? Leg haar gauw neer”. Frida hielp Janke met mevrouw de Vries in bed te leggen die vreemd rochelde en niet eens meer bij kennis was. Frida bleef bij haar, binnen een half uur blies de oude dame ze haar laatste adem uit.
Wanneer Mark niet met haar uit kon ging ze alleen de stad in, dan overviel haar weer haar eenzaamheid en verlorenheid. Als een man haar dan aandacht gaf, met haar praatte en koffie dronk leefde ze weer op, voelde ze zich gezien, ging met hem mee. Verleidelijk, vrolijk en gevat. Dat was allemaal zo gauw gebeurd maar ze verlangde iets heel anders. Dit was spel, ze wist dat het die jongens alleen om haar lijf ging, niet om haarzelf. Echte liefde, dacht Frida, daar geloof ik eigenlijk niet in. Alle mensen zijn in wezen uit op eigenbelang, op plezier hebben, willen seks en noemen dat liefde. Seks is geen liefde, het is puur lust en genotzucht, heeft niet eens veel met de ander te maken. Het is beschamend en gênant. Zonder liefde is seks smerig en goedkoop, te betalen zelfs. Vandaar de platvloerse moppen erover. Over echte liefde en de intimiteit die daarbij hoort vallen geen grappen te maken, daarvoor is de liefde te teer, te innig en te dichtbij ons diepste zelf. Daarom dacht ik als kind dat het van God kwam, dat het heilig was omdat het de kern van leven raakt. Ik wil zo graag dat een man echt van me houdt, om mijzelf. In dat geval zal vrijen wel liefde kunnen zijn, zoals het bedoeld is, als een geheim tussen man en vrouw. Zo voelde het wel met Mark, maar dat durfde ze niet meer toe te laten. Eenmaal was ze zelfs tijdens vrijen met mark tot een hoogtepunt gekomen, heerlijk was dat maar ze heeft dat niet aan Mark laten weten, toch schaamte of angst. Mark had haar wel intens verliefd en vragend aangekeken. Had hij het toch gemerkt?
********************
In Amsterdam was het niet veilig voor Frida. Ze hoorde dat er Marihuana gebruikt werd in Lucky Star. Ze kon niet begrijpen dat andere jongeren dat gebruikten, zelfs LSD probeerden sommigen uit. Het maakte Frida extreem angstig, deed haar denken aan haar vroegste kinderangsten, die had ze ervaren als trips zonder drug. Ze kon zich niet voorstellen dat gebruik van drugs fijn was. Zij zou zeker bad trips krijgen, nee dat nooit. Daar hield ze zich verre van. In Paradiso werd ook gebruikt, Frida was daar voor een optreden van Simon Vinkenoog, Johnny the Selfkicker en nog andere dichters en zangers. Ook daar voelde ze zich een vreemdeling, ze kon niet echt meedoen met die gekte, want dat was het naar haar mening. Het was een spannende tijd met veel veranderingen die Frida niet goed voorkwamen. Wel wilde ze alles graag meemaken.
Frida hield wel van dansen en muziek, onder meer was Brenda Lee een favoriet van haar, maar ook Nat King Cole, Jim Reeves en vele anderen. Het leven bruiste en brandde in haar, ze wilde zich uitleven, vrij zijn en genieten. Toch voelde dat fout aan, het mocht niet. In haar hele leven had ze nooit beleefd dat iets wat leuk was ook goed kon zijn. De beste weg is de moeilijkste weg, had ze eens gelezen. Zou dat echt waar zijn? Frida koos bij voorbaat maar de moeilijkste weg, dan had ze dat gehad en kon het niet erger worden. Als ze plezier zocht, wachtte haar straf.
Meestal ging ze naar Eijlders op het Leidse plein. Daar was het wel gezellig en soms ontspon zich een interessant gesprek. Frida zat na een poosje al gauw op haar stokpaardje: het geloof. Ze was altijd benieuwd of de persoon tegenover haar een geloof had en hoe dat eruit zag. Dan verraste haar soms de oppervlakkigheid en onverschilligheid ten aanzien van het geloof. Daar was mee afgerekend en met de kerk helemaal. Hoe kunnen ze zo eigenwijs denken, dacht Frida, ze maken zich niet druk om de eeuwigheid. Ze hebben hun buik vol van zonde, hel en verdoemenis. Volgens hen zijn we door onze ouders geïndoctrineerd en daardoor onvrij. God is Liefde, er bestaat geen hel, dood is dood, het leven is mooi. Frida voelde zich dan zo anders, ze voelde zelfs de drang te getuigen om de ander te overtuigen van haar geloof. De gedachte dat ongelovige mensen verloren zouden gaan vond ze verschrikkelijk. Zij had tenminste een vast vertrouwen in God die haar gered had, dat was toch het allerbelangrijkste en tilde haar boven haar aardse ellende uit. Ja, ze was niet goed genoeg, dat wist ze wel, maar het ging voor God niet om goed of slecht maar om geloof.
Van tijd tot tijd ontmoette ze een Engelsman die voor zaken in Amsterdam kwam. Hij was echt aardig, ze meende dat hij haar respecteerde en bijzonder vond, dat wilde ze geloven. Hij zei getrouwd te zijn met een kunstenares en twee zoontjes te hebben. Er ontwikkelde zich een aangename vriendschap, aanvankelijk zonder vrijages. Toch ging Frida later met hem mee naar een hotel, niet omdat ze dat wilde maar het was alsof ze geen nee kon zeggen. Wat verbeeldde ze zich wel iemand af te wijzen? Ze moest aardig zijn. Ze zagen elkaar een paar maal in dat jaar en waren verrast elkaar dan te zien. Ook zonder te vrijen konden ze zich een hele avond uitstekend vermaken. Daar genoot Frida van.
Gelukkig kwam oom Kees niet zo vaak maar hij bleef het wel proberen, dan stond hij haar opeens op te wachten in de buurt van haar werk. Hij dacht dat hij haar een plezier deed of maakte dat zichzelf wijs. Kocht haar om met cadeautjes en vleierij: “Wees maar eerlijk, Frida, je vindt het wel lekker als ik aan je kutje zit en je borsten streel. Doe niet net of je dat niet wilt, je bent net zo geil als ik”. Zo zit hij zichzelf op te winden, dacht Frida terwijl ze walgde van het woord “geil’. Een vies ordinair woord vond ze dat.
Toch ging ze mee uit eten, het werd niet gezellig omdat Frida weigerde naar een motel te gaan. Toen beschuldigde hij haar van hardheid, dat ze geen gevoel had. Dat ze meer haar best moest doen om hem te begrijpen. O God, geen gevoel, ze verdronk erin. Het was gemeen van hem om dat te zeggen. Ze maakte zich juist zorgen om hem. Tevens wilde ze niet oneerlijk tegen tante Coby zijn. Oom Kees zei veel van zijn vrouw te houden, maar hij wilde niet maar haar vrijen. Dat stond hem tegen omdat ze oud was, slap vel had en hangbillen en –borsten, alsof hij zo mooi was.
********************
Mevrouw van Veen dacht dat ze sterven ging, ze vroeg alle zusters die op haar kamer kwamen om met haar te bidden. Die werden het zat, scheepten haar af en maakten er onderling geintjes over. Mevrouw van Veen belde om de haverklap. “De kerkklok luidt”, riep Janke “wie heeft dienst?”
En ja, toen Frida avonddienst had kwam de vraag ook bij haar: “Zuster, het gaat niet goed met me, ik ga sterven, wilt u met me bidden?” Mevrouw van Veen was al 94 jaar, broodmager en al weken op bed, ze kreeg nooit bezoek. Frida nam haar zeer serieus: “Weet u mevrouw van Veen, ik zal straks een poosje bij u komen als ik tijd voor u kan maken, dan kunnen we ook even praten”. “Dat is heel goed van u als u dat wilt doen, zuster”, zei mevrouw van Veen dankbaar. “Tot die tijd moet u proberen niet te bellen, des te eerder kan ik bij u komen”. Mevrouw van Veen bewoonde alleen een klein kamertje boven in het gebouw, een eenzame vrouw. Frida voelde zich niet veel anders en begreep haar vraag. Mevrouw van Veen hield woord en belde niet, ze wachtte tot zuster Frida kwam. Veel collega’s klaagden steeds dat mevrouw van Veen lastig was en voortdurend belde met smoesjes. Frida kon het niet uitstaan dat ze mevrouw van Veen niet meer serieus namen. Ze zette een stoel bij het bed en vroeg: “Waarom denkt u dat u gaat sterven?” “Ach zuster, dat voel ik gewoon, ik ben zo heel, heel erg moe, maar ik ben ook bang of ik wel goed genoeg ben om voor God te verschijnen”. Mevrouw van Veen keek Frida vragend en onzeker aan. “Wilt u daarom graag samen bidden?” “Ja zuster, ik ben zondig, ik heb veel verkeerd gedaan in m’n leven”. “Hebt u vergeving gevraagd aan de Heer?” O zuster, dat doe ik de hele dag, ik kan er niet van slapen en droom erover.” “U hoeft niet bang te zijn want God ziet u, is bij u en wil niets liever dan u vergeving schenken. Toch het is heel goed om samen naar God te gaan en Hem te vragen u aan te nemen en in liefde op te nemen als het zover is ”.
Mevrouw van Veen vouwde haar handen en Frida legde de hare erover heen. Frida bad hardop en legde het leven van mevrouw van Veen in Gods handen. Ze vroeg alles waaraan ze dacht dat mevrouw van Veen behoefte kon hebben, om vergeving, om rust en vrede, om haar angst weg te nemen. “Wilt u zelf nog wat zeggen?” vroeg Frida.
“Zuster, ik wil graag samen met u hardop het onze vader bidden”. Dat deden ze en het was zo goed, zo rustig en vredig om daar te zitten bij mevrouw van Veen, die haar zo dankbaar aankeek. Frida begon zachtjes voor haar te zingen: “Blijf bij haar Heer want d’avond is nabij, de dag verduisterd, Here blijf haar bij. Als and’re hulp ontbreekt, geluk ontvliedt, der hulpeloze hulp, verlaat haar niet”
De stilte in het schemerige kamertje voelde als een Aanwezigheid. Frida had moeite op te staan en weg te gaan. Maar mevrouw van Veen was gerust en kon slapen. Voor wie doe ik dit, dacht Frida, voor haar of voor mezelf? Dit maakt me gelukkig, dit wil ik doen. Mensen bij God brengen want Hij is mijn Redder, mijn echte enige hulp. Er zijn zo weinig mensen aan wie ik deze blijdschap echt kwijt kan. Ze geloven me gewoon niet of vinden het vreemd. Het klopt ook niet met m’n leven. Dit is werk voor dominees en goede mensen, ik doe zoveel fout, dus hoe durf ik eigenlijk? O God, help me toch om beter te leven, ik ben zo bang en eenzaam. Daarom verlang ik zo erg naar U.
De heer de Klerk had van zijn bezoek sigaren gekregen, die liep hij nu op te eten, Frida zag hem hoesten en proesten, de arme man stikte er bijna in, z’n hele mond zat propvol, de bruine smurrie liep over zijn kin en hij was zo misselijk als een hond. Gelukkig had hij er nog niet te veel van doorgeslikt en kon ze het meeste uit zijn mond vegen. “Sigaren moet je roken, meneer de Klerk, niet eten”. “Vertel mij wat”, bromde hij. De heer Coenraad voelde zich niet lekker, hij had een bed bij het raam en hij zat in zijn stoel naast de vensterbank want hij keek graag naar buiten. Hij was licht dementerend en nog goed aanspreekbaar.
“Wat ziet u bleek, meneer Coenraad, u kan misschien beter in bed gaan liggen”, zei Frida bezorgd. “Dat zou ik graag willen, maar het mag niet van broeder de Zwaan. Hij zei dat het de verkeerde kant uit zou gaan als ik er aan toegeef. Ik heb geen verhoging daarom mag ik niet in bed”.
Frida had met de man te doen en zocht een oplossing “Ik kan uw stoel onder uw bed schuiven, dan kan u uw hoofd op het bed laten rusten, daar leg ik dan een kussen onder”. Het voorstel trok de heer Coenraad wel aan. “Zou dat wel mogen van de broeder?” “Ik neem de verantwoording wel”, zei Frida in de hoop dat de Zwaan voorlopig geen ronde zou doen. De heer Coenraad voelde zich wat geholpen, hij viel al snel in slaap.
Jammer genoeg kwam de Zwaan al snel terug, hij wil weten wie de heer Coenraad zo bij zijn bed heeft gezet. Frida legde uit waarom ze dat gedaan heeft maar de Zwaan tikte haar op de vingers: “Hij moet gewoon bij het raam zitten, niet eigenmachtig handelen, zet hem terug”. Wat een onzin, denkt Frida, waarom mag die man niet dat doen waar hij behoefte aan heeft? Hij lag zo lekker te rusten. “Het spijt me, ik moet u terug zetten bij het raam, meneer Coenraad”. De oude man heeft de energie niet zich te verzetten en laat alles gelaten over hem heenkomen.
De volgende dag reeds bleef de heer Coenraad wel in bed, met koorts en erg ziek. Frida moest hem wassen en terwijl ze daarmee bezig was kwam de Zwaan kijken. “Zo meneer Coenraad, hoe gaat het nu?” “Niet best, ik word niet meer beter broeder de Zwaan”. “Kom, kom, niet zo somber, vindt u het niet fijn door zo’n jong zustertje gewassen te worden?”
“Ach broeder, ik hoop maar gauw bij mijn eigen vrouwtje in de hemel te zijn”. Zo meneer de Zwaan, daar kan je het mee doen, dacht Frida.
********************
Wat zijn christelijke mensen vaak ongevoelig en koud, dacht Frida. Ja, andere mensen en ikzelf natuurlijk ook, maar christenen leven toch uit genade van de vergeving? Frida voelde zich altijd heel gelukkig als ze terugdacht aan dat moment bij tante Coby. Die gebeurtenis was cruciaal in haar leven, ten diepste wist ze vanaf dat moment dat ze voor eeuwig veilig en geborgen was in God. Ze was niet meer bang voor de dood, niet dat ze dood wilde, maar ze zag zo tegen het leven op, om wat er zou kunnen gebeuren als ze zo doorging. Ze moest denken aan wat Apostel Paulus in één van zijn brieven schreef: ‘Ik verlang verlost te zijn van dit lichaam des doods’, en ‘wat ik wil doe ik niet en wat ik doe wil ik niet’. Het leven is een paradox waar ik niets van begrijp, dacht Frida.
Altijd dat schuldgevoel, dat gevoel overal teveel te zijn. Vroeger, kon ze zich herinneren, vond ze het zo zielig voor moeder dat ze geboren was, hoewel zij, Frida daar toch niets aan kon doen. In haar beleving ontmoette Frida zoveel afwijzing, moeder werd ook niet gelukkig van haar, was haar liever kwijt dan rijk, geen diploma gehaald en bijna overal ontslagen. Haar broers en zussen namen haar ook niet serieus, zagen haar meer als een stoorzender waar je af en toe om lachen kon. Gelukkig waren er wel een paar lieve vriendinnen en die betekenden veel meer voor haar dan ze openlijk toegaf.
Het was of ze in elk gezelschap haar eigen stoel mee moest nemen en de door haar ingenomen plaats moest verdedigen. Ze dacht nederig te zijn door geen plaats op te eisen, het kwam niet in haar op dat ze de mensen stoorde, die vonden haar juist arrogant met haar eigen stoel.
Haar minderwaardigheidscomplex maskeerde Frida met flair, want ze was niet verlegen, ze voerde graag het hoogste woord, genoot van belangstelling en trok die ook naar zich toe, echter altijd met het gevoel dat het niet mocht. Hoe moest ze echter iets voorstellen en bewijs leveren dat ze wel mocht bestaan?
Goed beschouwd ben ik bang voor mensen, dacht Frida, voor hun oordeel over mij, ik lijk wel heel openhartig, maar ook dat is een façade. Zelden weet ik me een houding te geven, gedraag me afwezig en in die verstrooidheid doe ik net de verkeerde dingen. Hilarisch vaak en lachwekkend, ze moest er zelf ook vaak om lachen.
Van plotselinge geluiden, bewegingen of een onverwachte aanraking kon Frida enorm schrikken. Ze wist nog dat Eva eens zo moest lachen toen moeder aan tafel de opscheplepel oppakte, dat Frida toen helemaal in elkaar dook omdat ze dacht een klap te krijgen. Ze kreeg binnenpret toen ze de situatie weer voor zich terugzag.
Het was erg moeilijk voor Frida om zichzelf serieus te nemen, dat voelde belachelijk aan. Alleen het geloof nam ze serieus, niet haarzelf. Waarheen te gaan en wie zou helpen? Ze zou direct moeten stoppen met flirten, het enige dat ze goed kon. Dat was een vrijblijvend spel. Zodra een jongeman serieuze bedoelingen had, werd Frida ook serieus en liet zich niet benaderen.
Mark vroeg haar mee te gaan naar een orgelconcert in de oude kerk. Dat was echt genieten, Handel, Bach en Buxtehude, Mark genoot er ook zichtbaar van en ze voelde zo’n warme verbondenheid met hem. Toen voelde ze echt dat het goed was tussen hen, dat ze zich opende en meer wilde. Na afloop kusten ze elkaar hartstochtelijk. Kon dat maar voortgaan, maar ze merkte dat ze weer afstand van hem nam, opnieuw die pijn. Het was alsof dat waar ze van hield en naar verlangde voor haar verboden was. Zoiets als het eten van de verboden vrucht in het paradijs. Was ze maar niet zo dol op appels.
Amterdam was geweldig om te wonen als je jong bent. Levendig en met veel verkeer, letterlijk en figuurlijk, Frida doorkruiste dat op haar fiets. Als ze niet op haar werk was zocht ze Mark op of anders een terrasje of cafe. Jammer dat Lena niet in Amsterdam werkte of woonde, ze miste haar en door haar wisselende diensten was er weinig gelegenheid om elkaar te zien. Ze schreven wel en maakten soms afspraken wanneer ze beide vrij waren. Dat waren altijd leuke dagen met veel humor.
Soms ging ze wel naar Eva in de Marnixstraat, die had daar een fraai souterrain met nog een extra kamer. Wat had Frida graag met Eva samen willen wonen toen die kamer vrij kwam. Echter daar had Josie al snel bezit van genomen. Door Eva’s vriendschap met Josie voelde Frida zich buitengesloten. Eva deed alles met Josie samen, theater- en concertbezoek, uitgaan en vakantie houden. Altijd was Josie erbij. Wat zou Frida graag die plaats bij Eva gehad hebben, maar ze zou nooit laten merken dat ze jaloers was. Jaloers? Nee dat was ze toch niet? Zover dacht ze eigenlijk niet door. Het kwam haar gewoon niet toe. Eva vond Josie zeker leuker, maar Frida begreep niet dat Eva zich zoveel gelegen liet liggen aan Josie. Die vroeg altijd van alles op zo’n zoetig toontje: “Eva, heb je wat cola voor me, de mijne is op?” of “Kan je me wat geld lenen, je krijgt het terug hoor?” Frida vroeg zich af of Eva dat dan ook inderdaad terug kreeg. Josie drong zich op, ze claimde Eva vond Frida.
Eva en Frida stonden nooit bij elkaar in het krijt, wanneer ze soms iets voor elkaar betaalden werd dat altijd snel afgerekend tot de schuld vereffend was. Zo deed Eva niet tegen Josie. Dat stak haar wel.
Het werk als onderwijzeres in Osdorp nam Eva helemaal in beslag. Ze was een heel enthousiaste schooljuf met liefde voor de kinderen. Daar raakte Eva niet over uitgepraat.
Frida vond het wel jammer dat ze geen enkel diploma had behaald, daarom was ze een cursus doktersassistente begonnen, daarnaast deed ze vanwege haar werk de opleiding bejaardenverzorgster. De motivatie echter ontbrak, ze kon zich niet concentreren, ze wilde altijd dat er iemand bij haar was, alleen zijn kon ze niet.
Eva kwam nooit meer uit haarzelf naar haar toe. Die wist niet van haar verborgen leven, niet van oom Kees, niet van de losse contacten. Frida schaamde zich verschrikkelijk daarvoor. Eva en Lena waren niet zoals zij.
Tussen vriendinnen bleef er toch een afstand, er was geen lichamelijke intimiteit en geen bemoeienis met persoonlijke keuzes. Alles gebeurde op vrijwillige basis, spontaan en van harte, dat was het mooie van zuivere vriendschap. Maar zij konden haar innigste verlangen naar liefde niet stillen. Daarover uitte ze zich niet.
Met moeite probeerde Frida zich staande te houden, ze deed haar best om het lijntje met de familie te behouden. Kon ze maar in haarzelf geloven. Ze voerde een toneelstuk op waarin anderen moesten geloven en vroeg constant om bevestiging.
Frida snakte naar een man waar ze veilig en geborgen bij zou zijn. Die haar goed vond en niet afwees. Zo ongeveer als Mark, maar dan zo dat moeder hem kon accepteren want ze wilde niet breken met haar familie. Ze was trots op haar familie, schepte er zelfs over op want daar maakte zij toch maar mooi deel van uit. Ze kwam niet uit de goot. Ander houvast dan de familie waar ze uit kwam had ze niet. Ze wist niet wie ze was en wat ze moest zijn.
Wat ik nodig heb, dacht Frida, is een man die mij echt helemaal de baas is en zich niet laat verleiden door mijn zogenaamde charmes. Daarmee misleid ik hem. Hij moet mij onder de duim houden, sterker zijn dan ik. Frida meende zichzelf te kennen, ze wist dat ze kon manipuleren, dat ze jongens makkelijk om haar vingers wond. Dat was een leuk spel maar het gaf haar een slecht gevoel. Ze praatte dan veel over haarzelf, heel rationeel, niet over haar echte gevoelens en ze toonde vaak te weinig belangstelling voor de ander. Die luisterden wel en zeiden niet zelden: “Waarom kraak jij jezelf zo af, dat is toch niet nodig?”
Ze verbaasde zich ook over de openheid en het gemak waarmee veel jongens hun gevoel toonden en zich letterlijk bloot gaven. Frida snapte niet dat ze zich daar niet voor schaamden, ze keek dan in wezen op ze neer. Zij toonde nooit haar gevoel, ook als ze vree liet ze haar gevoel niet zien, het ging tenslotte niet om haar, niemand mocht weten wat ze werkelijk dacht.
Vriendschap met mannen draaide altijd uit op seks, ze lokte het zelf uit, dat had ze te bieden. Dan genoten ze van haar, dat lieten ze ook blijken. Ze speelde ermee. Met Mark was het anders, wel fijn maar ze durfde niet teveel te laten merken. Ze hield zich flink, ze kon moeder niet afvallen.
********************
Wat had ze gedaan en waarom vertelde ze ervan aan haar collega? Frida nam de nachtdienst over van Betsie die avonddienst had gedaan en vertelde dat ze twee buisjes kinine in ging nemen met wonderolie om de menstruatie op te wekken die niet kwam. Bang dat ze in verwachting zou zijn, hoewel dat eigenlijk helemaal niet kon, er was geen man in haar geweest. Misschien via een handdoek of zo? Ze begreep er niets van maar raakte steeds meer in de war. Overal dreigde gevaar, in gezelschap kon ze de gesprekken niet meer volgen, hoorde de stemmen van ver en moest alle zeilen bijzetten om te doen alsof ze erbij hoorde en alles gewoon was.
O, die vreselijke nacht ! Ze had zo luchtig gedaan tegen Betsie, alsof er niets aan de hand was en het gewoon een onbeduidende handeling was om dat in te nemen. Ze had heel stoer en onverschillig gedaan. Om de één of ander rede wilde ze dat iemand toch wist wat ze deed. Het meisje had haar met grote ogen aangekeken en amper gereageerd.
Maar in die nacht suisde haar hoofd, viel ze om en kon zich niet wakker houden, ze voelde zich wegglijden en werd opeens toch erg bang dat er iets helemaal mis zou gaan. Toen probeerde Frida over te geven om haar maaginhoud leeg te maken. Het lukte een beetje maar hoeveel was er al werkzaam? Ze mocht niet in slaap vallen, moest perse wakker blijven en op de patiënten letten, die moesten ook nog gewassen worden voor ze ‘s ochtends weg kon.
Radeloosheid overviel haar want ze viel steeds weg, ze voelde dat ze niet zomaar wakker zou worden als ze toegaf aan de slaap, bang ook om dood te gaan. Ze voelde zich heel raar, kon niet op haar benen staan en zwalkte als een beschonkene. In trance en bibberig deed ze de hoognodige zaken en handelingen, die hielden haar tenslotte ook wakker. Zodra ze ging zitten zakte ze weg, dus blijven lopen en met koud water-washandje de slaap uit haar gezicht houden. Ze waste de bewoners een beetje en tegen de ochtend begon ze zich ietsje beter te voelen. Zodoende kon ze bijna normaal doch erg snel haar dienst overdoen aan de dagdienst.
Op haar kamertje gekomen durfde ze nog niet naar bed te gaan, ze wilde voorlopig wakker blijven. Ze zag dat ze prompt ongesteld was geworden. Grote opluchting, niets aan de hand. Het had wel mis met haar kunnen gaan die nacht. Ze had al visioenen gehad van verdrinking of op andere wijze uit het leven van haar familie te stappen want niemand mocht weten hoe zij was, wie zij was.
Nu had ze een lang weekend vrij want haar nachtdienst was afgelopen, ze ging op haar fiets naar Mark, die zat te schilderen aan een opkomende of ondergaande zon. Hij was blij haar te zien en ze liet met zich vrijen, maar nu ze wist dat zij samen niet verder konden gaan voelde het treurig. Ze vertelde ook niet over de afschuwelijke nachtdienst die ze net achter de rug had. Ze wilde alles snel vergeten. Samen zijn ze wezen koffiedrinken in de stad. Ze voelde zich zo opgelucht en Mark was zo verliefd, zijn kussen waren heerlijk, maar de ober bestrafte hen, dat kussen was verboden.
Vroeg in de zaterdagavond kwam ze thuis. Vader en moeder waren er niet. Suze zat bij haar vriend Cor op schoot in de rookstoel. Cor zei: “De directeur van je werk heeft gebeld, hij wilde vader of moeder spreken, het klonk nogal dringend”. Dat was schrikken, wat een geluk dat vader en moeder er niet waren, dat kwam bijna nooit voor, ze hield zich van de domme. “Wat vreemd, zei hij waar het over ging”? “Nee maar ik hoorde wel dat er iets aan de hand is”, zei Cor, “Vertel het maar want je zal wel meer weten”. “Ik zou niet weten wat er is en als er wel wat aan de hand zou zijn, gaat dat jou niets aan. Ik zal zelf wel terugbellen naar de directeur en vragen wat er aan de hand is”. Frida wilde koste wat het kost voorkomen dat haar ouders hier iets over te weten kwamen. Ze begreep dat haar collega uit de school had geklapt en verteld had wat ze gedaan had. Maar toen ze de directeur aan de lijn had deed ze verbaasd en onnozel: “Ik hoorde dat u gebeld heeft, daarom bel ik u nu zelf om te horen wat er aan de hand is” De directeur klonk ernstig: “Weet je werkelijk niet wat er vannacht gebeurd is”? “Ik weet niet waar u op doelt, er is niets gebeurd” “Nu, ik heb wel wat anders vernomen, bovendien heb je Piet en meneer de Klerk niet van onderen gewassen, want hun onderwashandjes zijn droog”. De Zwaan deed zeer ernstig en vond het zijn plicht de ouders in te lichten.
Wat stom dat ze de washandjes niet nat had gemaakt, ze kon dat wassen van de patiënten bijna niet opbrengen, daar was nu bewijs van. Frida hield vol dat zijn visie niet klopte en stelde voor maandag naar hem toe te komen om een gesprek hierover te hebben voor hij haar ouders zou bellen. Daar ging hij gelukkig mee akkoord.
Deze situatie was voorlopig gered, maar hoe zou het verder gaan?
Voor het eerst deed ze nu zelf een beroep op oom Kees, hij moest haar nu helpen om te voorkomen dat de directeur haar ouders zou inlichten. Welk verhaal oom Kees had opgehangen bij de directeur wist ze niet maar daarmee werd het gevreesde telefoontje naar haar ouders voorkomen. Oom Kees zou zeker heel vroom het geloof erbij gehaald hebben. Frida merkte wel dat de directeur alles wat merkwaardig vond: “Wie is die oom Kees, is hij familie van je?” “Ja, een broer van m’n moeder, ik ga heel vaak naar die tante en oom toe, ik ben daar kind aan huis”. Haar ontslag bleef een feit.
Op haar laatste werkdag hoorde ze een patiënt tegen de directeur zeggen: “Hebben we eens een goede hulp maar die gaat weer weg, altijd gaan de besten weg”. Goed dat de Zwaan dat hoort, dacht Frida.
********************
Ze moest op zoek naar ander werk en een andere kamer, want het kamertje dat ze had hoorde bij het baantje. Niemand vertelde ze dat ze ontslagen was, dan zou ze toch enige verklaring moeten geven van wat ze gedaan had. Nee, ze zei langs haar neus weg dat ze op zoek ging naar ander werk omdat ze in de weekends vrij wilde zijn. Voor ander werk zocht ze alle advertenties af in de krant, het maakte haar weinig uit wat voor werk, als ze maar geld bleef verdienen om in haar onderhoud te voorzien. Ze durfde niet goed naar een baan in de zorg te solliciteren uit angst dat er dan referenties bij Zwaan gevraagd zouden worden. Dus zocht ze naar kantoorwerk, ze had tenslotte ervaring bij de reisorganisatie en daar had ze zelfs een getuigschrift van dat ze goed gewerkt had. Jammer dat ze bij het afnemen van het dokters-assistenteexamen was weggelopen. Altijd als ze het gevoel had dat haar de maat werd genomen vluchtte ze. Ze had plezier in die lessen gehad, ze zou nu graag hebben kunnen solliciteren bij een huisarts. Als het nu maar lukte om werk te krijgen!
Op een expertisebureau werd een medewerkster gevraagd, ze belde op en kon direct langskomen om kennis te maken. Op haar fiets door Amsterdam naar een mooi oud pand in de Sarphatistraat. Een trotse oude heer van 82 jaar ontving haar in zijn kantoor en vertelde over zijn Firma waarin zijn zoon het ‘buitenwerk’ deed. Dat betrof taxaties van fabrieken en gebouwen, alsmede van schade bij calamiteiten. Zij zou die rapporten dan uit moeten typen en ook de telefoon moeten bedienen om boodschappen aan te nemen en afspraken te maken. Frida had eigenlijk geen flauw benul van dit soort werk en ze had zelfs geen typdiploma maar zei dat ze wel kon typen en het diploma snel zou gaan halen.
Het viel haar al gauw op dat de oude heer erg vervuld was van zichzelf en veel wilde vertellen over alles wat hij meegemaakt had. Hij zag het wel zitten met Frida en toonde zich heel tevreden, nam haar zonder overleg met zijn zoon Kas aan en de eerstvolgende week kon ze al beginnen. Wat een opluchting voor Frida, ze was dolblij dat ze weer een nieuwe start kon maken. Ze was God zo dankbaar en beloofde hem dat ze nu echt beter zou gaan leven.
Het mooiste was nog dat Lena sinds kort ook in Amsterdam werkte en op zoek was naar een andere kamer. Ze besloten samen op zoek te gaan naar zo mogelijk een grote ruimte met keukentje voor hen beiden.
Dat lukte in de Helmerstraat nabij het Leidse plein. Op zolder was daar een grote kamer met kasten onder de schuine wand en een schot waarachter een soort keukentje gefabriceerd was. Een hoog koekoeksraam met uitzicht over Amsterdam. Ze zagen dat helemaal zitten en begonnen ermee de kamer in te richten. Een flinke oliekachel zorgde voor de verwarming en ze kozen elk een kant van de kamer voor hun bed. Natuurlijk hadden ze al gelijk veel pret. Een mooie tijd brak aan, Frida voelde zich veilig in deze nieuwe situatie met Lena. Er was een huishoudpotje waar ze beiden geld in deden voor het dagelijks huishouden en waar ze het eten van betaalden, ze kookten om beurten. Lena was goed in het bereiden van pasta’s met een ‘prutje’, het klonk niet lekker maar smaakte wel heel lekker.
‘s Morgens gingen ze beiden de deur uit, Lena werkte in een apotheek en leerde voor apothekersassistente en Frida ging naar haar werk op het expertisebureau. Dat werk was veel moeilijker dan ze eerst dacht. Het uittypen van de rapporten bezorgde haar veel problemen want dat moest absoluut foutloos gebeuren, als zijnde drukwerk. De papieren gingen in zesvoud in een Olivetti typmachine met brede wagen en ze maakte de ene na de ander typfout. Stapels papier moest ze keer op keer weggooien en opnieuw beginnen. Ze kreeg het er vaak benauwd van. Het was maar goed dat ze alleen op haar kantoorkamer was en ongezien oefenen kon. Tenslotte kwamen de rapporten toch af en ging het steeds beter, mede doordat ze op typles was gegaan.
Op de ochtend dat het typexamen afgenomen zou worden, versliep ze zich. Zou het toch weer hetzelfde liedje worden? Altijd gebeurde er iets zodat ze haar examens niet kon afleggen. Dat wilde ze niet weer laten gebeuren, razendsnel trok ze een broek en trui aan. Zonder zich te wassen en met wapperende lange haren racete ze op haar fiets door de stad en kwam te laat, ze waren al begonnen. Gelukkig mocht ze nog meedoen. Voor het eerst haalde ze een heus diploma, sport- en zwemdiploma’s daargelaten, haar typdiploma.
Naast het typen was het begrijpen van wat er allemaal omging op een taxatie- expertisebureau nog niet zo eenvoudig. De telefoontjes gingen over grote schades en verzekeringspartijen. Ze merkte dat het vaak een spel van onderhandelingen was en dat eerlijkheid niet voorop stond. Er was veel geld mee gemoeid, verzekeraars hebben er veel voor over om zo weinig mogelijk of helemaal niet uit te betalen. Het ging er wel om dat haar baas aan het langste eind trok en de zaak voor zijn cliënt won. Ze moest bij haar rapporten de opstaltekeningen kunnen lezen en soms gebouwen op schaal erbij tekenen. Dat laatste vond ze erg leuk.
Het allermoeilijkste echter was het gedrag van de oude baas die alles beter wist dan zijn zoon. Ze hadden vaak aanvaringen over het werk omdat de oude man veel fouten maakte en dat nooit toegaf maar wel altijd gelijk wilde hebben. Het ging er soms zo heftig aan toe dat Frida ertussen sprong om de zaak af te leiden, de schuld op zich nam om tot een oplossing te komen.
Overdag was de oude baas meestal op kantoor, Kas was ergens in het land naar afspraken in verband met schades of taxaties. De oude baas noemde Frida Fie en was bijzonder op haar gesteld, hij had echter niet in de gaten dat Fie zich in allerlei bochten moest wringen om hem terwille te zijn en niet boos te maken. De fouten die hij maakte zette ze voorzichtig om zonder dat hij dat dan in de gaten had. Het juiste hield ze hem voor alsof ze dat van hem had gehoord: “Zei u net niet dat u vond …” , “Geweldig Fie, jij let goed op want jij begrijpt hoe ik het wil hebben”. Ook de klanten aan de telefoon kwamen in problemen met de eigenwijze baas, die dan boos werd op de klant. “Let goed op Fie, deze klant probeert me te belazeren”. Fie ving dan zowel de klant als haar baas op, moeilijk en vermoeiend maar het lukte vaak wel. Om het enorme ego en het kinderlijke gedrag van haar baas moest ze inwendig vaak vreselijk lachen terwijl het gelijkertijd zeer onaangenaam was.
“Fie, wil je nu eerst deze rapporten naar het postkantoor brengen?” “Ja, dat is goed”. “Maar kijk uit op de fiets, dat je geen ongeluk krijgt”. Kijk, dat was nu toch aardig van de baas, dat hij zich bezorgd om mij toont, dacht Frida en zei: “Ik zal voorzichtig zijn“. “Ja graag, want anders ben ik die rapporten kwijt”.
Er kwam een nieuwe kracht bij op kantoor, een keurige dame die goed werk leverde maar ze liet zich niet schofferen door de oude die op iedereen neerkeek en wantrouwde. Ze zei er wat van en ze werd prompt op grove schandalige wijze op straat gezet. En zo ook met de volgende. Fie bleef en had het gevoel dat ze hier nodig was. Kas was blij dat Fie zijn vader opving. Hij flirtte met Frida of flirtte Frida met hem? Soms nam hij haar mee uit eten.
De verhoudingen klopte niet helemaal maar hier bleef het bij en Frida maakte zichzelf wijs dat ze alles onder controle had. Ze schaamde zich wel voor het geflirt met een getrouwde man, waarom was ze zo zwak?
‘s Avonds bij Lena kon ze haar verhalen kwijt en konden ze er om lachen. Niet alles vertelde ze aan Lena.
Soms, met mooi zonnig weer klommen ze door het raam om in de brede dakgoot tegen het schuine dak te gaan zitten. Geweldig om dan over de stad heen te kijken en je ze hoog en ongezien te weten.
********************
In de weekends ging Lena naar Steven, haar vriend en Frida zocht soms afleiding bij studentenavondjes van de VU. Misschien ontmoette ze daar een jongen waarmee ze thuis kon komen maar ze zat er verloren bij op die avondjes want iedereen had daar zijn vriendengroepje, ze hoorde nergens bij en voelde zich alleen. Toch vroeg een student haar mee uit, hij had zowaar een auto. Frida wilde graag serieus met hem praten, daar bleek hij geen oren naar te hebben, hij was alleen uit op een vrijpartij en randde haar aan. Ze vocht zich los, schrok van dat gedrag, vluchtte weg. Ze dacht dat christelijke studenten serieuzer waren, niet zo.
Soms werd ze mee uit gevraagd door studenten die wel aardig waren en belangstelling voor haar hadden. Het vreemde met Frida was dat, wanneer de interesse in haar echt gemeend was, ze zich geen houding wist te geven. Op een heel gezellige avond bij een optreden van Boudewijn de Groot vluchtte ze in het publiek weg. De jongen verbluft achterlatend.
Lena en Steven lieten Frida kennismaken met vrienden van hen die een bijbelgespreksgroep vormden.
Ze sloot zich daar bij aan en voelde ze zich een stuk beter. Gewoon serieus met elkaar praten met belangstelling voor elkaars zienswijzen, daar kon ze echt in opgaan. Voor haar visie in geloofszaken kon ze gepassioneerd opkomen, alsof zij de waarheid in pacht had. Ze moest dan getuigen, maar meer nog overtuigen want het ging dan om leven of dood, om waarden die boven dit aardse uitgingen. In dat licht kon ze toegeven dat ze erg zondig was, vreselijk tekortschoot, niets waardig maar dat God haar had gezien en vergeven. Ze hoefde haar zonden niet toe te lichten want in Gods ogen waren ze allemaal zondaars en was de één niet beter dan de ander.
Nog altijd was ze vervuld van haar verlossing, die bloeide in deze omgeving weer helemaal op. Nooit zou ze dat vergeten hoe haar diepste angst en zwaarste last van haar afgegleden was, hoe liefdevol ze zich toen aanvaard wist. Zo’n grootse overweldigende ervaring liet zich niet uitleggen, maar ze was er vanaf dat moment zeker van dat ze gekend werd door God en dat niemand haar dat kon afnemen. Veel christenen noemden zo’n ervaring het moment van hun bekering, maar zo voelde Frida het niet. Ze geloofde altijd al maar meende vroeger dat ze verworpen was. Op de kring durfde ze niet te praten over de zonde tegen de Heilige Geest, want dan kwam die vreselijke angst in haar lijf en begon ze te trillen. Dat bevreemdde haar want die zonde had toch afgedaan? Daar was ze zeker van, ze meende dat de herinnering eraan de angstbeleving opriep.
“Weet jij wie je bent?”, vroeg Peter toen het gesprek over identiteit ging. Een moeilijke vraag waarop de anderen wel een antwoord hadden, Frida niet. Hun identiteit was vooral geankerd in het feit dat ze uit liefde geboren waren, gewenst, dat ze blij waren te mogen leven. Dat ze talenten hadden gekregen waar hun ouders trots op waren. Ook hun idealen maakten deel uit van hun identiteit. Frida kon dat niet navoelen en vond eigenlijk dat dat niet de kern van de vraag was. Zij wist voor geen meter wie ze was, wat ze wel wist en uitsprak: “Mijn identiteit kent God, is daar veilig, ik weet niet wie IK is, echt niet, maar toch is mijn identiteit geborgen, voor eeuwig zelfs”.
Frida kon zelf niet goed uit de voeten met haar zekerheid in God en onzekerheid in haar leven. Er leek iets niet te kloppen. Enerzijds wist ze gered te zijn, anderzijds verdiende ze toch afwijzing om haar tekort. Ze was nog lang niet goed genoeg, leefde niet als een bekeerde.
Bekeerd wilde zeggen dat je op de goede weg was, beter ging leven. Dat wilde ze wel maar lukt haar niet, ze bleef zich erg onzeker voelen ten opzichte van andere mensen. Daarom was ze zo blij met het geloof en dat God die blijdschap aan iedereen kon geven. Ze wilde daar steeds over vertellen want dat was haar enige houvast en het beste wat ze over te dragen had. Misschien ander soort houvast als haar vriendinnen hadden maar wel het enige van blijvende waarde. Frida kon diep verlangen naar de toekomst die Paulus beschreef in de Romeinenbrief: ‘Want alle lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die over u geopenbaard zal worden.’ Wat een ongelooflijk prachtige tekst en belofte was dat. Niet te bevatten! Alles wat er verder nog in haar leven zou gebeuren zou hieraan ondergeschikt zijn, alles was te verdragen als ze deze zekerheid maar nooit verloor.
Gevolg van deze redenering was dat ze ongelukken, ziekten en allerhande tegenslagen van mensen in dat licht bagatelliseerde, niet genoeg serieus nam. Zo erg was dat tijdelijke leed niet, en wie nam haar ooit serieus? Ze kon zichzelf ook niet meer serieus nemen, voelde zich daar ongemakkelijk bij, maakte dan liever grappen of dreef de spot met zichzelf.
In de gespreksgroep was Frida echter bloedserieus: “Ik ben blij dat ik door gelovige ouders ben opgevoed, zij hebben toch het belangrijkste aan hun kinderen doorgegeven”. Niet iedereen was het daarmee eens: “Ik ben gewoon geïndoctrineerd door mijn ouders“, zei Frans. “Er zijn nog zoveel andere geloven en waarom zou alleen het christelijk geloof de waarheid in pacht hebben?” “De bijbel is daar toch duidelijk over”, meende Frida, “en Jezus is toch niet voor niets gestorven?” “Het leven van Jezus zie ik zeker als een groot voorbeeld, maar al die ge- en verboden die gepredikt worden, daar heb ik moeite mee”, zei Peter, “net als al die bloedige oorlogen in het oude testament, die kan God nooit gewild hebben”.
“Volgens mij is de mens zelf verantwoordelijk voor wat er in de wereld gebeurt, niet God”, zei Frida “we moeten lering trekken uit die verhalen om op God te vertrouwen, niet op onszelf”. “Hoe bedoel je dat? We zijn toch naar zijn beeld geschapen en God zal toch wensen dat we goed doen en de vrede brengen?”, vroeg Hetty. “Ja, natuurlijk maar zonder geloof zijn we tot weinig goed in staat, dan gaan we ons gevoel achterna en doen we naar eigen inzicht. Bovendien is het moeilijk te weten wat goed en kwaad is, daarom heeft de kerk al die leefregels gemaakt”, oreerde Frida, die de kerk en het geloof van haar ouders verdedigde. “Mensen die niet geloven zouden dan geen goed kunnen doen? Want dat zeg je feitelijk, Frida, ik ken ongelovige mensen die heel onbaatzuchtig leven, een voorbeeld voor veel christenen”, zei Ans, het zusje van Peter. Frans vervolgde: “Nou Frida, ik zie die kerkelijke dogma’s als onderdrukking, gewoon machtsuitoefening om de mensen klein te houden”. Frida voelde zich in het nauw gedreven en vloog weer eens in de verdediging: “Die regels maken ons bewust van wie we zijn, confronteren ons met onze onmacht en ellende”.
“Hoezo, ellende? Ik voel me niet ellendig, ik ben blij met het leven en mag ervan genieten”, zei Frans en de anderen stemden met hem in. “Maar de bijbel leert ons toch dat we zondig zijn en vergeving nodig hebben”. Peter zei: “Dat moet je niet zo zwaar zien Frida, wij maken allemaal fouten, dat is niet erg. God vergeeft graag”. “” Jullie denken er wel makkelijk over, je kunt niet zomaar je eigen regeltjes maken”, vond Frida.
Toen kwam het gesprek op de boeken van Jan Wolkers, Maarten t’Hart en Biesheuvel.De meningen waren verdeeld, overwegend positief maar wel gedurfd van Wolkers om op die manier over seks en geloof te praten. Het leek toch op spotten. Wolkers zette zich stevig af tegen zijn geloofsopvoeding.
Frida begreep Wolkers goed want zijn verhaal kwam dicht bij het hare. Toch schrok ze van het gemak waarmee hij en andereren afrekenden met de voor haar de hoogste zaak in het leven. Ze kon niet begrijpen dat zulke schrijvers zich niet bekommerden om hun ziel, om de eeuwigheid. Die schrijvers zijn niet in de hel geweest, zoals zij.
********************
Daarom zou ik zelf een boek willen schrijven, dacht Frida, om te getuigen van de andere kant, van het feit dat juist het geloof het leven de moeite waard maakt. Ik wil eigenlijk bewijzen dat het geloof in God de enige waarheid is.
Er staat in de bijbel dat je God met heel je ziel én verstand lief moet hebben, dacht Frida en dat probeer ik ook, maar er komen wel veel meer vragen dan antwoorden bij met al dat denken. De mensen zeggen dat ik zo rationeel ben, ze vinden zichzelf altijd zo gevoelig. Ja, ik kan met m’n verstand beter uit de voeten dan met m’n gevoel, mijn gevoel misleidt me, vertrouw ik niet. Mijn gevoel is nog steeds verdrietig en gekwetst maar die pijn kan en wil ik niemand laten zien. God heeft mij gezien en zich ontfermd. Dat moet genoeg zijn. Ik verdien die pijn, dacht Frida, omdat ik lastig en opstandig was tegen moeder, m’n zin vaak wilde doordrijven, te weinig rekening met anderen hield, ongehoorzaam was. Als christen moet ik mezelf leren verloochenen, opkomen voor mezelf kan ik niet. Als ik zie hoe anderen dat doen ben ik altijd verbaasd over het zelfvertrouwen en het geloof dat veel mensen in zichzelf hebben. Ik kan alleen hoog van de toren blazen als het anderen betreft, met name als het over het geloof gaat. Dan lijk ik sterk en zelfverzekerd terwijl ik absoluut niet weet wie ik ben en hoe ik leven moet. Had ik maar een vriend die van me houdt en me helpt.
Zodra ik zelf in de spotlights kom sluit ik me in mijn toren op. Buiten mijn paar naaste vriendinnen, ziet men mij als afstandelijk en streng, begrijpen me vaak niet. Ze zeggen dat ik intelligent ben, maar dat is een koel soort compliment. Is dat eigenlijk wel een compliment? Ik wil horen dat ik lief ben, dat zegt niemand tegen me. Anderzijds, weet ik dat ik raar kan reageren op hartelijkheid en warmte omdat ik bang ben dat ik dan ga huilen, liever dan dat zeg ik iets geks of word boos.
********************
FILIP
Het was feest in de stad, Koninginnedag. Een gezellige dag om uit te gaan en dat deed ze ook. Met Lena liep ze door de straten met alle kraampjes vol snuisterijen, bij de boeken en grammofoonplaten bleven ze lang kijken of er wat voor hen bij was, of iets leuks voor hun kamer. Frida kocht een pocket van John Steinbeck, haar lievelingsschrijver en Lena kocht een single van Eartha Kit. Er klonk muziek en er gingen optochten voorbij. Iedereen leek blij, maar Frida voelde zich bedrukt. Straks zou Lena naar Steven gaan en dan was ze weer alleen, ze wist niet waar ze het dan in deze gezelligheid moest zoeken. Ze besloten nog samen koffie te drinken bij Albert’s Corner, maar het was overvol, dan maar naar Rutex, ook stikdruk maar toevallig kwamen er twee plaatsen vrij. Tegenover hen zat een jongeman de krant te lezen. Ze bestelden thee met appeltaart, door de drukte moesten ze er lang op wachten. Op de voorpagina van de krant stond een foto van Kees Verkerk en Ard Schenk, daarover kwamen ze te praten met de jongeman tegenover hen, die vond Verkerk beter dan Schenk maar Frida vond Ard Schenk knapper. Lena had geen voorkeur en maakte aanstalten om te vertrekken zodat ze de trein van vijf uur kon halen. Frida liet haar gaan en bleef praten met Filip, want zo stelde hij zich even later voor. Ze wist niet wat ze van hem denken moest. Niet het type waar ze op viel. Een relaxed rustig persoon, die zelf niet zoveel sprak maar goed naar haar luisterde en niet flirtte. Ze keek naar zijn handen, lange dunne vingers, net als zijn lijf. Wat voor werk zou hij doen?
Gaandeweg het gesprek vroeg Frida wat hij deed en hoorde dat hij horlogemaker was. Hij zag er een tikje modieus uit maar ook wat slordig, hij had van die zwarte glimmende puntschoenen aan. Die vielen haar op omdat ze gehoord had dat dat homoschoenen waren. Volgens Frida was dat onzin want ze geloofde helemaal niet in homofilie. Ja, ze had wel gehoord dat er mannen waren die het met mannen deden zoals er vrouwen waren die dat met elkaar deden, maar dat zag ze als een perverse keuze die tegen de menselijke natuur inging. Misschien hadden die mannen al zoveel ervaring met vrouwen opgedaan dat ze iets nieuws wilden uitproberen, gewoon oversekst omdat ze tegenwoordig dachten dat alles geoorloofd was. Bij vrouwen, dacht Frida, kon het zo zijn dat ze wellicht geen vriend konden krijgen en dat die seks uit nood geboren was. Zij kon zich daar niets bij voorstellen. Het idee dat ze intiem zou zijn met een vrouw, vreselijk! Dat er mannen waren die een man boven een vrouw verkozen ervoer ze bijna als een persoonlijke belediging. De laatste tijd stond deze afwijking nogal in de belangstelling omdat verschillende schrijvers en kunstenaars openlijk voor hun geaardheid waren uitgekomen. Dat gaf veel discussie en afkeuring in kerkelijke kringen, het was een afwijking waar niet aan toegegeven mocht worden.
Toen het tijd werd om weg te gaan vroeg Filip: “Heb je zin om met me naar een film te gaan”. “Dat lijkt me leuk, want ik heb geen plannen voor vanavond”, zei Frida die hem best graag beter wilde leren kennen. Toen ze even later bij hem achter op de fiets zat, vroeg ze langs haar neus weg: “Heb je broers of zusters en wat doet je vader voor werk?” Frida wilde weten of hij mogelijk een vriend zou kunnen worden waar ze mee thuis kon komen. “Mijn vader is ook horlogemaker en hij geeft orgellessen. Zondags is hij organist in de kerk”, antwoordde Filip. Het kon niet beter,
Frida’s hart maakte een sprongetje: “Mijn ouders zijn gereformeerd en stemmen op de AR”. “Mijn ouders ook”, zei Filip.
In de hal van de bioscoop, toen ze hun jassen afgaven, werd ze aangesproken door Vincent, een student theologie. Hij kwam op haar af: “Dag Frida, wat leuk dat ik je hier zie, hoe gaat het met je?” Hij wilde een praatje maken. Frida had hem ooit ontmoet op een studentenavond en vond hem leuk, het speet haar nu dat hij zag dat ze met Filip was, want Vincent trok haar veel meer aan als man.
Even later keken Filip en Frida samen naar een film waar Frida niets aan vond omdat haar gedachten uitgingen naar Filip die naast haar zat. Hij keek wel met aandacht naar de film. Frida draaide wat op haar stoel en ja, hij pakte haar hand, maar het voelde vreemd. Filip zwaaide op en neer met haar onderarm, alsof hij een tennisracket hanteerde, niet leuk. Na afloop dronken ze wat in het American, er werd gehost en gedanst, het was een vrolijke boel met veel oranje en volksliedjes vanwege Koninginnedag.
Het was of de duvel ermee speelde want even later kwam uit de hossende rij de broer van Linda op haar af, uit de tijd dat ze op de mulo zat. Hij deed heel enthousiast: “Hallo Frida, lange tijd niet gezien, kom feest met ons mee”. Frida wist niet goed raad met de situatie en liet het spijtig afweten. Zo jammer, dacht ze, juist nu ik met deze nog onbekende weinig spraakzame Filip ben, kom ik nota bene twee aardige jongemannen tegen waar ik best in geinteresseerd zou zijn. Dat gebeurt anders nooit. Wat zal Filip er wel van denken?
Filip dacht niet zoveel en zei niet veel. Frida hield het gesprek gaande, voor haar was dat geen moeite. Ze wilde vooral veel weten over de achtergrond van Filip, zijn familie, zijn ontwikkeling.
“Geloof jij zelf ook?” wilde Frida weten, “Ik weet het niet, ik ben er niet mee bezig omdat ik twijfel aan de waarheid ervan. Over geloofszaken en veel andere dingen denk ik anders dan mijn vader”, zei Filip. “Praten jullie daar dan wel eens over?”. “Nee”, antwoordde Filip, “ik ga al bijna twee jaar niet naar huis”.
Dat beviel Frida niet zo, ze wilde geen jongen met een familieprobleem, dat zou moeder ook te denken geven en ik wil gewoon bij hem thuis kunnen komen, dacht Frida terwijl ze hem nog amper kende.
Filip zou haar naar haar kamer brengen en riep een taxi. “Waarom neem je nu een taxi”? vroeg Frida hoogst verbaasd, “Dat is toch nergens voor nodig en zonde van het geld”. Ik heb geen zin om te fietsen, die haal ik morgen wel weer op”, zei Filip. Een taxi! Was hij gek geworden, ze ging veel liever op de fiets. “Ik neem nooit, nooit een taxi, veel te duur””, liet Frida weten. Filip moest niet denken dat hij hiermee een goede beurt maakte, integendeel. Overigens was het wel een bijzondere avond, hij was beslist aardig en netjes, ze kon hem niet zomaar laten schieten. Hij kuste haar niet bij de deur maar wilde graag weer een afspraak.
Vanaf die tijd zagen ze elkaar geregeld en Frida voelde zich er veilig bij maar het was wel heel anders dan ze gewend was. Ze was ook erg benieuwd hoe Lena, Eva en haar familie op hem zouden reageren, maar zo ver was het nog niet.
********************
Frida werd erg in beslag genomen door haar werk en bezocht trouw de bijbelkring. Peter liet merken haar leuk te vinden, zocht haar aandacht en contact. Dan voelde ze een diepe doffe pijn om iets dat ze hevig verlangde en wat niet kon zijn. Daar wilde ze niet te lang bij stil staan, ze moest dankbaar zijn voor al het goede dat ze wel kreeg. Was Filip niet op haar weg gekomen? Dat vertelde ze niet op de kring.
Ze genoot van het samenwonen met Lena. Met Lena was het erg gezellig en ze hadden veel pret, aan lachen geen gebrek. Samen met Filip waren ze bij Eva geweest om de verjaardag van Eva en Frida te vieren. Het werd een vrolijke feestelijke avond, Filip was grappig geweest en dat viel in goede aarde bij het gezelschap. De vorige avond, in de bioscoop, had hij opeens haar hand gepakt en een armband om haar pols gedaan. Het bleek een prachtig zilveren band met onyx ingezette dierenriemtekens, een cadeau voor haar verjaardag. Het verraste Frida zeer, het deed haar meer dan goed zoiets moois te krijgen.
Ze merkte dat het Filip ernst was met haar maar ze verbaasde zich over zijn koele afstandelijke houding. Hij flirtte niet en vree niet, hoe ze hem ook uitdaagde. Maar ze begreep dat hij daar niet op uit was, dat het om haarzelf ging. Hij was daarom des te betrouwbaarder, dit was echte liefde. Bovendien was hij altijd in een goed humeur en optimistisch, dat had ze nodig. Ze was niet verliefd en voelde niet wat ze bij Mark had gevoeld, om van haar verliefdheid op Leendert maar niet te spreken, zelfs bij Peter voelde ze al die prettige spanning waar ze tevens bang voor was.
Ze had het jammer gevonden toen Lena een vriend kreeg en hoopte dat het uit zou gaan want hij was vaak onaardig tegen Frida, met zijn zogenaamde woordgrappen en neerbuigende opmerkingen die zijn kritiek verhulden en waar Frida geen weerwoord op wist te geven. Hij was tegen Lena ook niet vleiend over haar uiterlijk en kleding. Lena droeg altijd broeken omdat ze een hekel had aan rokken, maar Steven wilde dat ze vaker een rok ging dragen en kousen. Lena had niet eens een jarretel. Hij hield van keurig geklede mms-meisjes van goede familie. Frida vond dat naar voor Lena maar durfde er niets van te zeggen. Ze hadden elkaar altijd gerespecteerd in hun persoonlijke keuzes en ze had geen recht op Lena. Wel was ze blij voor Lena dat Steven uit een heel gelovig gezin kwam, want Frida wilde zo graag dat Lena zou gaan geloven. Hetty, zus van Steven zou zelfs in een protestants klooster intreden. Hetty zat ook op de bijbelkring. Ze was heel serieus en stijf in haar Bonnetterie plooirok met twinset, witte sokjes en molières. Toen Frida eens aan het woord was, zag ze vanuit haar ooghoek dat Hetty minzaam glimlachte en knikte naar de anderen alsof ze zeggen wilde: “Laat haar maar even praten, straks pakken wij de draad wel weer op”. Frida vroeg zich wel af waarom Hetty zo neerbuigend tegen haar deed, net als haar broer, maar liet zich niet uit het veld slaan. Als mensen zo tegen haar deden kon ze recalcitrant worden. Dan gooide ze de knuppel in het hoenderhok door provocerende uitlatingen. Een andere veel voorkomende reactie was dat Frida in elkaar kromp en afdroop. In dit geval liet ze zich gelden omdat ze steun voelde van Peter.
Frida begreep niet waarom ze het gevoel had dat ze Filip reeds trouw moest blijven. Peter was ook gelovig en zou thuis zeker geaccepteerd worden. Toch durfde ze niet op zijn avances in te gaan.
Hij moest eens weten wie ze echt was. Zo’n aardige knappe jongen had zij toch niets te bieden. Het maakte haar eenzaam en verdrietig dat zij geen liefdesrelatie kon aangaan met Peter. Hij verdiende een beter meisje en zij had toch Filip?
********************
Op een ochtend was Lena misselijk en moest overgeven. “Wat is er aan de hand Lena, ben je ziek?” “Nee dat niet, ik ben al een paar weken over tijd en ik ben bang dat ik zwanger ben”.
Frida schrok er behoorlijk van want dat had ze nu helemaal niet van Lena verwacht, eerder dat het haar gebeurd zou zijn. Hun samenwonen kwam op de schop want Lena zou dan zeker gaan trouwen. “Weet Steven er al van?” “Ja, ik heb het hem afgelopen weekend verteld”. “Hoe reageerde hij?”, wilde Frida weten. “Nou, hij schrok er ook erg van, vooral ook om het aan zijn ouders te vertellen”. “Erg voor je Lena, nu moet je gauw trouwen, denk je niet?” “Dat zit er wel in maar ik ga nu eerst naar de dokter om zekerheid te krijgen”. Een paar weken later hoorde Frida dat Lena inderdaad met Steven zou trouwen.
De ouders van Steven vonden dat dat zo snel mogelijk moest gebeuren, want een kind krijgen zonder getrouwd te zijn was een schande. Seks voor het huwelijk was taboe. Toen Suze hoorde dat Lena moest trouwen schrok ze erg: “Dat ze dat gedaan hebben, ik zou niet durven”, was haar reactie. Daaruit begreep Frida dat zij en Cor zover niet gingen terwijl ze toch al een paar jaar verkering hadden.
Frida vond het heel erg dat Lena haar nu ging verlaten en dat zij dan ook van deze grote kamer af moest want die kon ze niet alleen betalen.
Vanaf die tijd veranderde er veel in sneltreinvaart. Lena en Steven trouwden toen Lena drie maanden in verwachting was. Toen Lena vroeg: “Frida wil je mijn getuige zijn?”, voelde Frida zich vereerd en blij want ze hield echt van Lena. Wat zou ze haar missen. Filip was niet uitgenodigd, ze kenden hem nog niet goed en de verkering was pril.
De bruiloft ging helemaal conform de regels en wensen van de ouders van Steven. Een witte lange bruidsjurk, stadhuis en kerk, daarna receptie en diner met toespraken van familie en vrienden. Frida had niets voorbereid in die zin maar meende dat ze toch echt iets moest zeggen voor haar beste vriendin en stond op. Alle ogen waren op haar gericht: “Lieve Lena”, begon ze “O ja en ook Steven natuurlijk”, wat een vreselijk begin, wat moest ze zeggen? Frida voelde hoe haar kaken samentrokken en rare bewegingen maakten. “Ik hoop dat jullie samen gelukkig mogen worden….”, had ze verder niets meer te zeggen? O zeker wel: “Je hè.. hebt een hè.. gelovige man gekregen, Lena, daar ben ik blij om”, kwam er wat hakkelend uit. “Dat Gods zegen op jullie verbintenis mag rusten is het allerbelangrijkste”, Frida stond zo heftig te trillen en besloot met: “Meer weet ik niet, veel geluk”, en ging snel zitten. O, wat ging dat ongelukkig, hadden de mensen gezien dat ze zo trilde? Ze wist niet wat ze eigenlijk gezegd had, herinnerde zich alleen dat haar kaken klem leken te zitten en dat haar mond raar vertrok. Ze schaamde zich en meende gezien te hebben dat het gezelschap wat toegeeflijk naar haar glimlachte.
Lena kwam niet meer terug op hun kamer en Frida verhuisde naar een klein kamertje op dezelfde zolder.
********************
Ze ging nu veel met Filip om en ze zou de omgang met Mark stopzetten, een beetje spijtig want hij was lief voor haar en ze zou zijn kussen en zijn verliefdheid missen. Filip kuste en vree niet, toch voelde ze een zekere veiligheid en vastigheid, ze verbood zichzelf nog andere relaties aan te gaan. Oom Kees bleef het toch nog proberen maar ze voelde zich nu sterk genoeg om hem af te wijzen. Ze kon Filip niet bedriegen, die nam haar vaak mee uit, echter nooit naar vrienden of kennissen van hem, meestal naar de bioscoop of naar een uitgaansgelegenheid. Liever leerde Frida zijn vrienden kennen zoals zij hem wel voorstelde aan haar vriendinnen. Langzaamaan merkte ze dat hij eigenlijk nogal eenzaam was en helemaal geen vrienden bleek te hebben. Hij had altijd tijd voor haar en gaf haar alle ruimte om te doen wat ze wilde, claimde haar niet en luisterde geinteresseerd naar haar verhalen. Alles kon ze bij hem kwijt, hij vond niets gek. Ze vond het wel raar dat hij graag naar de wallen ging om uit te gaan, zij kwam daar nooit. Hij vertelde eens: “Er gebeuren rare dingen in die openbare toiletten op straat”. Frida begreep niet waar hij het over had: “Wat bedoel je, waar?” “Hier in die pieshokken sta je naast elkaar te plassen”, zei Filip. “Wat voor geks is daar aan?” Filip ging dan niet verder op haar vraag in. Hij ging graag naar een vast café waar hij de uitbater kende, dan zaten ze aan de bar te praten en braadde de man de lekkerste gehaktballen van heel Amsterdam, volgens Filip. Frida zat er wat verloren naast want Filip was dan geanimeerd met de uitbater aan het praten en gaf haar weinig aandacht. Er liepen meisjes in- en uit, het bleken hoertjes, ze begonnen een praatje met Frida alsof zij één van hen was: “Weet je, ik werk voor mezelf, vroeger had ik een pooier, maar die buitte me uit. Dus meid, ga nooit voor een pooier werken”. Frida wist niet hoe ze had, ze was toch met haar vriend Filip? Wat dachten ze wel. Ze vertelde het aan Filip en hij lachte: “Natuurlijk, schat, ik weet heus wel dat jij niet zo bent, ik wilde je gewoon laten zien hoe het hier toe gaat en dat hier ook aardige mensen wonen”. Ja, dat was waar.
Frida was elke keer weer verbaasd over zijn opgewektheid, zijn nonchalance en de flair waarmee hij zijn plannen aanpakte. Alles scheen hem te lukken, niets verontrustte hem, ze pakte graag een graantje van zijn zelfverzekerdheid mee waardoor ze zich sterker voelde in zijn nabijheid.
Natuurlijk miste ze Lena heel erg en ze schreef veel brieven maar de natuurlijke openheid en vertrouwdheid werd minder, daar stond Steven tussen. Als Frida naar Lena toeging kregen ze al gauw weer een lachbui om iets, maar dat irriteerde Steven, hij kon daaraan niet meedoen, begreep niet wat er nu zo grappig was en bedierf het bezoek door rot opmerkingen, vooral richting Frida. Lena had het er moeilijk mee maar ze kon hem niet afvallen, ze was met hem getrouwd, ze leek veel in te leveren en te slikken om het goed te houden met Steven.
Frida voelde zich wel in de steek gelaten maar begreep dat Lena weinig keus had. Het was niet anders en Frida was wel gewend aan teleurstelling en afwijzing. Ze hechtte zich des te sterker aan Filip maar bleef het vreemd vinden dat ze hem niet kon verleiden, het was ook pijnlijk dat hij daar doof en blind voor was. Ze was toch echt een meisje met veel sex-appeal, daar toonde hij zijn interesse niet voor hoewel hij haar wel mooi vond. Hij toonde meer interesse voor haar gespreksonderwerpen over kunst, boeken, muziek en ook over het geloof, haar stokpaardje. Ze was wel geschrokken van zijn ongezellige, kale rommelige kamer toen ze hem daar eens ophaalde. Hij gooide, toen ze op zijn bed zat te wachten tot hij klaar was om mee te gaan, opeens een stapel foto’s in haar schoot.
Nietsvermoedend begon ze te kijken, menende dat het familiekiekjes waren, maar ze wist eerst niet wat ze zag, het bleken pornofoto’s. Frida verstijfde van schrik want zulke foto’s had ze nog nooit gezien, porno was verboden en zelfs strafbaar. Ze vond het afzichtelijk en walgelijk, het betrof geen softe seks, geen mooie blote vrouwen maar harde porno met de rare voorstellingen. ook in groepsverband, zelfs met een hond erbij. Ze had ooit wel eens van een orgie gehoord, dat zou groepsseks betreffen. Er ging een heel verlammend raar gevoel door haar heen, ze wist niet hoe te reageren. Hoe kon deze aardige jongeman dit boeien? Ze begreep er niets van en wilde hem ook niet kwetsen of beledigen. Ze zuchtte in zichzelf en dacht: ja Frida zulke dingen bestaan ook in de wereld, probeer dat maar te begrijpen, je wil toch altijd alles begrijpen? Tegen Filip zei ze: “Hoe kom je hieraan, vreselijk, ik hoef ze niet te zien, berg ze maar gauw weg of gooi ze weg, wat heb je hier aan?” “Ik heb ze gekregen, geef er ook niet om. Laten we gaan”, was alles wat Filip zei.
Ze was aangeslagen en bezorgd om Filip. Hij had nu kaartjes voor een film gekocht waar ze geen zin in had want het was weer zo’n enge film van Fellini of Polanski. Daar hield hij van en hij wist dat Frida daar bang van werd, toch koos hij altijd weer die enge films uit. In de donkere intimiteit van de bioscoopzaal hoopte Frida iedere keer weer dat hij vrijlustig zou worden, maar dat gebeurde niet. Hoe ze hem ook uitdaagde, verleidde, hij scheen het niet in de gaten te hebben, meer dan een arm om haar heen en soms iets wat een kus moest voorstellen gebeurde er niet. Bovendien waren die kussen op haar mond raar en naar. Niet zoals zij wilde kussen, dat stond hij niet toe.
Maar ze wilde toch ook niet dat ze nodig was om de seks? Ze wilde echte zuivere liefde, om haarzelf, seks was egoïstisch en maakte meer kapot dan haar lief was. Waarom schaamde ze zich zo voor haar seksuele gevoelens? Dat ze zo verlangde om te vrijen maar dat niet durfde zeggen, laat staan te vragen? Ze kon zich toch niet laten kennen om dan openlijk afgewezen te worden? Ik verdien geen mooie liefde, dacht Frida treurig.
Toch bleef ze Filip uitdagen want vrijen hoorde toch bij een verkering? Hij zal toch net als ieder mens daar behoefte aan hebben? Maar als Filip niet op haar avances inging, deed ze net of ze dat normaal vond, liet nooit haar gevoelens zien, liet niet blijken dat ze zich afgewezen en gekwetst voelde. Ze moest dit ook maar begrijpen want Filip was eenzaam en wellicht overgevoelig. Zijn moeder was namelijk overleden toen hij dertien jaar was. Dat moest een klap zijn geweest. Hij had haar, Frida, nodig, dat voelde ze heel sterk en ze was ook zeker van zijn trouw aan haar. Frida voelde zich sterker en veiliger sinds ze met Filip was. Ze moest meer blij zijn om zijn mooie eigenschappen, zijn positiviteit en vrolijkheid, hij lachte elk probleem weg. Ze waren elkaars gelijke tegenpolen.
********************
Dat voorjaar en die zomer gingen ze veel met elkaar om. Filip maakte nergens een probleem van, was makkelijk en gul, betaalde altijd de consumpties en kaartjes voor de bioscoop. Ze waren bijna nooit bij elkaar op de kamer, altijd ergens in de stad. Filip was door zijn hospita uit zijn kamer gezet en had nu een kamertje dichter bij Frida in de buurt.
Waarom hij van z’n andere kamer af moest, die veel groter was, kreeg Frida niet te horen.
Filip werkte in een chique Horlogerie in de Kalverstraat. Daar haalde Frida hem wel eens af. Ze maakte kennis met zijn collega horlogemaker die weinig interesse voor haar toonde. “Er zitten vreemde gasten onder horlogemakers”, zei Filip. “Hoezo, wat bedoel je daarmee?”, wilde Frida weten. “Nou, gewoon mannen met andere ideeën, anders”. “Hoe anders dan? ”Frida begreep niet wat hij wilde zeggen. Hij sneed vaker iets aan maar verduidelijkte zich vervolgens niet. Daar liet hij haar naar raden. Waarom zegt hij niet gewoon wat hij denkt?, vroeg Frida zich af.
Als hij klaar was gingen ze samen ergens eten, niet duur want zoveel geld had Filip ook niet te besteden en daarna naar een film of café. Frida had altijd veel te vertellen over haarzelf, haar leven, over alles wat ze had meegemaakt. Aan Filip kon ze letterlijk alles kwijt. Dat had ze met andere jongens nooit zo beleefd, dan had ze zich ingedekt, angst gevoeld. Bij Filip leek niets gek of vreemd, hij luisterde wel en Frida voelde zich volledig geaccepteerd. Ze vertelde ook over al haar losse contacten en dat ze dat nooit meer zou doen.
Filip vond het helemaal niet erg, integendeel: “Ik vind het juist wel goed en fijn dat je die ervaring hebt, ik heb ruime opvattingen op dat gebied”. “Volgens mij vinden mannen het niet leuk als hun meisje meerdere vriendjes heeft gehad, ‘een afgelikte boterham’ noemen ze dat”, zei Frida. “Zo zie ik je niet hoor, Frida, ik vind je klasse”, echt waar”.
“Maar jij dan, Filip, je vertelt haast niets over jezelf, heb jij al eens een meisje gehad?” “Ik heb wel eens verkering gehad met een meisje toen ik nog bij m’n tante woonde. Dat heeft niet lang geduurd”.
Ze wilde natuurlijk alles over dat meisje weten en waarom dat was uitgegaan, maar Filip wilde er niet veel over kwijt, zoals hij nergens veel over kwijt wilde. “Wie heeft het uitgemaakt?”, vroeg Frida nieuwsgierig. “Zij ging in de verpleging en met haar verhuizing maakte ze het uit”, was alles wat Filip erover zei.
Frida kon er zich wel iets bij voorstellen, want als je echt wil kussen en vrijen, meer aandacht voor je lijf en persoon wil hebben, dan schoot Filip wel tekort. Ze voelde zich vaak wat verloren bij hem en moest altijd zelf om aandacht vragen. Hij gaf dat ook wel maar altijd andere aandacht dan die ze verlangde. Ze wilde begeerd worden en dat leek Flip niet te begrijpen.
Niettemin was Frida van mening dat dat meisje niet verder had gekeken dan haar neus lang was, ze had al die andere mooie eigenschappen van Filip onderschat.
********************
Haar werk op kantoor was best zwaar. Ze wist nooit tevoren hoe ze de heren zou aantreffen. De sfeer was soms wel gespannen. Kas ging meestal op reis voor taxaties en de oude baas vroeg zoveel aandacht dat Frida niet aan haar typwerk toekwam. Gelukkig kon ze nu wel goed typen maar het bleef lastig om zonder één foutje de rapporten af te maken. Die moesten er uit zien als ware het drukwerk, een origineel en vijf doordrukken die leesbaar moesten zijn.
In de eerste week dat Frida daar werkte hadden de heren kennisgemaakt met Mark die haar kwam afhalen. Een paar weken later zagen ze Filip die haar kwam afhalen. Frida schaamde zich rot: ze zullen denken dat ik met allerlei jongens omga en me een slet vinden, dacht ze. Kas vroeg: “Is dat dezelfde jongen als die wij daarvoor zagen?”
“Ja”, loog Frida in de hoop dat hij haar geloven zou.
Met Mark had ze er nu definitief een eind aan gemaakt en gezegd dat ze nu een vaste vriend had. O, die laatste kus van Mark leek wel heerlijker dan alle eerdere kussen. Of voelde dat zo door gebrek aan intimiteit met Filip? Mark vond het heel jammer maar had al begrepen dat ze het niet meer zag zitten na de ontmoeting met haar ouders.
Deze beslissing gaf haar rust en nu kon ze zich beter concentreren op haar werk.
Haar kantoor lag aan de achterkant van de benedenverdieping van het herenhuis, de oude baas had zijn kantoor aan de voorkant. De twee kamers werden gescheiden door dichte en gesloten schuifdeuren met aan weerszijden kasten.
Het kwam voor dat de baas wegging zonder iets te zeggen. Dan deed hij de deur van zijn kantoor op slot en kon Frida zijn telefoon niet opnemen, noch in zijn agenda zien welke afspraken er gemaakt waren en ook niet bij informatie komen die ze nodig had voor de klant die belde met een vraag.
Dan kroop ze door de verbindingskast naast de schuifdeur, ordners konden opzij worden geschoven, om zo in zijn kantoor te komen om haar werk te kunnen doen. Een raar gezicht als ze zo door de kast klauterde maar dat zag niemand. In de keuken zette ze koffie, er was een buitendeur naar de tuin waar ze wel eens haar boterham opat en een sigaret rookte.
Op de bovenverdieping woonde een andere zoon, de oude baas had vijf zonen en één dochter. Deze Rob was begin veertig jaar, een eenzame trieste figuur zonder werk, hij sloop als een geslagen hond door het huis. Het gebeurde wel dat Frida in de keuken bezig was, dat hij opeens achter haar stond om iets te halen. Dan slaakte ze een gilletje van schrik. “Het spijt me, neem me niet kwalijk, ik wilde je niet laten schrikken”, zei hij dan zacht en schuldbewust. Frida had wel een beetje medelijden met hem, ze dacht dat Rob zo in de kreukels kon zijn gekomen door zijn vreselijke strenge en zelfingenomen vader die zich boven alle wetten waande.
********************
Frida bleef trouw naar de bijbelkring gaan, zonder Filip en ze sprak ook niet over hem. Zo zeker was ze tenslotte niet van haarzelf. Eigenlijk begreep ze zelf niet waarom ze zich tot Filip aangetrokken voelde. Ze was duidelijk niet verliefd maar wenste het wellicht te worden. Waarom deed ze anders zo haar best hem te binden? Omdat hij anders was dan andere jongens die ze gekend had? Omdat ze met hem thuis kon komen? Omdat hij haar ‘klasse’ vond en niet uit was op seks met haar? Omdat ze zich veilig bij hem voelde? Omdat hij zich niet door haar liet verleiden? Hij was haar duidelijk de baas, dat wilde ze ook, maar anders.
Frida stelde zichzelf veel vragen die ze overigens niet met Filip kon bespreken hoewel ze dat wel probeerde. “Hoe denk jij over seks voor het huwelijk?” Zijn antwoord bleef oppervlakkig: “Volgens mijn opvoeding mag dat niet, maar ik heb daar geen mening over”. “Ik vind eigenlijk ook dat het niet hoort voor het huwelijk”, zei Frida terwijl ze dacht aan haar talloze vrijpartijen. Dat nam ze zichzelf wel kwalijk. Ze moest soms denken aan wat ze in het Hooglied had gelezen: “Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet, vóórdat het haar behaagt”. Was dat bij haar het geval? Zou ze gestraft worden voor haar gedrag?
Ze durfde Filip niet openlijk te vragen of hij met haar vrijen wilde, daarvoor schaamde ze zich en doodsbenauwd dat ze haar gevoelens zou prijsgeven om vervolgens afgewezen te worden. Stel je voor, zoiets moet toch natuurlijk gaan. Als je van elkaar houdt begeer je elkaar ook lichaamlijk. Frida wilde weten waar ze aan toe was, hoe het zat met Filip. Zo gebeurde het op een avond dat Filip haar naar haar kamer bracht, dat ze haar sleutel zogenaamd was vergeten en de deur niet in kon. “Hoe lossen we dit op, ik moet toch ergens slapen”, vroeg Frida aan Filip.
“Bij mij gaat niet, ik mag absoluut geen vrouwenbezoek meenemen”. “Dan gaan we samen maar naar een hotelletje”, zei Frida. “Maar in een hotel kunnen we niet samen een kamer krijgen als we niet getrouwd zijn, bovendien moeten we ons paspoort overhandigen”, wist Filip. “Dan gaan we naar jouw café waar jij de uitbater van kent, die zal ons zeker helpen”. Dat leek Filip ook de beste oplossing.
De uitbater had een kamertje met twee éénpersoonsbedden. “Dat komt goed uit, zei Frida schijnheilig. Ze wilde dat Filip en de uitbater er goed van doordrongen waren dat ze een ‘net’ meisje was en dit gebeurde vanwege de vergeten sleutel, niet om een goedkope vrijpartij. Het was een akelig ongezellig groezelig kamertje.
Toen ze in bed lagen, lag Frida in het donker te staren wachtend op het moment dat Flip bij haar in bed zou kruipen. Maar er gebeurde niets. “Slaap je al?, vroeg ze. “Bijna”. “Waarom kom je niet even bij me liggen?” “Een andere keer, ik moet morgen vroeg op en het is al laat”, hoorde ze Filip zeggen. Frida zuchtte zacht en lag op haar rug naar het plafond te staren waar lichtbanen over gleden van het verkeer buiten. Plotseling, wel een half uur later, zat Filip opeens bovenop haar hoofd en voelde ze zijn stijve penis langs haar wang glijden. Ze schrok: “Wat doe je nu, wat wil je, doe normaal”. Zo plotseling als hij kwam was hij ook weer terug in zijn bed. “Je mag wel bij me komen liggen”, probeerde Frida de situatie te redden. Maar hij liet zich niet meer horen.
De volgende ochtend stonden ze zich stilletjes aan te kleden. Frida dacht ‘dit kan niet, ik moet het uitmaken, dit wil ik niet, dit is abnormaal’, ze sprak zich uit: “Filip, ik maak het uit, dit gaat echt niets worden tussen ons”.
Filip zat verslagen op het bed en sloeg zijn armen om haar bovenbenen: “Dat vind ik erg, ik heb je nodig, Frida, probeer het nog met mij, ik hou echt van je”. ”Maar zoals je vannacht deed, dat kan toch niet op zo’n manier?”
“We kennen elkaar nog kort, dat komt vanzelf wel goed”. Frida wist niet wat te doen, maar zijn armen om haar bovenbenen en zijn hoofd tegen haar billen voelde wel prettig en normaal. Ze was erg bang dat ze weer alleen kwam te staan. “Ik wil je niet missen, Frida, toe”, smeekte Filip.
Frida keek naar buiten, zag alleen de grijze lucht en hoorde het verkeer. Het raam was vuil, vol spinnenrag en de kozijnen verrot. Ze nam een diepe zucht en een cruciaal besluit, in gedachten hoorde ze zichzelf zeggen ‘dit is het dan, hier moet ik het mee doen, hij heeft me nodig en ik moet dankbaar zijn dat deze man mij wil hebben. Meer is er niet voor mij. De treurigheid die over haar kwam, schudde ze snel van zich af. Het zou wel goed komen, aan haar zou het niet liggen. Misschien had ze te weinig geduld. “Het is goed Filip, we gaan er wel wat van maken”.
********************
Het volgende weekend hadden ze afgesproken dat Filip zich zou voorstellen aan de ouders van Frida. Daar zag ze wel naar uit. Het feit dat Filip dit ook wilde was toch een zeker teken dat hij echt met haar verder wilde. Frida vond het best spannend en was erg benieuwd naar vooral moeders reactie, maar ook naar die van de anderen. Daar hing veel, zo niet alles vanaf. Als ze deze vriend accepteerden, accepteerden ze in wezen ook haar en hoorde ze toch bij haar familie. Althans zo voelde Frida dat. Dan was ze net als de anderen en zou ze geen buitenbeentje meer zijn.
Alleen Suze, Rita, Bart en Anja woonden nog thuis. Gerrit werkte als boekhouder op een administratiekantoor en woonde in Hilversum op een kamer, hij had geen verkering voor zover Frida wist. Hij zou wat vlotter moeten doen in plaats van zo stijf, streng en gesloten. Joke en Herman waren getrouwd. Gerrit en Frida kwamen af en toe een weekend naar huis. Ze kregen dan vaak weer ruzie door ergernis aan elkaar. Gerrit was bijna altijd chagrijnig en reageerde zich dan vooral op Frida af die niets goed kon doen in zijn ogen.
Filip zou alleen de zondag een bezoek brengen terwijl Frida zaterdag al naar huis ging. Ze konden dan zondags samen terug naar Amsterdam.
Zoals Frida al vermoedde was moeder werkelijk gecharmeerd van Filip, hij kon ook vaders goedkeuring wegdragen. Frida was trots op Filips vlotte opgewekte gedrag, het gemak waarmee hij met haar zussen omging en pret maakte met Rita. Nu zal alles beter gaan, dacht Frida, met Filip kan ik voor de dag komen en ben ik veilig. Wel vroeg ze zich af: ‘Stel dat ik moeder nu eens vertel van de pornofoto’s en boeken? Maar het was onmogelijk over die zaken te spreken en ze kon Filip, haar vriend, toch niet te kijk zetten? Dat zou haarzelf ook raken. Bovendien verwachtte ze van moeder enkel onwetendheid op dat gebied. Waarschijnlijk zou moeder zeggen dat zij, Frida, weer raar deed en problemen zocht. Nog nooit had moeder haar serieus genomen. Over zulke dingen kon ze ook niet met haar zussen praten. Niemand deed dat.
Overigens was het thuis wel goed geregeld, het was er schoon, opgeruimd en netjes. Alles ging op tijd en naar vaste gewoonten. Je wist waar je aan toe was, behoudens moeders stemmingen. Frida zou het later ook zo doen. Haar protest en verzet van vroeger had haar geen goed gebracht en ze bleek niet eens op eigen benen te kunnen staan. Aanpassen was toch het allerbeste. Met Filip zou dat gaan lukken, hij had haar nodig.
Een week na de kennismaking met haar ouders gingen ze met de trein naar Filips ouders. Frida vond het erg spannend, zocht warmte bij Flip en vroeg hem naast haar te komen zitten. Flip echter, die tegenover haar was gaan zitten, reageerde met gekkigheid en gestoei op haar vraag naar intimiteit. Hij heeft geen idee hoe ik me voel, dacht Frida teleurgesteld. Wat is er toch met hem aan de hand? Ze kreeg geen vat op hem. Enerzijds bewonderde ze hem enorm om zijn onverschrokkenheid, zijn opgewektheid, zijn zelfvertrouwen, om alles wat zij miste. Anderzijds was hij eenzaam, onderhield hij enkel oppervlakkige contacten. Ze voelde ook medelijden met hem. Waarom? Ze meende hem te moeten redden, maar waarvan? Hij was vriendelijk, meegaand, liet zich nooit op de kast jagen trok zich van niemand iets aan, werd nooit boos, maakte ook nooit ruzie, plaagde wel graag en wist anderen aan het lachen te maken. Frida was zo trots op hem, dat hij overal zo boven stond. Dat hij haar echter nauwelijks wilde aanraken en al haar pogingen tot intimiteit afwees, vond ze wel erg naar en raar. Ze moest genoegen nemen met wat kinderachtig gestoei waar ze helemaal niet van hield.
Waarschijnlijk is hij zo geworden door zijn opvoeding, het gemis van zijn moeder, de afwijzing door zijn vader die veel meer op had met zijn knappe broers. Flip had eens verteld dat zijn vader hem homo had genoemd. “Ik speelde met mijn vriendje op de slaapkamer van mijn ouders”, zei hij, “we stoeiden op het bed en zakten er doorheen. Mijn vader kwam op het lawaai af en maakte zich kwaad. Hij stuurde m’n vriend weg en noemde mij een homo. Ik wist niet eens wat dat was, we waren pas veertien jaar.” Flip vertelde het schamper lachend.
Zo erg voor hem, hoe kan een vader dat nu tegen zijn zoon zeggen, dacht Frida. Volgens haar bestond echte homofilie niet, dat was tegennatuurlijk, daar werd je niet mee geboren. Voor zover dat gepraktiseerd werd door sommige mannen, was het zondig. God had man en vrouw geschapen ‘gaat heen en vermenigvuldigt u’. Homo’s kunnen zich niet vermenigvuldigen. De bijbel is daar duidelijk over. Dat hield ze Flip ook voor en dat hij pas wilde vrijen als ze getrouwd waren, vond ze juist goed van hem. Zo was het hun geleerd. Frida voelde zich ook slecht dat ze zich zo had laten gaan voordat ze Flip kende. Dat zou ze nooit meer doen.
Zij vond Flip echt sterk en betrouwbaar. Andere jongens konden zo moeilijk doen, zo kinderachtig macho, wilden vaak gelijk hebben, vonden vrijen belangrijker dan praten. Aan Flip kon ze al haar gedachten over het leven kwijt, hij luisterde, gaf weinig commentaar, hij was het waarschijnlijk met haar eens want hij ging nooit tegen haar in. Ja, ze voelde zich vrij en veilig, ze kon gaan en staan waar ze wilde, Flip legde haar niets in de weg en vroeg ook niets van haar. Hij vond haar ‘klasse’ en zij vond hem zo ‘goed’.
Toen ze bij zijn vader en stiefmoeder aankwamen, bleek dat Flip helemaal geen afspraak had gemaakt en stonden zijn ouders voor een fait accompli. Z’n vader schudde z’n hoofd en z’n moeder wist niet waar ze Frida te slapen moest leggen: “Je broer is er ook, er is geen bed vrij”. “Dat is toch helemaal geen probleem”, opperde Flip, “ik ga bij Bertus liggen en Frida kan wel beneden in de kamer slapen”. Frida was het daar helemaal mee eens “Ik heb daar echt geen probleem mee en neem u niets kwalijk, ik dacht dat Filip verteld had dat ik meekwam”.
Het bezoek verliep wel wat stroef, maar Frida voelde wel dat deze mensen haar goed gezind waren. Ze gingen die zondag zelfs mee naar de kerk waar zijn vader het orgel bespeelde. Frida hoopte dat Flip om haar weer mee zou gaan naar de kerk en dan zou hij vast weer gaan geloven. Tenslotte bleef dat het belangrijkste voor Frida. Als ze samen echt in het geloof zouden gaan leven, zou alles goed komen. Daar was ze van overtuigd en die gedachte maakte haar al bij voorbaat gelukkig.
********************
Die zomer voelde Frida zich voor het eerst sinds lange tijd veilig, niet langer aan haar lot overgelaten. Niet meer zo wanhopig en geen angst meer om in de goot terecht te komen of in verkeerde handen. Zij had nu controle over haar situatie en regelde alles op haar manier. Haar gemis aan intiem contact met Flip duwde ze opzij, nam het haarzelf kwalijk dat ze nu nog niet echt tevreden was. Ze durfde dit met niemand te delen, ook niet met Lena, zo gênant om daar openlijk over te praten. Haar Flip moest de beste zijn en ze gaf hoog van hem op. Ze was veel vrijer dan menig andere vrouw, als ze zag hoe vaak andere mannen de baas speelden… nee, dat zou toch niets voor haar zijn. Wat zij voor Flip deed, was vrijwillig, hij dwong haar nooit ergens toe.
Flip had gevraagd of ze met hem mee wilde op vakantie naar Italië, daar woonde een neef met zijn vrouw aan het Gardameer. “Natuurlijk wil ik met je mee, lijkt me enig, ik ben nog nooit in Italië geweest, jij wel?” “Ja, ik ben er twee jaar terug geweest, het is er mooi en meestal warm. Leo en Tonny zijn heel aardig, je kan zeker met ze opschieten. We kunnen daar alle kanten op, een bergwandeling maken, zwemmen of een dag naar Milaan”.
Frida genoot al bij het vooruitzicht. Zij, met haar vriend naar Italië! Volgende maand al, voor ruim twee weken. Dan zou Flip wel meer aandacht voor haar hebben en romantischer zijn als ze zo lang samen waren. O, ze verlangde zo naar zijn liefde voor haar, dat hij haar zou begeren.
Het werd wel een mooie vakantie want het weer was warm en zonnig, heerlijk om te zwemmen in het meer. Frida voelde zich thuis bij Leo en Tonny, vooral met Tonny klikte het, ze konden over veel met elkaar praten. Dat miste ze met Flip, de dialoog, Flip luisterde en beaamde wat zij zei. Hij praatte oppervlakkig en wilde van alles ondernemen met Leo. Die twee haalden herinneringen op aan vroeger, Frida vond het zo fijn voor Flip, hij zou haar nu vast meer aandacht gaan geven.
Toen Frida in bed lag hoopte ze dat Flip bij haar zou komen, dan konden ze nog even samen zijn. Hij kwam niet en Frida kon niet slapen. Na middernacht sloop ze zelf uit bed en ging naar de kamer van Flip. Sliep hij of deed hij alsof? Ze probeerde naast hem te kruipen maar toen schrok hij wakker: “Dat kan je niet doen, dat willen ze hier niet hebben”. “Dat hoeven ze toch niet te merken, vind je het niet fijn om nog even bij elkaar te liggen?” “Dat wel, maar … het hoort niet en…” Flip stootte zijn wekkertje om, het viel op de grond. Ze schrokken er beide van.
Even later kwam Leo naar boven en liet weten dat hij niet wilde dat ze bij elkaar gingen slapen. Frida droop af naar haar eigen bed en verbaasde zich over Flip die altijd alles durfde, zich nergens aan stoorde maar nu zei: “Dat hoort niet”.
Maar hij had wel gelijk, ze schaamde zich voor haar gevoelens. Gelukkig scheen Flip dat niet in de gaten te hebben. Ze moest niets forceren, het moest vanzelf en spontaan komen. De volgende dag maakten ze een bergwandeling. Wat Frida ervan bijgebleven was, is dat ze naast, voor en achter Flip aanliep, hij genoot van het uitzicht, klom in bomen, brak takken en Frida maakte foto’s . Zij zag alleen hem, hij zag alles behalve haar. Soms kreeg ze een hand van hem, daar bleef het bij.
Flip huurde een auto voor een dag en wilde naar een hoge bergtop rijden. Een steile berg met veel scherpe haarspeldbochten. Spannend, met enige moeite bereikten ze de top want de auto vertoonde wat mankementen en kon de steile hellingen bijna niet nemen. Het was fantastisch om van zo’n hoogte over de aarde te kijken, al die bergen en diepe dalen. Die deden Frida denken aan het eind der tijden waarvan in de bijbel staat dat de mensen in hun benauwdheid zullen uitroepen: ‘Heuvelen bedekt ons en bergen valt op ons’. Het was zo indrukwekkend maar Flip wilde terugrijden, hij was niet zeker van de auto en mede daarom wilde hij op tijd beneden zijn. Het werd een helse tocht omdat Flip veel te hard reed en het als een sport of uitdaging zag zo hard mogelijk de haarspeldbochten te nemen.
Frida smeekte hem niet zo hard te rijden, dat ze hen al in het ravijn zag liggen: “Stop even”. Flip stopte de auto op een uitstekend puntje van een bocht, naast de weg. Het was er smal en er waren ook tegenliggers.
“Toe Flip, waarom doe je zo onverantwoordelijk, je rijdt als een gek, ik ben doodsbenauwd”. “Nee, schat, ik weet wat ik doe, niets aan de hand”. “Maar zie nou waar je de auto zet! Als ik hier uitstap val ik gelijk in het ravijn naast me, doodeng”. “Je ziet toch dat ik hier nergens kan stoppen, jij wilde dat ik stopte”. “Ja, maar niet op zo’n enge gevaarlijke punt, aan de bergwand zijn af en toe wel veilige plekken, kijk maar daar”, Frida wees naar een veiliger plaats in de verte. “Dit gaat ook goed, schatje, ik zal voorzichtig wegrijden en vertrouw me maar”.
Flip startte de oude auto, die vreemde geluiden maakte, en vervolgde de tocht. Hij kon het niet laten, bleef veel te hard rijden en trok zich weinig van Frida aan die stijf van angst naast hem zat, biddend dat ze de tocht mochten overleven. De motor van de auto begaf het toen ze onderaan de berg waren gekomen, hij schokte en pruttelde, wilde niet meer optrekken. “Wat nu?”. Frida vroeg het gelaten, ze begon er al aan te wennen dat er altijd wat gebeurde. “Geen nood, schat, dat los ik wel op, er is hier vlakbij een garage”, lachte Flip. Hoe is het toch mogelijk, dacht Frida, dat Flip altijd opgewekt blijft en zich nooit uit het veld laat slaan, terwijl zij juist snel ontmoedigd raakt en somber wordt. Bovendien neemt hij het mij niet kwalijk, hij accepteert me zoals ik ben en trekt zich mijn stemming geheel niet aan.
Wat later dan gepland kwamen ze terug bij Leo en Tonny, waar het al snel gezellig werd met veel plezier om de verhalen van Flip over de rit. Frida deed er dapper aan mee.
“Zullen we nog even een duik nemen”, stelde Leo voor. Dat was niet aan dovemansoren bij Frida: “” Heerlijk, daar heb ik nu echt zin in, laten we gauw gaan”. Ze woonden zo dichtbij het meer dat ze in zwemkleding erheen konden lopen. Frida rende naar het water, hopende dat Flip achter haar aan zou rennen en haar onder water zou pakken. Flip had geen haast, Leo wel, hij spetterde haar nat en Frida zwom hard weg. Ze zag wel dat Leo zo anders naar haar keek dan Flip. Leo zag haar als een mooie vrouw, vond haar echt leuk en feliciteerde Flip met zijn meisje. Zo keek Flip nooit naar haar, dat miste Frida maar ze dacht dat haar geflirt en verlangen naar seks niet het beste in haar vertegenwoordigde. Dat was eigenliefde, geen onbaatzuchtige liefde zoals Flip voor haar toonde. Ze vond dat ze blij moest zijn. Als ze getrouwd zouden zijn kwam dat vanzelf goed. Tenslotte heeft iedereen behoefte aan seks.
’s Avonds kregen ze een boeiend gesprek over liefde en seksualiteit, wat dat inhield. Ook kwam het gesprek op homofilie, want dat onderwerp kwam steeds meer in de belangstelling te staan. Van de twintig mannen zou er zeker één homo zijn. Volgens Frida mocht je dat niet praktiseren, zo had ze dat begrepen uit de bijbel. Het zou God een gruwel zijn als mannen bij mannen lagen en de natuurlijke omgang met vrouwen meden. Leo was het wel met haar eens, Tonny dacht dat er tussen mannen wel echte liefde kon bestaan net als tussen vrouwen. Flip zei er niet veel over, luisterde meer. “Wat bedoel je dan met liefde?”, vroeg Frida aan Tonny. “Nou, gewoon, liefde hoeft toch niet van het geslacht af te hangen?” “Maar dan bedoel je platonische liefde”, vervolgde Frida, “ik hou veel van mijn vriendin maar dat heeft niets met seks te maken, ik moet er zelfs niet aan denken, het zou de zuiverheid van onze liefde voor elkaar bezoedelen en kapot maken”. Leo maakte verschil tussen liefde en seks: “Zuivere onbaatzuchtige liefde noemen we Agapè, dat is wat de bijbel over liefde zegt. Liefde tussen man en vrouw is de natuurlijke aantrekkingskracht tussen die twee en dient de voortplanting. Samen zullen ze van hun kinderen houden en er zorg voor dragen”. Frida kon het daar wel mee eens zijn: “God heeft geen homo’s geschapen, zijn schepping was natuurlijk goed, homofilie is een afwijking. Er is iets mis gegaan in de emotionele ontwikkeling, zoals er zoveel niet goed gaat in deze wereld”.
Leo sprak toen speciaal tegen Flip en Frida: “Toen jullie samen in bed lagen en ik dat niet wilde, was dat om jullie te beschermen, niet omdat ik dat niet begreep. Bewaar elkaar voor het huwelijk, dat is zoveel beter en mooier”. Flip was het daar mee eens en Frida kreeg nog meer achting voor hem. Zij was niet zo goed, zij wou wel vrijen en zou het ook doen als Flip maar wilde.
In Nederland teruggekomen, maakte Frida een prachtig fotoboek van de vakantie, showde het haar vriendinnen en familie zodat ze zagen hoe leuk ze het hadden gehad. Alleen Frida wist, bij het zien van de mooie foto’s, hoe eenzaam zij zich toen had gevoeld. Daar kon ze niet over praten.
********************
Wat was het leven toch mooi. Haar dankbaarheid naar God nam weer toe. Nog altijd was ze zo blij om dat moment bij tante Coby, toen ze zich door God opgetild en aanvaard had gevoeld. Een ervaring die ze niet uit kon leggen maar boven alles uit ging. Als dat niet was gebeurd, was het niet goed gekomen in haar leven. Nu had God haar weer gezegend door haar Flip te geven. Frida voelde wel dat er iets aan de hand was met Flip, maar wat? Hij was onbenaderbaar, grapte alles weg, ook serieuze vragen. Wat zocht hij eigenlijk bij haar? Vond hij haar echt zo ‘klasse’ als hij zei? Frida voelde zich een gebrekkig zwak mens, minder goed dan anderen.
Daarom kon ze vol vuur over haar geloof praten en getuigen dat haar ziel gered was. Ze begreep niet dat zo weinig mensen zich daar om bekommerden, voor haar was dat het allerallerbelangrijkste. Gelukkig wilde Flip daar wel naar luisteren, dat interesseerde hem wel. Frida had gezien dat hij merkwaardige boeken had over spiritisme en seances met mediums. Ze vond dat eng, niet goed want in de bijbel stond dat je je niet met de geesteswereld moest inlaten en dat de doden niet opgeroepen mochten worden zoals Koning Saul gedaan had.
Het was zo fijn dat ze daar wel met Flip over kon praten en ze geloofde vast dat hij in wezen ook zo dacht doch nog vaak twijfelde. Frida wilde dat ze samen een gelovig leven zouden gaan leiden, dan zou alles goed komen en hun verbintenis zou niet op uiterlijkheden steunen, niet op verliefdheid en seks, maar echte liefde zijn.
Wat ze zichzelf erg kwalijk nam was, dat ze best vaak boos werd op Flip. In haar ogen deed hij maar raak, dacht nooit over hun toekomst na. Hij hield zo weinig rekening met haar. Altijd van die dooddoeners: “Komt goed, schat, daar praten we later over”, of “Je hebt helemaal gelijk, doe het maar zoals jij wil”. Nooit ging hij tegen haar in, integendeel, hij liet haar alles bepalen.
Bovendien vond ze Flip vaak veel te royaal, hij gaf elke maand al zijn geld uit, terwijl zij nog probeerde te sparen. Ze vroeg zich dan af hoe dat moest als ze gingen trouwen, dan zou er toch wat spaargeld moeten zijn?
“Daar hoeven we toch niet zo’n spektakel van te maken, we kunnen wel gaan samenwonen, ergens kamers huren”, vond Flip. “Ben je gek, Flip, dat kan echt niet. Dan krijgen we ruzie met mijn ouders, en ook jouw ouders zullen daar niet blij mee zijn. Samenhokken is zondig”.
Frida was juist ook zo gelukkig omdat ze er thuis weer meer bij hoorde, niet meer ‘lastig’ was, hoewel ze er nog wel mee geplaagd werd. Dat irriteerde haar mateloos, dan voelde ze zich teruggezet. In moeders ogen was alles lastig wanneer je niet dacht, voelde en zag zoals zij.
Nu zag moeder zelf dat Flip haar goed vond en helemaal accepteerde, zelfs als ze op hem afgaf. Nee, moeder zou niet meemaken dat het verkeerd met haar afliep. Toch wist Frida dat moeder haar nog steeds niet vertrouwde. Dat werd bevestigd toen ze op de WC zat, ze hoorde moeder met Suze praten over haar vriend: “Met jou en Cor zit het wel goed, maar van Frida en Filip weet ik het nog zo net niet”. Nu, Frida zou wel bewijzen dat het goed zat.
Op het bureau in Amsterdam werd het er niet makkelijker op. Frida kon het werk nu wel goed aan maar de spanningen tussen vader en zoon namen toe. Het was moeilijk haar plaats te bepalen, enerzijds de oude baas ter wille zijn en goed gestemd houden, anderzijds een te amicale verhouding met de zoon. Wanneer de heren onenigheid kregen werd ze soms uitgespeeld: “Fie, kom eens hier, jij was erbij toen ik de heer Schouts aan de telefoon had en Kas zegt dat ik niets met hem afgesproken heb omdat hij al een afspraak gemaakt heeft. Vertel hem dat je gehoord hebt dat ik een afspraak met hem heb”. Dan moest ze al haar slimheid inzetten om zowel de kool als de geit te sparen. “Ja baas, maar de heer Schouts belde net op dat hij komende week alle afspraken afzegt en later nieuwe afspraken maakt”. Dat gaf lucht aan het geharrewar. Kas kon zijn afspraak gewoon door laten gaan en de oude baas had geen afspraak nodig, daar konden de klanten niet veel meer mee bespreken, maar hij verdiende wel respect. Hij zou het hele voorval ook snel vergeten, want zijn geheugen was niet goed meer. Een merkwaardige baan maar Frida voelde zich er toch wel goed bij. Ze werd gezien en was van belang, dacht ze. Na het werk bracht ze Robby – zo noemde de familie hem – wel eens een bezoek om een praatje met hem te maken. Ze had medelijden met hem, om zijn eenzaamheid en ongelukkig zijn. Rob was haar dan zo dankbaar en niet zelden huilde hij zijn verdriet bij haar uit. Bij hem hoorde Frida veel over de opvoeding die zijn vader aan zijn zonen had gegeven. Hard en meedogenloos, alles draaide om pa die koste wat het kost altijd gelijk moest hebben.
Haar leven kreeg nu veel meer structuur door haar verkering met Flip. Ze gingen geregeld samen uit, vaak naar een film waar Frida eigenlijk niet van hield. Vooral omdat Flip horrorachtige films uitkoos, hij wist toch dat ze er angstig van werd? Waarom pikte hij dat niet op? Zelf kon ze moeilijk besluiten welke film ze dan wel zou willen zien want ze had daar weinig zicht op. Een romantische film wilde Flip niet.
Het leukste was nog samen naar het schaakcafé te gaan, dan had ze via het spel nog wat aandacht. Frida kon echter slecht tegen haar verlies. Ze kon een sterke goede verdediging opbouwen, echter als daar een gat in geslagen werd, was het met haar spel gedaan, dan verloor ze het van Flip. Daar kon ze niet al te best tegen. Ze probeerde het desondanks steeds opnieuw te winnen. Frida wilde overigens op alle terreinen winnen, vooral in het debat.
Aan het eind van de avond aten ze een heerlijk broodje. Dik belegd met rosbief of paling. Soms even napraten in een café waar Flip liefst in het volle licht zat en intimiteit vermeed. De weekends gingen ze nu geregeld netjes naar hun ouders.
Het uitgaan van vroeger miste ze wel en niet, die tijd wilde ze liefst zo snel mogelijk vergeten. Wel kon ze verlangen naar de kussen van Mark, zijn aandacht voor haar, hoe hij naar haar keek en lachte. Met veel spijt en pijn dacht ze nog vaak aan Leendert. Wanneer ze op de bijbelkring Peter ontmoette, voelde ze een steek door haar hart gaan. Hij was zo aardig voor haar, was Flip maar een beetje zo. Maar het was juist goed dat Flip anders was, sterker, dat had ze nodig.
Oom Kees probeerde nog steeds contact te leggen, dan stond hij met zijn auto voor de deur van haar kantoor om haar op te halen. Daar stond Flip dan ook en kon oom Kees niet veel anders dan hen beide uitnodigen voor een kop koffie. Een enkele maal lukte het oom Kees haar alleen aan te treffen, maar Frida kon nu ‘nee’ zeggen om reden dat ze Flip niet wilde bedriegen. Als oom Kees zelfs dat niet respecteerde… toch hij begon weer aan haar te plukken in de auto, waartegen Frida zich heftig moest verzetten. Nu hield ze voet bij stuk, ze zou dat nooit meer doen.
********************
Flip had gesolliciteerd naar Zwitserland om daar stage te kunnen lopen in de horlogeindustrie. Hij was wel gediplomeerd maar hij wilde verder komen op dat gebied. Frida had er geen idee van dat hij daarmee bezig was. “Waarom heb je er mij niets over verteld, dat je dat van plan was?” “Ik wilde eerst weten of er wel een kans was dat ik daar kon komen, zo niet dan had ik er niets over gezegd”, zei Flip. “We hadden toch samen kunnen overleggen of je dat wel moet doen, het gaat mij toch ook aan?“ “Dat doe ik nu toch, schat, ik wil graag van je weten hoe jij erover denkt, mij trekt het wel aan”. “Neem me niet kwalijk, Flip, maar pas nu je weet dat er mogelijkheden voor je zijn, leg je je plannen aan me voor, ik heb er moeite mee als je weg gaat, voor hoe lang is dat dan?”, wilde Frida weten. “Als jij echt niet wilt dat ik ga dan gaat het niet door, een stagecontract is voor minimaal een half jaar”. Frida zag wel aan Flip dat hij zich hier erg op verheugde, dat hij in feite zijn besluit al genomen had. “Ik kan je moeilijk tegenhouden, als dit echt is wat je wilt, maar zul je me dan niet missen?” “Natuurlijk wel, maar we kunnen schrijven, bellen en misschien kom ik af en toe even over voor een weekend”, zei Flip. “Je verdient daar nog minder dan nu, dus van weekendjes over komt niets terecht”, was Frida’s mening, “en van sparen al helemaal niet”. “Maar het gaat erom dat ik me zo goed mogelijk ontwikkel op mijn terrein, dat kan ons later ten goede komen”.
Omdat Frida wel voorvoelde dat Flip toch zou gaan, legde ze zich erbij neer en steunde hem erin. Ze gunde hem tenslotte alles, wilde hem in alle opzichten gelukkig maken.
Wel wilde ze er zeker van zijn dat Flip niet uit haar leven verdween. Daarom wilde ze zich met de kerst, voor zijn vertrek naar Zwitserland, verloven. Beiden gingen in hun plannen op en werkten daar naar toe. Flip moest allerlei papieren in orde maken, baan en kamer opzeggen, geld sparen voor de reis en Frida zorgde voor het feest van de verloving, de kaartjes en uitnodigingen. Voor Flip hoefde het niet zo officieel en voor Frida zelf ook niet maar wel voor haar familie. Ze wilde niet langer ‘anders’ zijn en doen, ze mocht geen buitenbeentje zijn.
Heel haar verzet en strijd van vroeger tegen moeder had haar niets goeds gebracht. Wel de ervaring dat ze zich alleen niet staande kon houden, dat ze geen eigenwaarde noch zelfvertrouwen had. Ze voelde zich volkomen afhankelijk van de mening van anderen, waarover ze dan in debat ging want praten kon ze en niet zelden overtroefde ze de ander met gemak.
De verloving op tweede kerstdag werd een fijne dag. De hele familie bij elkaar en ook de ouders van Flip waren gekomen. Frida genoot ervan het middelpunt te zijn met Flip. Hij zag er zo knap uit en hij was zo aardig, ze kon het echt niet beter getroffen hebben. Een man die zo gemakkelijk in de omgang was, haar zo vrij liet en respecteerde. De wederzijdse ouders konden het samen uitstekend vinden. Ze hadden gouden verlovingsringen gekocht en schoven die, elkaar toelachend, aan de linkerhand. Bij de huwelijkse voltrekking zou de ring aan de rechterhand gaan. Bij de Katholieken ging dat precies andersom, want de rechterhand behoorde aan Jezus Christus, zo had Frida begrepen.
De eerste week van januari zou Flip naar Zwitserland vertrekken, dan was ze weer alleen in Amsterdam. Ze vond dat eigenlijk helemaal niet erg, ze verheugde zich op het brieven schrijven. Misschien kwamen ze elkaar dan wat nader en zou hij wel schrijven waar hij zo moeilijk over praten kon. Ze droeg nu zijn ring en wilde serieus gaan sparen zodat er wat geld was als Flip terug kwam.
Flip was opgetogen om naar Zwitserland te gaan om verder te kunnen leren, maar ook om daar een poosje te wonen. Frida was blij om hem, hielp hem met pakken en zorgde ervoor dat hij alles schoon meenam. Ze zouden daar een prima kracht aan hem hebben want Flip was goed in zijn vak. Op het station in Amsterdam namen ze afscheid, Flip omarmde haar stevig maar zoenen op de mond deed hij met veel tegenzin. Dat voelde niet prettig, dus dan maar niet. Zo belangrijk was dat nu ook weer niet. Ze zwaaiden elkaar vrolijk uit.
Nu kon ze in Amsterdam weer wat meer met Eva uitgaan, dat was in feite veel leuker dan met Flip. Met Eva kon ze praten en lachen, die zag alles van de vrolijke kant en vertelde graag moppen. Flip was ook wel vrolijk maar eigenlijk deelde hij die niet met haar. Nog meer miste ze Lena, die had na de kerstdagen een dochter gekregen. Ze schreven elkaar nog wel maar Frida kreeg de indruk dat ze erg in beslag genomen werd door haar Steven en een kind krijgen was natuurlijk niet niks. Ze zou haar gauw eens opzoeken.
Toen Frida goed en wel weer aan het werk was en alleen op haar kamertje zat, viel het haar al gauw tegen. Daar zat ze dan met haar hoofd vol gedachten, met emoties die ze niet kon benoemen en plannen die ze niet waar wist te maken. Zolang ze maar druk in de weer was en veel te doen had, voelde ze zich wel goed. Vooral als ze onder de mensen was. Terwijl ze haar kamertje opruimde en haar bed verschoonde dacht ze: ‘Hoe komt het toch dat ik zo slecht alleen kan zijn en dan zo vreselijk onrustig word? Het is moeilijk om gewoon op m’n kamer te blijven en een boek te lezen, kwam er maar eens iemand naar mij toe, ik moet altijd zelf er op uit gaan. Eva krijgt wel bezoek en is blij als ze een avond alleen is. Die ligt zich dan heerlijk te vermaken op haar bed met een stapel boeken, kop thee en een plak chocola’.
Frida meende dat ze Flip nu al miste en begon direct aan een lange brief. Daar had ze wel plezier in, in dat schrijven. Met gemak vulde ze het papier met haar gedachten en gevoelens: “Liefste Flip, Dit wordt al m’n tweede brief terwijl ik nog geen antwoord heb op de eerste. Ik vergeef het je want je zal het nog wel druk hebben met je nieuwe omgeving en werk, maar ik kijk er wel naar uit. Mis je mij al een beetje? Bijna de hele dag denk ik aan je, vooral als ik op m’n kamer kom en me alleen voel. Daarom ga ik komend weekend naar Lena, ook om haar baby te bewonderen. Wanneer zullen wij een baby hebben? Ik verlang daarnaar en hou zoveel van je…
De brief werd lang, ze kon wel blijven schrijven. Hoe zou hij daarop reageren?
********************
Vol goede moed, blij om Lena weer te gaan zien, kwam ze bij Lena aan. De kraamzuster was er nog, geen vrolijk type dat de deur opende. Kraamzusters waren toch juist hartelijk en opgewekt voor kraambezoek? Het ging Frida natuurlijk vooral om Lena en haar baby.
Lena was nog maar kort uit bed en zag er witjes en voor haar doen gespannen uit. “Dag Lena, hier ben ik dan en ik ben reuze benieuwd naar je dochtertje”, zei ze terwijl ze Lena een zoen gaf. Lena glimlachte wat mat en zei: “Fijn je te zien, ik ben er pas voor de tweede keer uit, ik heb pijn aan m’n borsten door stuwing”.
Steven kwam de kamer binnen “Heeft de zuster al gevraagd wat je wil drinken?” “Nog niet Steven, maar in de eerste plaats feliciteer ik je met je dochter, jij ook Lena, dat had ik nog niet gedaan. Fantastisch dat alles is goed gegaan en dat de baby gezond is”. “Nou, goed gegaan”, begon Lena… “het viel nogal tegen, de bevalling duurde lang”, vervolgde Steven en tegen de zuster: “Wil je thee zetten en beschuit met muisjes smeren voor ons?” Frida hoorde de zuster zeggen: “De aanrecht is nog niet leeg, dat wilde je toch eerst gedaan hebben?”. “Die thee kan wel even wachten Steven, ik zou zo graag eerst de baby zien”, zei Frida.
“De baby ligt net in de wieg en slaapt, ik heb liever dat je wacht tot de volgende voeding”, zei Steven die duidelijk de regie voerde. Hij ging naar de keuken en Frida zette zich naast Lena op de bank. Ze lachten naar elkaar, maar Lena keek niet blij. Ze hoorden Steven in de keuken tegen Mies, de kraamzuster, praten: “Het is beter dat je eerst zorgt dat de kopjes schoon zijn voor de thee, later kun je het fornuis schoonmaken. Wel met vim niet met afwasmiddel”.
“De zuster heeft nog veel begeleiding nodig, ze is erg jong”, verontschuldigde Lena haar man. Frida voelde zich niet op haar gemak, er heerste spanning en die kon niet, zoals vroeger, met humor opgelost worden. Toen zagen ze overal wel iets grappigs in.
De kamer was steriel ingericht met strakke meubels. Helemaal anders dan toen zij samen op de zolderkamer woonden. Lena hield toen van oude, zelfgemaakte spulletjes. Samen hadden ze hun huisraad bij elkaar gezocht op Waterloo plein en van wat ze kregen. Ze zaten in oude stoeltjes, aan een antiek tafeltje, aan de wanden posters van Toulouse Lautrec. Zelfontworpen schemerlampen, nog door Frida op de arbeidstherapie van het revalidatiecentrum gemaakt. Hier lag een plastic over de tafel ter bescherming van het houten blad. Niets voor Lena.
Steven kwam binnen met voor elk een kop thee ”Mies komt zo beschuit met muisjes brengen en dan ga ik wat boodschappen doen”.
Toen Steven goed en wel de deur uit was leek er wat druk weg te vallen. “Kom Frida, we gaan naar Mirjam kijken en als je het niet erg vindt ga ik in bed liggen want ik ben moe. Dan geef ik Mirjam de borst”. Toen Lena haar kindje uit de wieg nam zag Frida dat Lena’s gezicht oplichtte. “Wat heb je dat goed gedaan Lena, wat een mooi gaaf baby’tje, mag ik het even vasthouden?” Lena legde Mirjam in Frida’s arm en ging in haar bed liggen. “Wat klein, lief en zacht is zo’n kindje, het ruikt ook zo heerlijk, ze zoekt met haar mondje, ik denk dat ze wil drinken”, Frida gaf de baby aan Lena. “Als Flip en ik kinderen krijgen zal Flip een geweldig leuke vader zijn, hij is gek op kinderen en kan zo leuk met ze spelen”. Lena concentreerde zich op Mirjam en Frida ging naar de kamer omdat ze zag dat Lena alleen wou zijn.
De zuster was in de keuken bezig. “Je hebt vast wel plezier in dit werk, doe je het al lang?” “Al vijf jaar, maar ik heb nog veel te doen”, ze keek Frida niet aan en ging door met de afwas. “Kan ik je helpen?” “Niet nodig”, gaat u maar zitten”. “Zo met één baby zul je het minder druk hebben dan in grotere gezinnen”, veronderstelde Frida. “Nou dan vergist u zich, ik heb het nooit zo druk gehad als hier”, zei de zuster, “die man hier weet alles beter, heeft overal kritiek op, alles moet ik op zijn manier doen”. Frida merkte dat het de kraamzuster heel hoog zat. “Gelukkig werk ik morgen voor het laatst”. “Lena is toch wel aardig voor je?” “Die is lief maar zegt niet zoveel”.
Frida had het te doen met Lena, maar dat kon ze niet laten merken zoals vroeger. Steven stond nu tussen hen in als een splijtzwam. “Steven heeft het zwaar op zijn werk”, had Lena verteld, “hij heeft een paar moeilijke collega’s die de kantjes ervan af lopen. Steven wil graag dat het werk op school goed gebeurt, hij zet zich helemaal in en dat verlangt hij van zijn collega’s ook”. Lena toonde begrip voor Steven maar Frida dacht ‘als Flip zich zo moeilijk zou opstellen kreeg hij van mij de volle laag, dat zou ik niet pikken’. Ze besefte nu hoe een lieve fijne man Flip was. Dat hij niet wilde vrijen hoefde niemand te weten en moest ze als bijzaak zien. Veel getrouwde vrouwen zeiden dat seks niet het belangrijkste was, dus waarom leed zij er dan zo onder?
Het kraambezoek maakte haar duidelijk dat ze Lena kwijt was, dat het nooit meer zoals vroeger zou worden. Het deed haar pijn dat ze uit elkaar dreven, Lena was eigenlijk de eerste vriendin waarvan Frida onbaatzuchtig had gehouden, door wie ze zich zo helemaal geaccepteerd voelde. Bij Eva was het anders, hun vriendschap was al in de kindertijd ontstaan, zij waren bijna familie van elkaar geworden. De problemen met haar moeder kon ze Eva niet goed uitleggen, die begreep dat niet en bagatelliseerde dat. Eva kon het goed vinden met Frida’s familie. Dat gaf Frida enerzijds een goed gevoel maar toch onbegrepen waar het haar zelf betrof. Soms rivaliseerde ze ook wel met Eva, maar dat won Eva, Zo niet in woorden dan toch in het loslaten, toegeven, Eva had tenslotte een zeker zelfvertrouwen en kon goed relativeren.
********************
Frida had al twee brieven naar Flip gestuurd en wachtte vol spanning op een antwoord van hem. Eindelijk, na bijna twee weken was daar dan een brief. Ze was al wat boos omdat hij haar zo lang liet wachten en was alweer aan een volgende brief begonnen. Nu scheurde ze vol ongeduld de enveloppe open. Een dun velletje, aan één kant ruim en in grote letters geschreven: ‘Hallo lieve schat, sorry dat ik wat laat ben maar ik heb het erg druk gehad in de eerste week. Ik woon in een pension met een paar collega’s, in de buurt van de fabriek. Verder alles goed, vermaak je maar. Kus, Flip’.
Was dat nu alles, na haar lange brieven met vragen en ontboezemingen? Had hij ze wel ontvangen of soms niet gelezen? O, wat viel haar dat tegen, zo’n stom kattebelletje.
Teleurstelling, boosheid en pijn beroerden haar innerlijk. Ze begreep het niet, hoe kon hij zo koud ongevoelig terugschrijven? Moest ze zich nu schamen voor haar openhartigheid in haar brieven? Kon ze maar met iemand hierover praten maar ze wist niet met wie, bovendien zag die ander dan hoe ze werd afgewezen en kennelijk geen betere behandeling waard was. Kritiek op Flip zou ze niet verdragen. Hij was echt goed, behalve dat ene maar.
Ze troostte zichzelf door te denken dat de volgende brief wel meer informatie en ook warmte zou bevatten. Hij moest daar nog wennen, ze moest begrip opbrengen, niet zo aan zichzelf denken.
“En Frida, heb je al post van je vriend gekregen?” vroeg haar baas op kantoor. “Ja hoor, gelukkig wel, hij schrijft dat hij al aan het werk is en aardige collega’s heeft. Maar hij mist mij natuurlijk heel erg”, zei ze vol overtuiging.
De dagen duurden lang en werden saai. “Ik nodig je uit om na je werk met mij een kopje koffie te drinken in American”, zei Robbie op een dag. Dat wilde ze eigenlijk niet, hij was zo’n typisch raar figuur en ook zoveel ouder. Maar ze vond het gemeen van zichzelf dat ze hem zou afwijzen. Dat kon ze niet, mede omdat hij zo eenzaam was en hij het een feest zou vinden om met haar uit te gaan. Ze gunde hem dat wel en zei: ”Ja, aardig van je om dat te vragen nu Filip in Zwitserland zit”.
Om acht uur ‘s avonds zou ze hem in American ontmoeten. Juist toen ze de trap naar de ingang op wilde lopen kwam ze de Engelsman tegen die ze al in geen jaar had gezien. Hij herkende haar natuurlijk ook direct, kwam naar haar toe en ze groetten elkaar hartelijk. “Je ziet er goed uit, Frida, hoe gaat het met je?” “Ja, heel goed, kijk maar”, ze stak ze haar hand uit en liet hem haar verlovingsring zien. “Afgelopen kerst heb ik me verloofd met een heel aardige, lieve man”, zei Frida trots. “Dat vind ik echt fijn voor jou en dat is ook veel beter voor je”, zei hij hartelijk, “woont hij ook in Amsterdam?” “Ja, dat wel maar momenteel is hij in Zwitserland in verband met zijn werk. “Wel een tijd geleden Frida dat ik je zag”. “Zeg dat wel, ben je al die tijd niet meer in Amsterdam geweest?” “Niet zo vaak als voorheen, ik heb een andere positie gekregen en reis nu minder”. “Bij mij is ook veel veranderd”, vervolgde Frida.
Voor de ingang stonden ze geanimeerd te praten, maar Frida had geen rust, ze moest naar Robbie, die zou niet weten waar ze bleef. Daarom nam ze wat spijtig afscheid, ze had graag nog met hem doorgepraat. Ze liep snel de trap naar de toegangsdeur op.
Binnengekomen zocht ze de tafeltjes af naar Robbie en zag hem al gauw. “Ik dacht dat je niet meer zou komen, ik zit hier al een half uur”, zei Rob. “Ik werd even opgehouden, neem me niet kwalijk”. “Zal ik vast koffie bestellen of wil je iets anders?”, vroeg Rob. “Goed hoor”, zei Frida verstrooid, ze had haar gedachten bij de Engelsman en wilde liefst zo snel mogelijk van Robbie af. “Als je al een half uur zit te wachten, dan ben je veel te vroeg gekomen” “Ja, ik wilde niet te laat zijn”. “Zoals ik” ,ketste Frida terug. Ze wist bij god niet wat ze met Robbie aan moest en waar ze over kon praten. Hij zag er niet uit en deed zo onderdanig, ze geneerde zich eigenlijk. Na drie kwartier en twee kopjes koffie: “Als je het niet erg vindt, wil ik nu liever naar m’n kamer gaan, ik heb nog een en ander te doen”. “Natuurlijk, dat is goed, maar ik breng je wel even thuis”. “Nee, dat hoeft niet, ik kom er wel uit”, zei Frida terwijl ze haar jas aandeed. Ze hoopte dat Rob gewoon zou blijven zitten om hier afscheid te nemen. Robbie deed echter ook snel zijn groene jagersjas aan en volgde haar. Frida probeerde snel te lopen, hij sjokte in looppas achter haar aan.
Toen zag ze hem zitten, de Engelsman, aan een tafeltje alleen. Ze vermoedde dat hij daar was gaan zitten om met haar door te praten, maar Frida durfde hem nu nauwelijks aan te kijken. Wat zou hij wel van haar denken? Ze kon wel door de grond zakken toen ze voor zijn tafeltje langs liep met die rare Robbie sloffend achter haar aan. Ze wilde niet dat hij dacht dat ze met die man achter haar uitging en liep nog harder. Rob liep ook harder en struikelde over een opgerolde krul van de deurmat waardoor hij haar een duw gaf.
Op weg naar huis kreeg Frida zwaar de pest in en begon lelijk uit te varen tegen Robbie, die juist erg aardig voor haar wilde zijn. “Je moet me niet aanraken en je hoeft me niet thuis te brengen. Ik ben verloofd, weet je, bovendien kan ik wel voor mezelf zorgen”. “Ik kan je toch niet alleen laten lopen, als er iets gebeurt… “. Ze kon hem niet meer verdragen. “Er gebeurt heus niks, doe niet zo overdreven”, Frida rende weg, naar haar zolderkamertje.
********************
De brieven van Flip werden er niet beter op, steeds weer een teleurstelling door gebrek aan intimiteit, warmte en belangstelling voor haar. Frida begon zich te schamen voor haar openhartigheid en vroeg zich af wat ze toch kon doen om zijn belangstelling voor haar op te wekken. In haar voorlaatste brief had ze geschreven over hoe ze hun toekomst samen zag en of hij naar kinderen verlangde. Hij was zo leuk met kinderen en ze had Flip geschreven dat hij vast een fijne lieve vader zou worden. Flip ging er niet op in, zijn brieven kwamen als kattenbelletjes uit de lucht vallen. Ze realiseerde zich wel dat ze volkomen langs elkaar heen communiceerden en daarom hamerde ze er elke keer weer op of hij op wat zij schreef wilde ingaan en haar vragen wilde beantwoorden. Wanneer haar pressie hem enigszins benauwde schreef hij dat hij daar later, als hij terug was, wel met haar over wilde praten. Ook de laatste brief bevatte niet meer dan vijf regeltjes en als laatste immer hetzelfde: dag schat, vermaak je maar en ga lekker uit. Het leek of hij daarmee wilde zeggen dat ze met jongens uit moest gaan, zo voelde het.
Ze herinnerde zich dat ze, naar aanleiding van de porno die Flip had, met hem over bepaalde vormen van seks gesproken had. Flip had toen gezegd: “Sommige mannen vragen een gedragen onderbroekje van hun vriendin. Dat windt die mannen op”. “Dat meen je niet”, had ze gezegd, ze kon niet geloven dat er meisjes waren die dat deden.
Stel je voor, dacht Frida, als ik hem dat zou sturen, zou hij dat echt leuk vinden? Ik kan niet geloven dat het Flip zou opwinden, niets windt hem op. Ik schaam me dood om dat te doen. Zo vies, het hoort ook niet zo te zijn. Toch voelde ze dat ze ver zou gaan om zijn aandacht te krijgen. Maar Flip vertelde nooit wat hij zelf wilde of dacht.
“Je moet al die porno weggooien, Flip, dat is zonde, èn zonde van je geld. Het is ook verboden, dat weet je best. Het is slecht en vergiftigt je”, had ze hem voorgehouden. “Ik snap niet wat je er aan vindt, ik walg er van”. Ze kon zich niet herinneren wat hij teruggezegd had, meestal bevestigde hij haar mening en gaf verder weinig commentaar. Ze was blij dat Flip in haar geloofde en zelfs tegen haar opzag. Daardoor voelde ze zich geaccepteerd en vrij, ze kon zichzelf zijn. Flip was echt bijzonder en goed, ze miste hem nu hij weg was. Ze voelde zich minder veilig, maar ze zou hem zeker niet bedriegen met een ander, ook al vroeg hij dat niet eens van haar. Ze kreeg eerder het gevoel dat Flip haar ook die vrijheid gunde, gezien zijn opvattingen. Ze wilde niet dat hij zo was.
Het piekeren kostte haar veel energie vanwege de steeds terugkerende vragen omtrent Filip waar ze geen antwoord op kreeg. “Waarom laat hij me steeds zo lang op zijn brieven wachten en als er een brief is, staat er hoegenaamd niets in. Hij mist me niet, verlangt niet naar me, hij zegt niets over de inhoud van mijn brieven. Dit zijn toch geen liefdesbrieven van een verloofd stel? Ja, van mijn kant wel, brieven vol hoop en verwachting: eens zal alles goed komen. Dat vertrouwen mag ik niet loslaten. In de laatste brief schreef Flip dat hij ging skiën met een paar vrienden van zijn werk, dat is al tien dagen geleden. Straks is er iets gebeurd, Flip is roekeloos en kan nog niet goed skiën.
Stel je niet aan Frida, zei ze tegen zichzelf, er is heus niets gebeurd, wees toch flinker. Toen er na nog een week geen bericht was, kon Frida het niet meer uithouden, ze zou hem opbellen op z’n werk. Straks ligt hij ergens in de sneeuw te creperen en kan niemand hem vinden. Ik moet weten waar ik aan toe ben. O, kon ik maar met iemand praten over mijn gevoel en vragen omtrent Flip zonder hem af te vallen, zonder hem kwijt te raken. Ik ben zo bang alleen te zijn. Nooit krijg ik een aardiger en makkelijkere jongen dan Flip, want ik ben moeilijk en dat willen jongens niet, die willen de baas zijn.
De meest vreselijke scenario’s over Flips skiongeluk namen bezit van haar. Ze zag zichzelf al op zijn begrafenis nog voor ze getrouwd waren. Bij die gedachte moest ze huilen terwijl ze naar haar werk fietste.
Op kantoor gekomen belde ze min of meer overstuur op. Flip mocht niet op zijn werk gebeld worden, zei hij, maar als Frida naar zijn pension belde was hij er nooit of er werd niet opgenomen.
Het duurde lang voor ze Flip eindelijk aan de lijn had: “Hallo, met Filip”. “O Flip, gelukkig ben je daar, is alles goed met je?” “Ja, hoezo, waarom bel je me, dat is moeilijk hier”. “Wat ben ik blij je stem te horen, ik maakte me zo ongerust”. “Ongerust? Waarover?” Nou omdat je al een paar weken niet geschreven hebt en je was toen gaan skiën, ik dacht dat je een ongeluk had gekregen”. “Nou, er is niets aan de hand, ik heb gewoon geen tijd gehad, ik ga veel uit met m’n vrienden, maar ik kan niet langer praten, ik moet aan het werk”. “Ik wil zo graag nog meer met je praten, ik voel me zo alleen”. “Daar is echt geen tijd voor, ik zal je vanavond schrijven”. “Doen hoor, en ik hou van je hoor”. “Ja schat dat weet ik, vermaak je maar, ga leuke dingen doen, dag hoor”. Voor ze er erg in had was de verbinding al verbroken. Er was dus niets aan de hand, ze had zich overstuur gemaakt om niks. Ze voelde zich boos worden op Flip ‘waarom schrijft hij dan niet meer geregeld, hij weet toch dat ik dat belangrijk vind?’
Hij gaat veel uit met z’n vrienden, zou hij daar ook met meisjes uitgaan? Samen met die vrienden? Nee, dat geloofde ze niet, ze vertrouwde hem volkomen, hij was niet van dat type, hij was gewoon van haar. Hij keek zelfs niet naar andere vrouwen.
Een paar dagen later kwam dan eindelijk zijn beloofde brief. Een brief kon je het niet noemen, weer zo’n nietszeggend krabbeltje, niets over het feit dat ze zich ongerust had gemaakt. Wel dat ze zo gelachen hadden met skiën, dat hij komend weekend weer ging skiën. Dat zij zich maar goed moest vermaken. Niets over haar lange brieven met vragen waarop ze een antwoord wilde. Hij ging er niet op in. Frida voelde zich in de steek gelaten en schaamde zich ervoor dat ze zo behandeld werd. Flip deed dat niet expres, hij was juist goed, veel beter dan zij was. Ze verdiende geen liefde, ze was gewoon niet leuk, aardig en lief genoeg, maar hoe werd je dat dan wel? Aan niemand durfde ze dit te vertellen, ook uit angst dat er dan gezegd werd dat ze te hoge verwachtingen had, dat ze blij moest zijn met zo’n aardige leuke man. Bovendien kon ze toch niet zeggen dat Flip nooit wilde vrijen? Dan zette ze hem voor gek en zouden ze denken dat dat aan haar lag. Ze moest Flip beschermen en helpen, ze hadden duidelijk een verbondenheid, die was er zonder woorden. Zoiets voelde je en dat voelde Flip ook. Maar ze tastte maar in het duister over datgene wat niet klopte en wat daar nu de oorzaak van was.
********************
Soms sprak ze af met Eva, dat was meestal wel heel leuk. Dan vergat ze Flip en had ze echt plezier. Soms bleef ze bij Eva slapen als het weekend was. Ze praatten honderduit maar nooit bekende Frida haar angst en eenzaamheid, integendeel, ze prees Flip de hemel in, dat het ongelooflijk was hoe ze het getroffen had, dat ze God oneindig dankbaar was. Eva toonde zich blij voor haar. Samen gingen ze de stad in of naar een film, soms wat drinken in een café. Op een keer kwamen er twee jongens bij hun zitten. Henri en Paul waren vakantiegangers en kwamen uit Engeland, reuze spannend, toen nog een drankje en nog een. Ze vroegen Frida en Eva mee uit voor de volgende dag om hen de stad te laten zien. Zij wisten immers de weg niet en dan maakten zij er een mooie dag van op hun kosten. Eva had er wel oren naar, Frida twijfelde, ze wilde wel maar waar liep dat op uit? Ze wilde in geen geval vreemd gaan. De afspraak was gemaakt en de jongens brachten hen naar huis in hun bestelauto die tot kleine caravan was omgebouwd. Eva zat met de Henri voorin, Frida met Paul achterin.
Toen ze thuis waren en uit wilden stappen, wilden ze één kusje, Frida weigerde maar het voelen en betasten was al begonnen. Ze zag dat Eva niet zoveel moeite met een kusje scheen te hebben en wilde dat zelf ook wel graag. Haar verlangen werd aangewakkerd, hij wilde haar kussen, sloeg zijn armen om haar heen maar Frida durfde niet toegeven. Dan bedroog ze Flip en zichzelf want ze had zich heilig voorgenomen dit nooit meer te doen nu God haar zo,n lieve vriend gegeven had. Ze vocht zich tenslotte spijtig los van zijn pogingen haar zover te krijgen dat ze toe zou geven. Ze wilde ook niet dat Eva zou zien dat ze er wel aan toe had gegeven. Wat betekende haar verloving dan nog? Toen ze uit de auto waren gestapt vroeg Henri: “At what time shall we pick up you tomorrow?” Eva en Frida overlegden met elkaar in het Nederlands of ze eigenlijk wel een dag met ze uit wilden gaan, dat verstonden ze niet “No thank you, we decided not to go but thanks for your offer”. Het was mooi geweest en Frida was opgelucht dat ze stand had gehouden.
Frida lag in bed naar een fluitconcert van Vivaldi te luisteren, ze genoot ervan en droomde er bij weg in een lichte slaap. Buiten stormde het waardoor ze het geluid van de pick-up harder had gezet. Plotseling overstemde een hevige donderslag de muziek, felle bliksemschichten schoten door haar kamertje en de regen kletterde tegen het raam. Ze kroop diep onder haar warme dekens om zichzelf te beschermen tegen het natuurgeweld. Meerdere donderslagen met bliksem volgden elkaar op. De muziek viel weg.
Het volgende moment zag Frida dat ze zich in een onderaardse kerker bevond met bogen van rode bakstenen boven en om haar heen. Ze zag dat er nog een lage opening was tegenover haar bed en wilde snel daarheen om er onderdoor kruipen. Ze leek zich bijna niet te kunnen bewegen, ze wilde eruit. Toen volgde er opnieuw een felle lichtflits en knetterende donderslag. De kerker sloot zich, de opening was dichtgevallen. Het was donker en doodstil, geen muziek meer, geen onweer meer. Ik moet hier uit, dacht Frida, waar is een deur? Ik zie niets, hoe kom ik hier uit? Ze kroop over de grond van de kerker op zoek naar een deur, raam of gat waardoor ze kon ontkomen, voelend over de muren van de kerker. Doodsangst kneep haar keel dicht. Ik wil eruit, wie helpt me? Niemand die me hoort of ziet. Ik wil hier niet doodgaan, niet levend begraven worden. Terwijl ze meende te stikken van angst kreeg ze plotseling haar stem terug en schreeuwde om hulp: “Help, help me dan toch, ik ben hier, ik moet eruit”. De ruimte werd kleiner de bogen leken in te zakken, nog één zo’n donderslag en de kerker valt op me. Help, help, ik wil eruit, meende ze te roepen, maar het was onmogelijk dat iemand haar zou horen. Ze sloeg op de grond en tegen de muren, daar was geen beweging in te krijgen en de geluiden die ze maakte echoden terug. ‘Morgen ga ik met Flip trouwen, dan kunnen ze mij niet vinden, niemand weet waar ik ben o God help mij, verlos mij, dit hou ik niet uit’. Frida kroop in het rond en schreeuwde zich schor. ‘Hier ben ik, help mij, haal me er uit’ en haar angstgeluiden klonken afstotend zwaar en onderaards, als een brullend beest. Plotseling voelde ze de knop van haar kamerdeur, langzaam kwam ze tot besef dat ze op haar knieën voor haar eigen deur zat.
De opluchting om haar bevrijding was enorm. Gelukkig was het een nachtmerrie, een angstdroom en geen werkelijkheid. Haar deur kon open en ze zag haar kamertje. Alles was weer gewoon, toch verkeerde ze nog in de werkelijkheid van de kerker. Niemand die haar troostte, bibberend en overstuur kroop ze in foetushouding in haar bed om te gaan slapen.
Toen ze de volgende morgen wakker werd had ze een rauwe keel was ze haar stem kwijt. De nachtmerrie kwam weer terug en maakte haar opnieuw van streek. Het was zo echt geweest. Afschuwelijk was het maar ze moest naar haar werk ook al kon ze alleen maar fluisteren. Voor zoiets kon ze niet thuisblijven, wilde ze ook niet, nog nooit had ze zich een dag ziek gemeld. Ik ben niet ziek, dacht Frida en ze was allang blij dat het een droom was geweest en geen werkelijkheid.
********************
Ruim twee maanden was Flip nu weg, nog drie en een halve maand zou het duren voor hij terugkwam. Het leek Frida een eeuwigheid, ze voelde zich zo stuurloos. Alleen om Flip hield ze zich overeind, hij was haar houvast, haar rots, haar sterkte, haar god. Als hij er niet voor haar was dan had ze deze eenzaamheid en verlatenheid niet kunnen verdragen, dan was ze onderuitgegaan en misschien wel in de goot terecht gekomen, haar grote angst. Dan zou ze de verleiding om zich uit te leveren niet kunnen weerstaan. Nu zou haar dat niet gebeuren, ze was gered.
Maar onverwacht belde Flip haar op haar werk, dat was niet eerder gebeurd. Geweldig vond ze dat, ze bestond dus echt voor hem. “Lieve schat”, zei hij “ik kom volgende week terug, ik heb het hier helemaal gehad en ga niet nog eens vier maanden zo door”. Frida zat vol vragen over wat er dan gebeurd was. “Dat vertel ik je wel als ik terug ben, maar ik leer hier niets meer dan ik al weet”. “Heb je onenigheid gekregen?” “Ja, ik ben niet van plan nog langer banden aan horloges te zetten, heb ik gezegd. Toen zei m’n baas dat ik kon gaan en dat doe ik dus, per direct”.
Frida was heel blij dat Flip terugkwam en kon niet begrijpen dat hij onenigheid had gekregen met zijn baas. Niemand kreeg ooit ruzie met hem. Frida moest de eerste persoon nog tegenkomen waar Flip ruzie mee kreeg. Als iemand hem terechtwees, liep Flip gewoon weg zonder zich druk te maken. Heel verstandig en dat had hij nu ook gedaan, die baas zat duidelijk fout. Flip was een gediplomeerd horlogemaker, die liet je toch geen dom werk doen?
Ze stond geheel achter hem, ze kon geen kritiek op hem verdragen. Hij kwam terug, alles zou weer goed komen.
Frida verwittigde de hele familie van Flip’s terugkomst. Vol verwachting stond ze op het station in Amsterdam hem op te wachten. Het was voorjaar en de zon scheen. Ze was zo blij dat hij er straks zou zijn, ze droomde van een hartstochtelijk weerzien. Nog even en hij zou uit de trein stappen. Ze wist dat ze er echt mooi uitzag en verheugde zich erover dat Flip dat ‘klasse’ zou vinden. Nog een paar minuutjes, laat die trein toch opschieten, dacht ze ongeduldig.
Na zo’n lange tijd zal hij wel echt blij zijn mij te zien en mij warm en innig kussen, zo hoopte Frida. O, ze verlangde zo naar hem, naar samenzijn, naar gelukkig zijn, naar hun toekomst..
Eindelijk, daar kwam de trein piepend en knarsend tot stilstand, ze zocht de raampjes af maar toen zag ze Flip al uitstappen en rende op hem toe, wilde hem omhelzen en kussen. Helaas, Flip gaf haar vluchtig een kus op de wang en verontschuldigde zich vanwege zijn bagage die hij uit de trein moest halen. Naast haar stond een jong stelletje hevig verliefd te kussen, ze zagen er zo gelukkig uit. Frida voelde zich niet Flips meisje maar zijn moeder en wist even niet wat te doen. Ze moest zich helemaal herpakken vanwege de ontnuchtering. “Let op Frida, pak deze koffer even aan en sta niet te dromen”, Flip gaf haar een koffer, hij had zijn handen vol aan de rest van de bagage en samen liepen ze, los van elkaar, het station uit. Haar droom over een romantisch weerzien spatte uiteen. Hoe kon ik dat ook verwachten, dacht ze. Het was weer net zo koel als het altijd al was, ze nam het zichzelf kwalijk dat ze andere verwachtingen had en voelde weer die grote desillusie, het was niet zo het hoorde te zijn.
Maar ze zou zich niet laten kennen. De zon scheen en ze was toch blij dat hij terug was. Dit eerste weekend gingen ze naar haar ouders en met oprecht gespeelde verliefdheid toonde ze moeder hun samenzijn.
Frida verlangde te vrijen maar durfde dat niet aan Flip te vragen. Wel daagde ze hem uit door sexy kleding te dragen, liefst wat exotisch, artistiek of apart. Dat vond hij mooi maar prikkelde hem niet tot een liefkozing. Ze vormden een opvallend paar en lieten de buitenwacht in de waan dat ze echt modern waren, voor de vrije seks, helemaal flower power van de sixties, terwijl voor Frida niets minder waar was. Ze begreep het niet als ze zag hoe mooi ze was wanneer ze zichzelf naakt in de spiegel bekeek. Flip leek werkelijk niet aan te voelen waar ze behoefte aan had. Ze ervoer dat als een afwijzing, alsof ze iets niet goed deed of iets verkeerds verwachtte. Hij verweet haar echter nooit iets en bleef vriendelijk en respectvol tegen haar. Hij stond gewoon boven haar en was veel beter dan zij was, vond Frida. Was zij ook maar zo beheerst, zo sterk en dan ook zo makkelijk in de omgang. Hoe was het toch mogelijk dat zo’n bijzondere lieve en goede man haar vriend wilde zijn? Hij wilde bij haar zijn om haarzelf, niet om seksueel genot maar uit echte liefde, dat kon niet anders. Als ze maar eenmaal getrouwd waren, dan zou de liefde zeker komen.
In Zwitserland had Flip niet veel verdiend, daarom moest hij weer snel een baan zien te vinden. Hij solliciteerde in alle uithoeken van Nederland terwijl Frida meende dat hij in Amsterdam op zoek was. Hoewel ze hem van alles raadde en naar zijn plannen vroeg overlegde hij zijn plannen niet met Frida.
Intussen was Frida aan haar uitzet begonnen en er moest gespaard worden. Wanneer ze bij het winkelen mooie handdoeken, lakens of keukengerei zag begon ze dat te kopen. Liever wilde ze dat samen met Flip doen: ”Zullen we komende zaterdag eens gaan kijken naar een servies?” vroeg ze. “Waar is dat voor nodig, we hebben toch al wat borden en bestek”, vond Flip. “Maar dat is niet genoeg, Flip, we hebben nog zoveel nodig en ik vind het zo leuk om samen uit te zoeken wat we mooi vinden”. “Dat komt later wel, ik zoek eerst een baan”. “Je hebt gelijk, een baan komt op de eerste plaats, maar je gaat wel akkoord dat ik dan koop wat ik wil?” “Prima schat, als jij het maar naar je zin hebt”. Flip vond alles best. Gelukkig zaten ze ongeveer op dezelfde lijn waar het hun smaak en voorkeuren betrof.
Op kantoor kreeg Frida het minder naar haar zin omdat de omgang met de oude baas enorm veel energie van haar vergde. Ze had het gevoel dat ze verantwoordelijk was voor alles wat zich daar afspeelde. De voortdurende spanning tussen vader en zoon, de daarbij komende telefoonklanten die haar soms uitvroegen over de oude baas of over Kas. Het saaie typwerk dat foutloos moest gebeuren. De zielige Robbie boven op zijn kamer, ze wilde aardige voor hem blijven, echter hij ging haar tegen staan.
Het werd leeg in vol Amsterdam, Flip was er zelden vanwege zijn sollicitatiebezoeken, Lena getrouwd en Eva had het te druk, geen spannende ontmoetingen, geflirt of uitgaan. Ze wilde verdergaan met Flip, trouwen en kinderen krijgen.. eindelijk eens gelukkig worden. Dan was ze onder de pannen, zou moeder zeggen, daar ligt de taak en het geluk van de vrouw, maar Frida had niet de indruk dat moeder zelf gelukkig was.
********************
In haar hart was Frida heel bang dat ze geen kinderen zou krijgen. Als straf voor haar eerder losbandig gedrag. Ze verdiende het niet kinderen te krijgen. Wellicht had ze best zwanger kunnen worden van sommige contacten en dat was gelukkig niet gebeurd. Hoe bang was ze niet zelden geweest als ze niet op tijd ongesteld werd, wat een rare fratsen had ze niet uitgehaald om de menstruatie op te wekken. Dus ze zou wel geen kinderen krijgen. Bovendien zou Flip haar dan moeten bevruchten en hoe zou ze hem zover krijgen?
Ze vroeg zich af waarom er altijd geheimen waren in haar leven. Zaken die niemand mocht weten. Door de zonde tegen de Heilige Geest had ze geen kind kunnen zijn. Heel haar kind tijd stond in het teken van de hel die haar te wachten stond. Een angstiger en erger leed bestond er op heel de wereld niet. Zelfs de dood viel daarbij in het niet. Niemand mocht weten dat ze zo slecht was dat zelfs God haar niet vergaf. Daar hielp geen lieve moeder aan. Als ze daaraan terugdacht begon ze nog steeds vanbinnen te trillen. Later was er dat geheim om oom Kees, het gevaar dat ze liep in de omgang met de Antillianen. Veel verdriet en gebeurtenissen had ze aan Flip kwijt gekund. Hij veroordeelde haar niet en het praten luchtte haar op. Maar nu kon ze niet praten over Flip, nu was Flip zelf het volgende geheim, dat hij zo anders was, zo vreemd en onaantastbaar, zo zonder emoties. Ze kon haar eigen vriend toch niet afvallen? Hij had haar nodig, ze zou hem helpen en hoog houden. Ze vond hem zo eenzaam, ze wilde hem perse gelukkig maken, zag dat als haar taak.
Frida voelde zich ook eenzaam, maar gelukkig was ze nu niet meer alleen.
Vaak begreep Frida zichzelf niet want van natuur was ze open en eerlijk, nogal impulsief. Toch wist niemand hoe ze zich voelde en wat er werkelijk in haar omging. Ook leek ze geregeld anderen te kwetsen met haar eerlijkheid. Als ze iets zei wat anderen niet beviel, kreeg zij direct de schuld van het conflict dat soms ontstond: “Frida denkt alleen om zichtzelf” en “Verbeter de wereld begin bij je zelf”, of “Zoek je weer problemen?” “Helemaal niet, ik zei dat alleen omdat ik dat dacht”, was Frida’s verweer. “Nou, je kan helemaal niet denken, laat dat maar aan ons over”. Waarom nemen ze mij thuis nooit serieus en schuiven ze me opzij met grapjes of “Hou je mond Frida, loop naar de stichting”. Haar verdriet om vroeger moest ze wel inslikken ze sprak nu juist goed over moeder.
Ons gezin staat goed bekend en daar ben ik één van, ik wil erbij horen, dacht Frida, ze schepte zelfs op over haar familie. Dat zij zo ongelukkig was geweest moest echt wel aan haarzelf liggen.
Mijn ouders hebben hun best gedaan hun kinderen christelijk op te voeden en ik was lastig. Kerk, geloof en de komst van Gods Koninkrijk, daar draaide alles om, en in principe ben ik het daar mee eens. Ik moet leren mijzelf te verloochenen en niet mijn moeder beschuldigen. God heeft mij volledig aangenomen toen die helleangst van me afviel. Maar het oordeel van de mensen weegt zwaar, hun goedkeuring blijft uit, hoe goed ik m’n best ook doe. Vanaf nu doe ik zoals vader en moeder het willen, samen met Flip zal het goed gaan.
Al snel had Flip een baan gevonden en dat verbaasde Frida niets. Iedereen vond Flip toch aardig en leuk? Daar twijfelde ze niet aan, ook niet aan zijn vakmanschap. Flip was enthousiast: “Ik ben op sollicitatiebezoek geweest in Stavoren, Frida en… “. “Wat moet je nu in Stavoren zoeken, zo’n eind weg”, viel Frida hem in de rede. “Luister eerst maar even want het is een zaak met toekomstperspectief en de eigenaars zijn heel sympathiek, het klikte direct.”
Dat hij echter helemaal naar Stavoren wilde gaan kon ze niet begrijpen nadat hij in de Kalverstraat gewerkt had. Ze hoopte dat Flip de baan nog niet had geaccepteerd en mopperde: “Wat zoek je nou in zo’n uithoek? Waarom overleg je dat niet met mij?” “Ik wist toch van te voren niet dat het zo vlot zou gaan, we praten er nu toch over?” “Je hebt dus nog niet toegezegd en als het doorgaat, wat kan je gaan verdienen?” “Ik heb hun aanbod al aangenomen en kan over twee weken beginnen. Het salaris is nog niet zo veel maar de zaak gaat erg goed, ik kan een filiaal gaan leiden dat ze willen openen”. Flip zag alleen maar voordelen en hij kon toch niet langer zonder salaris? “Nu kunnen we gaan sparen en in de weekends gaan we naar jouw of mijn ouders”, hield hij haar voor. “Het zou toch veel leuker zijn als je weer in Amsterdam was komen werken”, probeerde Frida nog. ”Dat is nu eenmaal niet gelukt, schat, dit is nu het beste”.
Frida wist er niet veel tegenin te brengen, hij was altijd zo zeker van zichzelf en onverstoorbaar. Was zij maar een beetje zo, dan kon ze zich laten gelden. Ze wilde graag dicht in de buurt van Flip zijn, echter hij leek wel van haar weg te willen. Eerst naar Zwitserland, nu naar Stavoren. “Wil je eigenlijk wel met mij zijn?” “Natuurlijk schat, je bent echt fantastisch, daar hoef je niet over in te zitten”. Stel je voor, dacht Frida, dat hij ‘nee’ had gezegd, dan zou hij zich persoonlijk moeten verantwoorden en dat doet hij nooit, dat gaat hij altijd uit de weg. Hetzij door afleiding, door niet te reageren, weg te lopen of vaker nog, grappen te maken.
“Weet je, Frida, ik neem je gauw mee naar Stavoren, dan zie je zelf hoe het daar is en welke vooruitzichten deze baan me geeft”. Frida werd blij omdat Flip blij was en zei: “Maak dan maar een afspraak voor komend weekend, want ik ben nu best nieuwsgierig”.
********************
De kennismaking met Flips nieuwe werkgever werd een geanimeerd en vrolijk weekend. De bedoeling was dat ze alleen de zaterdag een bezoek brachten maar het klikte zo goed dat ze gevraagd werden te blijven en zondags pas terug zouden gaan. Het echtpaar was nog jong en hadden geen kinderen, wel twee grote honden waar Frida bang voor was. Doorgaans kon ze die angst wel verbergen door geen aandacht te geven aan zo’n beest, die gaven dan ook geen aandacht aan haar. Flip echter vond het leuk om met de honden te spelen, hij lokte ze naar zich toe om ze daarna als het ware aan te vallen: “Kom dan hier, kom kom”, als de honden bij hem waren: “Ksst, ksst, wegwezen”. Dat ging dan zo’n poos je door, het leek een spel maar Frida twijfelde daaraan. De honden raakten door het dolle heen. Vervolgens stuurde Flip de opgehitste honden op Frida af, waarbij hij riep “Pak ze dan, pak ze dan”. De honden sprongen dan blaffend tegen haar op. Frida vond dat vreselijk: “Doe dat nou niet, Flip, dat is niet leuk”, maar Flip vond het erg leuk. “Je hoeft helemaal niet bang te zijn, er gebeurt heus niets. Dat zie je toch?” Gea en Wim genoten ervan als Filip met de honden, hun lievelingen, speelde. Ze vertelden dat ze dolgraag een kindje wilden maar dat lukte niet en daarom liep Gea bij een gynaecoloog.
Zij was een stevige, kordate vrouw die de touwtjes in handen had. Wim was een te dikke man met een hoge stem en verwijfde maniertjes. Hij gebruikte veel verkleinwoordjes en verzamelde allerlei schattigheidjes. Hij had zelf al een wiegje gemaakt voor de baby en haakte zowaar al een klein jasje. Daar had hij nu eenmaal plezier in. Frida zag dat Wim en Filip het goed met elkaar konden vinden, ze gingen zo amicaal met elkaar om dat het leek of Flip daar al heel vaak geweest was.
De zaak was gevestigd in een oud pandje, hun woning was boven de zaak. De winkel was klein en bijzonder. Veel ouderwets zilverwerk, miniaturen, aparte klokken en horloges. De verkoop liep goed, er was een grote klandizie. Misschien ook wel doordat Wim erg gezellig met de vrouwen kon praten. Hij praatte aan een stuk door, leek het wel. Gea was rustiger en zakelijker. Hun huis was aan de kleine kant maar alles was tot in de puntjes verzorgd en uitgekiend. Overal was aan gedacht, elk hoekje werd benut.
Nu zou Frida dan onverwacht voor het eerst samen met Flip in een tweepersoons bed liggen. Het was zelfs een hemelbed met gordijntjes die je dicht kon doen. Erg romantisch en Frida verheugde zich erop om dan eindelijk echt intiem te kunnen zijn met Flip. Gewoon samen tegen elkaar aanliggen, van elkaar genieten en knuffelen en dan zou dat heerlijke wel komen. Echter vooral om eindelijk eens die speciale aandacht van Flip te krijgen voor haar vrouwzijn.
Het werd laat, die avond, Frida ging alvast naar bed want Wim en Flip waren nog aan de praat in de werkplaats. Opgewonden lag Frida in het grote bed te wachten op Flip die maar niet kwam. Ze werd er boos, verdrietig, teleurgesteld en huilerig van. Ze kon niet begrijpen dat Flip haar zo vergat en er kennelijk helemaal niet naar uit zag samen met haar in dit mooie bed te liggen. Het duurde zo lang dat ze in slaap viel.
Midden in de nacht zat Frida plotseling gillend rechtop in bed: “Help, ga weg, help me dan, waar ben je dan, nee, ga weg”. Ze sloeg van zich af en om haar heen. Flip schrok wakker en schudde haar door elkaar: “Wat is er dan, hier ben ik schat, rustig maar”. Half bij zinnen vroeg Frida: “Waar zijn de honden Flip?” “Gewoon beneden, hoezo?” “Een van de twee grote honden was hier en sprong boven op me, echt waar”. “Nee schat, je droomt, die honden zijn hier niet geweest”. “Jawel, ik voelde het toch, z’n poten zaten om me heen, z’n kwijl kwam op m’n gezicht” . “Je hebt een nachtmerrie gehad schat, nu is het over”. “Maar ik kon niet loskomen, die hond was hier wel”, hakkelde Frida die nog niet kon geloven dat het niet echt gebeurd was. Flip stelde haar gerust en zei dat ze maar weer lekker moest gaan slapen. Hij draaide zich om en was vertrokken. Frida kon niet meer in slaap komen, zocht warmte en veiligheid bij Flip door haar armen om hem heen te slaan, ze lag achter zijn lange rug en zocht naar zijn geslacht om dat vast te houden, ze kon het niet vinden, hij had dat weggestopt tussen zijn benen.
Aan het ontbijt moesten ze allemaal erg lachen om haar droom en Frida lachte mee. Het was ook altijd iets aparts met haar en Flip. Gelukkig werd Flip nooit boos op haar, terwijl zij steeds vaker boos op hem werd, om zijn nonchalance en slordigheid, het vergeten van afspraken en beloftes die hij haar gedaan had. Zij moest altijd overal om denken en alles regelen waar het hun relatie betrof. Dat accepteerde hij wel en ook al werd Frida boos op hem, hij beantwoordde dat nooit met boosheid terug. Integendeel zelfs.
Kijk, dat vond ze nou juist zo onwaarschijnlijk goed van hem. Hij was niet uit zijn evenwicht te brengen, hij bleef opgewekt en trok zich nergens iets van aan. Juist dat gaf Frida een veilig gevoel en ook een vrij gevoel. Zij kon doen wat ze wilde, hij vond alles goed en haar ook. Ze zou willen dat ze net als Flip kon zijn, zij was bang voor kritiek, voor afwijzing, voor het oordeel van de mensen. Haar houding was defensief, ze had eens gelezen dat de beste verdediging de aanval was. Tegen Flip hoefde ze zich niet te verdedigen, hij viel haar niet aan en ook niet af. Het enige dat ze naar vond was dat hij haar erg kon plagen, hij leek er plezier in te hebben haar op de kast te jagen. Dat hij niet met haar wilde vrijen duwde ze steeds verder naar de achtergrond omdat ze zich voor dat verlangen steeds meer schaamde. Daarin zag ze het bewijs dat ze niet lief genoeg was. Frida kon niet openlijk voor haar eigen behoeftes uitkomen, mede omdat ze vaak op Flip mopperde. Dat voedde haar schuldgevoel, haar niet goed zijn. Logisch toch, dat hij haar niet aanraakte?
In haar ogen was Flip zo gesloten omdat ze vermoedde dat hij zeer gevoelig was. Daarin herkende ze zichzelf, ze legde zich de taak op hem gelukkig te maken. Ze zag toch aan hem dat hij zich thuis voelde bij haar familie en ook dat hij het fijn vond dat hij opnieuw contact had met zijn broers en vader. Daar had zij toch maar mooi voor gezorgd.
Toen ze hem pas kende had hij niemand, ze werd in elk geval aan niemand voorgesteld. Alleen op de wallen had hij in enkele cafés wat oppervlakkige contacten. Daar kwamen ze nu nooit meer.
Ze wilde dat hij, net als zij, het ware hoogste geluk zou zoeken in het geloof. Daar sprak ze veel over tegen Flip. Omdat God haar uit haar diepste angst had verlost, vertrouwde ze er volkomen op dat God dat ook aan Flip zou doen. Het ging tenslotte om de redding van zijn ziel. Zij was het middel dat God gebruikte.
********************
De weekends bij hun ouders waren soms wel gezellig, niet omdat ze samen waren maar juist omdat er ook broers en zussen thuis waren. Vooral Frida zocht liefst afleiding door onder de mensen te zijn. Als het zoontje van Joke en Tom bij moeder logeerde, was het feest. Flip was dol op kleine kinderen en speelde graag met zo’n kleintje. Hij had oprecht plezier met Thomas en dat verveelde hem nooit. Wat een leuke, lieve en aardige vader zou Flip worden. Zelf voelde ze niet zo’n sterk verlangen naar het moederschap, maar ze wilde toch wel kinderen, alleen al om Flip gelukkig te maken. Het zou ergens ook een mislukking als vrouw zijn als ze geen kinderen kreeg. Zo hoorde dat nu eenmaal, een andere weg bleek onmogelijk want ze was te bang om alleen te zijn. Flip had haar nodig, hij was een goed mens en mocht niet verloren gaan. Zoals God haar gered had, zo zou ook Flip gered worden.
Evenwel, Frida snakte naar intimiteit, naar aandacht, naar liefde, ze accepteerde zuchtend dat Flip haar bleef respecteren, er zou eerst getrouwd moeten worden voor ze dat met Flip zou beleven.
Wanneer Frida zondagsochtends naar de zolder ging om toch bij Flip in bed te kruipen, deed ze dat eigenlijk om aan de familie te bewijzen dat zij en Flip net als andere stelletjes naar elkaar verlangden. Ze wilde niet onder ogen zien dat ze afgewezen werd, dat Flip helemaal niet naar haar verlangde. Dat mocht niet waar zijn. In het grote tweepersoons bed probeerde ze toch naast hem te gaan liggen, dan ging de deur open: “Foei, Frida dat hoort toch niet”, bromde vader van onder de zoldertrap naar boven.
“Lag je bij Filip in bed?” vroeg moeder toen ze voor het ontbijt beneden kwamen. “Is dat zo gek? Daar hoeft u niets achter te denken, hoor”. “Ik heb je vader nog nooit in zijn pyjama gezien voor ons huwelijk”, zei moeder. Frida had vader nooit met moeder zien flirten noch zien aanhalen. Moeder probeerde dat heel soms wel met vader, die nooit iets in de gaten had. Ze was wel een echte vrouw met heel andere verlangens dan vader. Frida had wel eens gehoord dat sommige mannen geen ‘vrouwenvlees’ hadden. Ze begreep niet goed wat dat betekende, mannen hebben toch mannenvlees? Het kwam erop neer dat die mannen niet zo gevoelig waren voor vrouwelijke charmes. Maar haar vader en moeder hadden toch acht kinderen, dus ze deden het wel met elkaar. Om de drie jaar was er een kind geboren. Misschien moest dat vanwege hun geloof en van de kerk voor Gods Koninkrijk. Maar moeder was niet blij met haar laatste zwangerschap. Dat had Frida gelezen in een brief die Eva’s moeder geschreven had. Moeder had de brief verstopt voor haar, Frida mocht hem niet lezen maar ze had gezien dat de brief in moeders schortzak ging en hem later eruit gehaald en gelezen. Toen wist ze pas dat moeder in verwachting was, Eva’s moeder schreef: “Ik begrijp wel dat je er nu tegenop ziet maar als het kindje er eenmaal is ben je er blij mee”.
Als moeder gelukkig was geweest zou ze toch niet zo onredelijk, boos en ontevreden doen? Vader en moeder waren het in één ding eens, dat betrof de kerk met Calvijn als de grote roerganger. Belangrijke gespreksonderwerpen gingen hoofdzakelijk over de kerk en wat daar gebeurde. De preek van de dominee was altijd Gods woord en mocht niet bekritiseerd worden. Het avondmaal was alleen voor belijdende leden en zeker niet voor kinderen. De kinderdoop was bijbels, liefst zo snel mogelijk na de geboorte, de positie van de ouderlingen en diakenen was enkel mannen voorbehouden, zondag was de rustdag, dus niet reizen noch geld uitgeven, een wandeling was goed maar mocht niet ten koste gaan van kerkdienst. Moeder had het eten voor de zondag op zaterdag al voorbereid zodat ze het enkel hoefde op te zetten. Zondags waren er drie gangen; soep, hoofdgerecht bestaande uit aardappelen, vlees en groenten, als dessert meestal pudding met bessensap.
Problemen waren taboe, daar moest je niet mee aankomen, dat was eigen schuld, moest je maar beter opletten en gehoorzaam zijn. “We moeten ons kruis dragen kind”, zei vader dan.
Over gevoelens, menselijke verlangens en liefde werd nooit gesproken, laat staan over seks. Bij vader in zijn studeerkamer stond in de boekenkast een heel spannend boek: Het seksuele leven van de mens. Dat boek was van tijd tot tijd verdwenen, dan lag het bij één van de oudere kinderen onder het kussen in bed. Later werd het stilletjes teruggezet waarna het opnieuw verdween.
********************
Steeds vaker begon Frida erover dat ze trouwen wilde omdat ze de afstand tussen Stavoren en Amsterdam als een obstakel zag in hun relatie. Haar werk begon haar ook te benauwen omdat er een te zwaar beroep op haar werd gedaan. Ze raakte af en toe zelfs overstuur van de oude baas. Het werd tijd dat ze daar weg ging.
Tijdens de weekenden in Stavoren liepen Flip en Frida vaak langs de oude kleine vissershuisjes. “Wat zou het leuk zijn om zo’n oud huisje op te knappen”, zei Flip “daar heb ik wel zin in”. “Mij lijkt het ook enig om daar dan wat moois en gezelligs van te maken. Jij bent zo handig, Flip, dat kunnen we best wel gaan doen”.
Tijdens diezelfde wandeling stonden ze onverwacht voor een onbewoonbaar verklaarde kleine woning, heel oud en pittoresk. “Het zal zo moeten wezen Flip, dit is het helemaal, laten we gaan kijken”. Ze liepen er omheen, de tuin was verwilderd, door de ramen zagen ze een ouderwets keukentje, in de kamer een bedstee, er stonden nog oude meubeltjes, er lagen dekens en gordijnen op de grond. Het toilet was een ouderwetse plee buiten. Het kon niet mooier, dit wilden ze wel kopen en opknappen. “Wat denk je Flip, het is wel een erg vuile verwaarloosde boel, dat mag niet veel kosten”. “Eerst maar eens zien wie de eigenaar is en of het te koop is”, zei Flip “maar mijn handen jeuken al om er aan te beginnen”. “Misschien kunnen we beter huren want we hebben geen geld om te kopen”. “Nog deze week ga ik er achteraan om te zien of we in aanmerking kunnen komen daar te wonen”. Frida voelde zich helemaal opgetogen: “O Flip, wat zou dat leuk zijn, zo’n ouderwets arbeidersboerderijtje en dan slapen in een bedstee”. Stevig gearmd liepen ze door Stavoren.
Toen Frida dit thuis aan moeder vertelde, reageerde die sceptisch: “Zo’n oude boel gaat jullie geld kosten en als jullie geld van vader willen lenen, willen wij het eerst zelf zien”.
Zo gebeurde het een paar weken later dat vader en moeder meegingen naar Stavoren. Flip had de sleutel van het huisje gekregen en er was inderdaad een mogelijkheid om het te huren, niet om te kopen.
Toen Flip de deur van het huisje geopend had kwam er een vieze stank naar buiten, maar hij liet zich niet ontmoedigen: “Die lucht is er zo uit, even alles open zetten, kijk dat doe je zo”. Het tweede raam viel al direct uit het kozijn. “Geen probleem, dat maak ik wel, komen jullie toch binnen”. Moeder mopperde: “Dit is te gek, hier ga ik niet eens naar binnen, wat zeg jij vader?” Vader zei niets en begon het huisje rustig door te lopen. Frida was al enthousiast vooruit gelopen, nieuwsgierig als ze was om alle vertrekken te bekijken. Vooral de huiskamer met de bedstee en ouderwetse haard trok haar aandacht. De bedstee leek haar toch wel wat klein en kort. Flip was zo lang, hé, wat is dat? “Flip, kom eens kijken, er zijn hier ratten of muizen”. Dat was te verwachten”, zei Flip die kwam kijken “er ligt hier overal rommel en oud beddengoed, daar komen ze op af om nesten te maken” Ze zagen in de bedstee heel veel keuteltjes liggen. “We zullen al veel werk hebben om deze troep uit te mesten voor we aan het opknappen kunnen gaan, ik word er wel een beetje vies van Flip. Moet je al die spinnenwebben en dat stof zien”. “Lieve schat, daar moet je doorheen kijken, als het ergste vuil weg is, lijkt het al een stuk beter”. “Laten we de bovenverdieping eens bekijken”. Samen beklommen ze de krakende trap, de verdieping was leeg, geen rommel, oude lappen of meubels, wel gigantisch veel spinnenwebben, het zag er grijs van. Vader en moeder kwamen ook naar boven. “Dit is eigenlijk best wel een mooie kamer”, vond Flip. “De balken zijn gedeeltelijk verrot en er zit houtworm in”, zei vader en moeder vulde aan “Heb je de gaten in de vloer beneden niet gezien?” Moeder liep de trap weer af: “Ik kan daar amper ademhalen, ik kan dit niet aanzien”. “Kom Flip, we gaan het keukentje bekijken en de achtertuin”, Frida probeerde de moed er in te houden. “Moet je hier eens kijken, een prachtige echt antieke lamp en oud petroleumstel”, lachte Flip enthousiast. “Ik ga de tuin bekijken”, zei hij. Frida had geen zin om met Flip door dat kniehoge gras te lopen en bleef bij haar ouders. Nu was ze toch ernstig teleurgesteld door de erbarmelijke staat van de woning. Alles was verrot, aangevreten, muf en vies. “Dit is een te grote klus om zelf te doen”, zei vader tegen Flip die uit de tuin was gekomen “hier is geen beginnen aan en in een huurwoning moet je geen geld steken”.
“We beginnen met één kamertje om daar alvast te wonen”, zei Flip. “Daar komt helemaal niets van in, je lijkt wel gek”, schoot moeder uit, “Frida komt hier niet te wonen, dat verbied ik”, zei moeder kwaad. Flip luisterde niet, bleef enthousiast alles bekijken en niets was te gek, alles vond hij leuk, zelfs de vieze buitenplee.
Frida zag er ook geen gat meer in, toch wilde ze Flip niet afvallen al gaf ze haar moeder gelijk. “Je moet proberen door de rommel en viezigheid heen te kijken, moeder, er is heus wel iets van te maken”, probeerde ze de stemming te redden die allang verpest was. “Dit is te gek om los te lopen, belachelijk om me dit zelfs maar te laten zien”, moeder werd steeds bozer: “Ik wil weg, vader, we gaan nu weg”, ze liep driftig naar de auto en vader volgde. O, wat kon moeder toch vervelend zijn, ze verpest gelijk alles als ze het ergens niet mee eens is, dacht Frida teleurgesteld.
Hoe zou het nu verder moeten gaan. Ze moesten opzoek naar een beter onderkomen.
Kamers huren en samenhokken wilde ze om moeder niet, die keurde dat af, vader trouwens ook. Flip zag daar geen kwaad in, want hij had al eens gezegd dat hij trouwen niet nodig vond, hij vond al dat officiële gedoe eigenlijk maar niks. Overigens organiseerde hij uit zichzelf niets, hij liet alles gaan zoals Frida het wilde en die verlangde zekerheid en veiligheid, ze wilde trouwen, gelukkig worden met Flip.
********************
Op haar werk vertelde Frida dat ze zou gaan solliciteren naar een baan in Stavoren. Dan wist Kas dat hij naar een nieuwe secretaresse moest uitkijken. “Wanneer denk je hier dan weg te gaan?’, vroeg Kas. “Zodra we woonruimte hebben, daar is Flip hard mee bezig. Na ons trouwen wil ik blijven werken om wat bij te verdienen”. Flip had helemaal niet gespaard en zij maar een klein beetje. Hoe vaak was ze niet boos geweest omdat hij zijn geld altijd opmaakte. “Spaar nu ook eens wat Flip”, had ze hem gevraagd. “Kijk Frida”,zei hij dan “ je ziet dat ik nu 100 gulden in dit boek stop en dat gaat eind van de maand naar de spaarrekening”. Maar einde van de maand was het geld uit het boek verdwenen. “Ik had het even nodig maar volgende maand doe ik het echt”. Niet dus en daarom liet Frida zoveel mogelijk door Flip betalen zodat zij kon sparen voor hun trouwdag.
Iedereen leefde met haar mee als ze over haar plannen vertelde. Op de bijbelkring had ze het nu ook verteld, met tegenzin omdat Peter zo aardig voor haar was en ze eigenlijk veel liever met Peter zou zijn gegaan. Ze had Peter en zichzelf niet de kans gegeven elkaar beter te leren kennen. Daar was ze bang voor geweest, ze had afstand gehouden, ze had immers Flip? Nu begreep ze niet goed waarom ze zich treurig voelde. Het was of ze bij elke beslissing die ze in verband met haar toekomst nam, er een deur dichtviel. Achter die deur bevond zich haar verlangen en haar lijden om dat wat niet voor haar was weggelegd. Dan dacht ze aan Leendert, nooit was ze zo vreselijk verliefd geweest. Dat was echte liefde geweest en het was wederzijds. Als ze daaraan terugdacht voelde ze zich ziek van verlangen en spijt.
Ze sprak zichzelf streng toe en vond juist dat ze blij moest zijn dat ze afscheid kon nemen van al die moeilijke jaren, dat er nu toekomst was met Flip. God had haar gespaard, haar niet in de goot terecht laten komen, dan had ze moeten breken met de familie.
Nee, het was nu goed en ze zou zeker gelukkig worden met Flip, ze zou hem gelukkig maken en liefst ook kinderen geven. Hij was zo leuk met kleine kinderen, hij zou echt een vrolijke aardige vader zijn. Daar vertrouwde Frida volkomen op, zij vond kleine kinderen wel leuk maar om voor te zorgen lastig. Huilende kinderen maakten een paniekgevoel in haar wakker, dat verdriet raakte haar ziel alsof het uit een verre diepte kwam.
Deze laatste zomer in Amsterdam kocht ze veel voor haar uitzet zoals linnengoed en handdoeken, spullen die ze makkelijk in kon pakken en meenemen. Ze had er plezier in en liet de spulletjes aan Flip zien. “Mooi hè Flip, deze gekleurde badhanddoeken, ik heb ook theedoeken en lakens gekocht”. “Dat is toch allemaal niet nodig, we hebben samen al wel genoeg”, meende Flip. “Ach Flip, jij hebt ook helemaal geen idee hè, van wat er komt kijken bij een huishouden, ik heb ook een zesdelig bestek gekocht en pannen. We kunnen het echt niet doen met ons rommeltje van onze kamers”. Flip was eigenlijk niet zo erg geinteresseerd maar vond haar keus goed. “Laten we naar het Waterlooplein gaan om naar oude tweedehands huisraad te kijken”, stelde Flip voor. Daar hielden ze allebei van, soms kochten ze een oude lamp, een klein kastje of stoeltje.
Toen kwam er fantastisch bericht van Flip, hij belde naar haar werk: “Frida, er is een woning voor ons, een bovenwoning in het centrum, die kunnen we huren”. “Echt waar? Is het geschikt voor ons en een beetje netjes?” Frida vroeg het enigszins benauwd omdat Flip soms met de vreemdste voorstellen kwam. “Dit is helemaal goed voor ons, Wim en Gea hebben dit gevonden, het is boven een kledingzaak. De eigenaars wonen achter de zaak en de bovenverdieping staat leeg”.
“Wat fijn Flip, geweldig, ik ben zo benieuwd, is het nieuwbouw of oud?” “Het is oud met heel hoge schuiframen met glas in lood en balken plafonds, de drie kamers zijn ruim”. “Dat klinkt goed joh, ik zie je zaterdag, dan gaan we kijken”, zei Frida opgetogen.
Frida was ontzettend blij dat de plannen nu door konden gaan. Ze was dol op inrichten en mooi maken van huizen. Tot nu toe betrof dat een enkele kamer waar ze woonde, maar nu ging ze met Flip hun eigen woning gezellig maken.. Samen zouden ze aparte dingen bedenken voor hun huis. Er waren al oude spullen die ze op het Waterlooplein hadden gekocht en die was Flip al aan het opknappen. Ook had hij al ergens een antieke kast op de kop getikt en een pianola, maar dat instrument was volgens Frida een miskoop.
Kas kwam haar kantoor binnen en vroeg: “Je hebt vast een goed bericht gekregen want ik hoorde je zo opgetogen praten”. “Ja, we hebben een woning in Stavoren, dat hoor ik net van Flip”. “Gefeliciteerd! Wanneer ga je ons nu verlaten?” “Ik weet niet wanneer de huur in kan gaan, dan hoor ik dit weekend, misschien ben ik met twee maanden wel daar”. “Leuk voor jullie en ik ga dan een advertentie plaatsen voor een nieuwe kracht. Hoe staat het trouwens met jouw sollicitaties in Stavoren?” “Nou dat gaat goed, ik ben bezig met een baantje voor halve dagen als administratief medewerkster op een verhuurbedrijf voor boten, dat lijkt me wel wat”, vertelde Frida opgetogen.
Nu voelde ze zich echt gelukkig, alles zou helemaal mooi worden met Flip, dat wist ze zeker, niemand had zo’n aardige bijzondere man.
********************
Er brak een fijne tijd aan omdat ze haar plannen nu ging regelen en uitvoeren. Moeder was ook zeer te spreken over de woning in Stavoren. Ze leefde nu echt met haar mee en Frida gaf toe dat ze ook blij was dat het vervallen huisje niet doorging. Gek, Frida was daar eigenlijk nog blijer om voor moeder dan voor zichzelf.
Joke bood aan haar trouwjurk te naaien: “Heb je al een idee hoe je die wil hebben?” “Ik denk een ivoorwitte trouwjurk met verhoogde taille en niet teveel poespas, in elk geval geen roesjes en ook geen tule”. “Dat had ik helemaal niet van jou verwacht”, zei Joke, “ik had me al voorbereid op iets heel aparts, juist geen witte trouwjurk”. “Hoezo had je dat gedacht?” “Nou jij doet nogal eens anders dan anderen en tegenwoordig trouwen veel bruidjes in iets wat afwijkt van het traditionele”. “Ja, dat is waar Joke, maar ik vind het toch bijzonder om een echte bruid te zijn”.
Frida vond zelf ook wel dat iets aparts beter bij haar zou passen maar ze wist niet wat en hoe te kiezen. Daarom koos Frida voor de traditie, ze wilde in geen geval meer anders zijn en doen. Dat gaf altijd weer kritiek en afwijzing. Ze deed nu alles om er voorgoed bij te horen. Een paar weken terug had ze gedroomd over moeder, een lange rare droom die ze zich niet goed herinnerde. Slechts één moment uit die droom was haar bijgebleven: dat moeder haar in haar armen nam, tegen zich aandrukte en had gezegd: “Jij bent de liefste”.
Voorlopig moest ze nog naar haar werk, daar had ze helemaal geen zin meer in, temeer omdat ze haar gedachten niet bij het werk kon houden en daardoor meer fouten maakte. De heren hebben dat toch niet in de gaten, die zijn te druk met zichzelf dacht ze, en zo wel, ze ging toch weg.
Op een koopavond, toen Frida in de stad liep om nog wat huishoudelijke dingetjes aan te schaffen, liep ze plotseling Mark tegen het lijf. Ze schrok ervan maar zag dat Mark blij verrast was haar te zien: “Wat leuk je tegen te komen, Frida, hoe gaat het met je?” “Het gaat goed, met jou ook?” “Ja prima, ik ben verhuisd en woon hier in de buurt. Woon jij nog op hetzelfde kamertje?” “Nog wel maar volgende maand verlaat ik Amsterdam want ik ben verloofd en ga binnenkort al trouwen”. Het leek even of het koud op z’n dak kwam, evenwel reageerde hij hartelijk: “Fijn voor je, zullen we samen wat drinken enbijpraten?” “Nou graag”. Ze was blij dat ze hem al verteld had dat ze ging trouwen. Dan wist hij tenminste dat ze niet meer vrij was.
Ze dronken koffie bij American, het was er gezellig. Dit had ze gemist sinds ze met Flip was, die zocht van die fel verlichte ongezellige gelegenheden op. Hier was sfeer, zachte muziek, geroezemoes, gelach van de mensen om haar heen. Eén en al leven en vrolijkheid.
Mark had veel te vertellen en vroeg naar haar leven. Ze raakten niet uitgepraat en Frida verwonderde zich pijnlijk over het verschil in de gesprekken met Flip. Bij Flip voelde ze een zekere verveling, zwaarte en zorg, maar vooral eenzaamheid die ze invulde met haar plannen, dromen en haar geloof. Bij Flip was zij altijd aan het woord, er was geen wisselwerking geen genieten, zoals nu met Mark. Ze vonden elkaar nog steeds leuk. Frida wilde wat graag in zijn armen schuilen, zijn kussen voelen maar zei: “Flip is zo geweldig, heel vriendelijk, zachtaardig, ik heb het echt getroffen met zo’n man. Hij is zo goed voor mij”. “Dat is toch logisch Frida, je bent een aparte bijzondere vrouw, en ook mooi”, zei Mark. “Ben je nog alleen?, wilde Frida weten. “Ik heb geen vaste vriendin, dat komt nog wel eens”.
Frida voelde zich opeens naar, wilde naar huis. “Wacht even, Frida, ik wil je een aandenken geven voor je huwelijk, loop even met me mee want dat ligt op mijn kamer.” Even later liepen ze naast elkaar op straat. O, dacht Frida, als hij nu een arm om mij heen slaat en mij laat voelen dat hij naar mij verlangt, dan ben ik verloren, dat mag niet gebeuren. Ze bleef tegen hem praten, bang dat er een stilte zou vallen. Er gebeurde gelukkig niets. Mark respecteerde haar en zo wilde ze het ook, dacht ze.
Op zijn appartement gekomen – hij had nu een hele verdieping tot zijn beschikking – liep hij naar zijn atelier en kwam terug met een schilderij. Het stelde de Oudezijds Voorburgwal van Amsterdam voor, door hemzelf geschilderd. “Wat mooi Mark, wat heb je dat goed gedaan”. “Ik wil het je geven als aandenken”. Frida kon het nauwelijks geloven: “Meen je dat Mark?” “Ja echt Frida, ik vind het fijn om dit aan jou te geven”. “Fantastisch Mark, wat een mooi cadeau, het zal een mooie plaats krijgen in mijn huis”. “Zo zal je me nooit vergeten”, lachte Mark.
Toen ging de bel en kreeg Mark bezoek. Dat werkte ontnuchterend en kwam eigenlijk goed uit, want het werd te leuk tussen hen beiden. Terwijl ze haar jas aantrok zei ze: “Ik ga er weer vandoor Mark”. Mark liep met haar mee naar beneden. Ze keken elkaar aan, een hand, een kus, een omhelzing? Mark streek over haar rug, ze keken elkaar weer aan, voor het laatst. Hun ogen zeiden meer dan de woorden die gesproken waren. “Dag Mark”. “Dag Frida”.
Met het schilderij onder haar arm liep Frida, diep in gedachten, naar haar zolderkamertje in de Helmerstraat. Ze begreep zichzelf niet. Ze had toch alles wat ze wilde? Een lieve vriend, een woning, ze gingen trouwen, kortom de toekomst lag voor haar open. Ze geloofde erin, waarom voelde ze zich niet blijer, gelukkiger? Ze moest gelukkig zijn. Dit was haar leven.
********************
Het huis in Stavoren kon per 15 september gehuurd worden, ze zouden dan in oktober gaan trouwen. De woning moest nog opgeknapt en gestoffeerd worden. Daarom zegde Frida haar werk per 15 september op. Haar nieuwe werk begon dan 1 november. Tot die tijd konden ze de woning in orde maken en van het nodige voorzien. Voor veel meubels moesten ze nog sparen, dat was ook leuk want dat gingen ze nu samen doen.
De voorbereidingen namen Frida behoorlijk in beslag, temeer daar Flip in Stavoren was. Hij zou zorgen dat het huis bewoonbaar werd. Gas en elektra aan laten sluiten, maar er moest ook een haard aangeschaft worden want er was geen verwarming.
Papieren moesten in orde zijn voor de ondertrouw, de kerkdienst, kaarten moesten worden gedrukt, de locatie voor de receptie en diner uitzoeken en reserveren. We behoren dat toch eigenlijk samen te doen, dacht Frida, nu doe ik alles alleen of met moeder. Moeder vindt het kennelijk gewoon dat het zo gaat. Flip zit nu eenmaal in Stavoren en in de weekends valt er weinig officieel te regelen, dan nemen we samen door wat er gebeurd is en te gebeuren staat. Flip is het er altijd mee eens. Wel makkelijk.
Frida hoopte maar dat Flip in elk geval het noodzakelijke in orde maakte in hun bovenwoning. Ze moest hem voortdurend aansturen en vertellen wat zij vond dat hij doen moest. Flip sputterde nooit tegen, zei altijd: “Ja schat, geen zorgen, alles komt goed”. Echter als Frida later bij hem was bleek dat hij het toch vergeten was en zij het zelf moest doen. Ze vond dat niet erg, ze was nu eenmaal een regelaar en was juist blij dat Flip niet de baas speelde over haar. Flip gunde haar alles, hij claimde haar niet, was nooit jaloers of bezitterig. Eigenlijk deed Frida haar best hem wel jaloers te krijgen zodat Flip haar liet voelen dat hij haar wilde, haar begeerde. Ze kleedde zich apart, uitdagend en als andere mannen naar haar keken wist ze zich aantrekkelijk met haar lange slanke benen vanonder haar minirok en truitjes die haar mooie figuur goed deden uitkomen. Flip toonde zich trots als er met haar geflirt werd, moedigde dat aan en Frida maakte grapjes, had plezier in die aandacht doch niemand kwam haar nader. Ze liet duidelijk blijken dat ze alleen Flip toebehoorde. Met haar sexy uiterlijk, uitdagend gedrag en rappe tong camoufleerde ze haar gebrek aan liefde en aandacht. Het moest juist lijken dat het haar aan niets ontbrak. Dat was toch ook zo?
Ze geloofde vast dat God haar gered had van de goot, van het mogelijke verlies van haar keurige familie wanneer ze zich niet had aangepast. Dat was al een wonder op zich want ze voelde zich niet goed. Dat mocht ook niet, ze mocht geen verbeelding hebben, alles wat ze ontving was pure genade.
Ze was God oneindig dankbaar en nam het zichzelf erg kwalijk dat ze zich niet gelukkig voelde. Gevoelens waren onbetrouwbaar, ze zou haar verstand gebruiken.
Bovendien zag ze hoopvol uit naar haar trouwdag en daarna, als ze samen met Flip zou zijn. Hij zou haar dan zeker liefhebben want iedereen heeft toch behoefte aan seks?
Aan Flip had ze laten doorschemeren dat hij de huwelijksreis moest plannen en dat hij haar niet tevoren moest vertellen waar ze heen zouden gaan zodat het voor haar een verrassing zou blijven. Ze zag al voor zich hoe ze samen op reis gingen na de trouwdag, dat Flip haar in een echte bruidssuite zou brengen en dat hij haar, zijn bruid, zou uitkleden. O, ze droomde erover dat hij haar zou begeren en bezitten. Daar had ze wel heel romantische gedachten over.
Op kantoor probeerde Frida zoveel mogelijk werk netjes af te ronden en de lopende rapporten af te maken. Het lukte maar half omdat de oude baas steeds moeilijker functioneerde en zoveel aandacht van haar opeiste dat ze er bijna niet meer tegen kon. Als ze om vijf uur weg wilde gaan, kwam hij weer met een werkje aan, dan wist ze dat het zomaar acht uur kon worden. Zo fietste ze op een avond uit haar werk naar haar kamertje. Heel moe, nerveus en gehaast, ze had nog zoveel te doen. Nog slechts een paar dagen werken en daarna kon ze al haar aandacht aan haar komend huwelijk wijden. Opeens hoorde ze : “Stoppen juffrouw, u hebt geen licht aan op de fiets”. Frida zag een heel jonge agent zijn arm uitsteken en op haar toelopen. Ze schrok ‘nee dat nu niet erbij’ dacht ze en stapte af. “Kom maar even hier op de stoep staan, anders hinderen we het verkeer”, zei de agent. Frida ging met haar fiets naar hem toe en zag dat hij een bonnenboekje pakte. “Waarom heb je geen licht aan?”, vroeg hij. “Ik weet het niet, vergeten”, ze voelde dat ze haar vermoeidheid niet langer onder controle had en brak in tranen uit. Niet zomaar een traantje, nee, het leek of alle beheersing haar verliet en ze het verdriet van de hele wereld droeg. De jonge agent vroeg geschrokken “Wat is er aan de hand, ik doe je toch geen kwaad?”. “Ja, nee, maar ik ga over 14 dagen trouwen”, snikte ze. De agent wist zich niet goed raad met de situatie: “Moet je daarom huilen? Daar hoor je blij om te zijn”. “Ik ben ook blij maar ik weet niet hoe dit komt”. De agent borg zijn boekje weg: “ik zal je voor deze keer niet bekeuren maar je moet wel verder lopen”. Dat beloofde Frida, ze was blij dat de bekeuring niet doorging dankzij haar belachelijke huilbui. Een straat verder stapte ze weer op haar fiets.
Haar kamertje had ze opgezegd en haar spullen stonden al gepakt. Komend weekend zou Flip een auto huren om dan voorgoed uit Amsterdam te vertrekken.
Frida vond het heerlijk om van haar werk verlost te zijn, want het werd haar vaak teveel. Gelukkig had ze goed afscheid kunnen nemen. De laatste dagen waren prettig verlopen. Ze hoorde haar baas een telefoongesprek voeren waarin hij haar naam noemde. Ze stopte met haar typewerk en luisterde: “Fie weet precies wat ze wel en niet moet zeggen, ik heb goed met haar kunnen samenwerken”, stilte en toen: “ze werkt hard en is intelligent, ze heeft hier veel van mij geleerd”, toen weer rust, Frida wilde alles horen: “nee, nooit ziek geweest, we konden op haar rekenen”. Toen kwam Kas haar kantoor binnen en kon ze de rest van het telefoongesprek niet meer volgen. Het was haar duidelijk dat iemand van het botenbedrijf om inlichtingen had gevraagd. De oude baas had gezegd dat hij prima met haar had kunnen samenwerken en: “Fie weet precies wat ze wel en niet moet zeggen”, had ze hem horen zeggen. Een groter compliment had hij mij niet kunnen geven, dacht ze. Hij moest eens weten hoeveel moeite me dat gekost heeft. Anderzijds was het bijna hilarisch want hoe vaak praatte ze niet haar mond voorbij en kreeg ze kritiek op haar spontaniteit.
Kas had haar een extra maandsalaris meegegeven, daar was ze geweldig blij mee.
Er was inmiddels een nieuwe secretaresse aangenomen die zou beginnen als Frida weg was.
********************
Flip kwam haar vrolijk ophalen met de auto, hij genoot van autorijden. Zijn opgewektheid verdreef bijna direct haar getob. Samen droegen ze de spullen in de auto, die gingen ze eerst naar Stavoren brengen. Het werd een heerlijke rit naar hun eigen woning. Ze had het huis nog niet van binnen gezien en was reuze nieuwsgierig. Het bleek een groot oud huis met een ruime hal en brede trap naar de bovenverdieping. Daar bevond zich de deur naar hun appartement. Flip opende de deur voor haar en ze zag een brede gang, vooral het hoge plafond deed de ruimte nog groter lijken. Aan de rechterkant waren twee slaapkamers, links de buitenmuur. Aan het einde maakte de gang een haakse bocht naar rechts. Voor haar was de keukendeur en rechts een deur naar toilet en de douche, links de grote woonkamer met de hoge schuiframen. Alles nog leeg en kaal, Frida echter zag al voor zich hoe het moest worden. “ Mooi hè Flip, wat een ruimte voor ons tweeën. We zullen nog veel moeten kopen om dit een beetje aangekleed te krijgen, want we hebben nog niets, zelfs geen bed, Flip, laten we straks ons bed gaan uitzoeken”. “Eerst vloerbedekking uitzoeken, ik zal de maten opnemen”. “Goed idee Flip”, zei Frida terwijl ze hem om z’n middel pakte en een kus gaf. “Toe, krijg ik geen kus terug?” “Wel honderd schat, nu moet er eerst gewerkt worden”..
“Kun jij je voorstellen, Flip, dat we over een paar weken hier wonen?” “Nu je het zegt”, zei Flip nadenkend, “eigenlijk niet, want ik had nooit gedacht dat ik zou trouwen”, antwoordde Flip. “Hoezo, waarom zou jij niet trouwen?”, vroeg Frida verbaasd. “Dat heb ik altijd gedacht”, zei Flip. “Natuurlijk trouw jij, je bent zo knap en aardig, doe niet zo gek”. Frida wilde wel dat ze meer van Flip begreep, hij vertelde nooit wat over zichzelf. Goed beschouwd kreeg ze geen hoogte van hem. Hij hield het altijd oppervlakkig, met veel grollen en grappen. Dan toonde ze zich trots op haar vriend, hoewel ze dat gedrag vaak zat was, het maakte haar eenzaam. De laatste tijd moest ze nogal eens terugdenken aan die vreselijke nachtmerrie waarin ze opgesloten was in die kerker, dat ze onvindbaar was op haar trouwdag. Zou het een waarschuwende droom zijn geweest? Ze had gelezen dat een droom dat kon zijn.
Omdat ze zo onzeker was probeerde ze zekerheid te krijgen door veel van Flip te eisen. En dan stelde hij nooit teleur en deed wat ze vroeg, maar ze vroeg eigenlijk wat anders, dat kwam niet over. Ze werd er wanhopig van en kreeg soms huilbuien, wilde getroost worden, in zijn armen liggen en gekust worden. “Wat naar dat je zo verdrietig bent, schat”, zei hij dan “zal ik een appeltje voor je schillen?” Hij bedoelde het zo goed, toch bleef het Frida een raadsel dat alles van hem af scheen te glijden. Wat er ook gebeurde, het deerde hem niet. Omdat zij zo grillig en eisend kon zijn was ze blij met zijn standvastigheid. “Sla je arm nu om heen, Flip, wees lief voor me”, vroeg ze dan en Flip kwam prompt naast haar zitten, sloeg een arm om haar heen maar het had evengoed de buurman kunnen zijn die dat deed.
Frida voelde zich schuldig, ze maakte het hem niet makkelijk.
Vroeger was het anders, ze kon moeder in alle staten krijgen hetgeen haar een gevoel van macht gaf, echter geen geluk. Moeders boosheid bevestigde juist haar waardeloosheid. Ze wist dat ze vaak haar best deed anderen omver te praten, ze genoot ervan als dat leek te lukken, evengoed werd ze daar ook niet gelukkig van. Ze probeerde gelovig te leven, zoals ze dacht dat God van haar vroeg. Ze verstond van Hem alleen dat ze liever, zachter, rustiger en bescheidener moest zijn, beslist niet opstandig of tegendraads. Dat was moeilijk voor haar.
‘Waarom doet mijn mening er niet toe?, dacht ze vaak. Als ik zeg hoe ik erover denk krijg ik geen gehoor, behalve dan dat ik eigenwijs ben, dom en er niets van, maar ik begrijp het wel. Het is gewoon niet eerlijk en dan word ik boos en ga juist door op het onderwerp. Nog meer ruzie en daar krijg ik dan de schuld van. Had ik maar niet m’n mond open moeten doen. Het is zo moeilijk om goed te leven, ik mag toch zijn die ik ben? Wie ben ik dan? Hoe kunnen anderen zeggen dat ze in zichzelf geloven? Ik geloof niet in mijzelf, maar ik weet wel dat God mij kent en dat mijn identiteit daar veilig is, voor eeuwig zelfs. Dat troost me toch’.
Ze trachtte zichzelf te verloochenen door anderen ter wille te zijn, het leidde tot niets, ze bleef een vreemde eend in de bijt. In haar milieu werden andersdenkenden niet getolereerd, er was één geloof, één kerk, één doop en één waarheid.
Met Flip had ze het nu beter, hij geloofde in haar, vooral als ze van haar geloof getuigde. Nooit viel hij haar aan, hij bevestigde haar, gaf haar alle ruimte en vroeg niets. Dat gaf haar een speciaal soort superioriteit maar niet wat ze verlangde. Eerst moest ze lief genoeg zijn om ook liefde te krijgen. Ze zat op de goede weg en dankte God. Ja, ze wilde haar zegeningen tellen.
********************
Zo samen in hun toekomstige woning genoot ze van de plannen die ze maakten over de inrichting. Flip was zo handig, ze hielden allebei van antiek en van oude spulletjes om op te knappen. De vloerbedekking en de gordijnen waren diezelfde dag uitgezocht en besteld. Het tweepersoonsbed, een eenvoudige bak van 140×190 cm. met matras zou diezelfde week nog bezorgd worden. Er waren wel romantischer en fraaier bedden in die zaak maar daar hadden ze geen geld voor.
Daarna wandelden ze langs de dijk, het weer was warm, net als Frida die barstte van verlangen naar een vrijpartij. Toen ze naast elkaar in het zand onderaan de dijk lagen, ver van de bewoonde wereld begon ze zich van kleren te ontdoen om de zon op haar lijf te voelen. Flip keek naar haar: “Je bent mooi, Frida”. “Doe jij ook je overhemd uit, Flip, je kan wel een kleurtje gebruiken”. Flip deed zijn overhemd uit maar hield zijn hemd aan. “Ik doe m’n broek ook uit, doe jij dat nu ook maar, niemand die ons hier ziet”, zei Frida “we kunnen hier heerlijk in de zon liggen“. Flip hield zij broek aan en kwam naast haar liggen. “Er is geen wolkje aan de lucht, zie je dat en hoor je hoe stil het is?” Zo lagen ze een poosje bij elkaar, toen sloeg Frida haar arm over Flip’s borst en probeerde hem te kussen. Flip maakte zich los: “Ik krijg het warm”. “Doe dan meer kleren uit, ik doe het wel”, zei Frida, de daad bij het woord voegend. “Kom bij me, ik wil je voelen ”.
Maar Flip keek stond op en keek op haar neer: “Je bent echt prachtig, helemaal perfect, ik ga foto’s van je maken”, zei Flip terwijl hij het toestel pakte in orde maakte.
En daar lag Frida, mooi, naakt en verlangend te wezen, kijkend in de camera, ze was hem kwijt. Flip deelde haar gevoelens niet. “Dit worden schitterende plaatjes Frida, ga eens achterover liggen met je hoofd in je nek en dan wat opzij draaien”. Flip gaf zich totaal over aan de fotografie, niet aan haar. Ze kon wel gillen: “Zie je me niet, zie je niet dat ik van je wil houden, naar je verlang?” Waarom deed ze dat niet, waarom durfde ze zich niet te laten gelden? Ze voelde zoveel schaamte om de afwijzing, zoveel vernedering, maar ook pijn, het was zo pijnlijk.
Ze kon die gevoelens niet uiten, te erg, ze kon de afwijzing niet nog eens verdragen. Kon ze maar weglopen, het water in, de zee in, voorgoed verdwijnen. Niemand zag haar.
Maar wat stelde ze zich aan Flip deed heel gewoon tegen haar, gewoon aardig, er was niets aan de hand. ‘Wees toch flinker Frida, zei ze tegen zichzelf, het gaat niet om vrijen alleen, dat is geen liefde, dat is lust, daar weet jij toch alles van? Genoeg ervaring toch met al die jongens en mannen die op je lijf uit waren? Daar keek je in je hart toch op neer? Dat spel speelde je alleen om de macht. Die macht is niet goed voor jou, bij jou gaat alles fout als je macht hebt. Bij Flip krijg je die macht niet, hij is de baas en dat is wat je zoekt, of niet? Daarom voel je je nu veilig, hij laat je niet vallen. Zijn liefde is betrouwbaar, dat zal je wel merken als je getrouwd bent.
De dag van ondertrouw werd een voorproefje van de echte trouwdag. Samen inschrijven op het stadhuis, de trouwdag en tijd bepalen, documenten ondertekenen, wie waren de getuigen? Liefst had Frida Lena daarvoor gevraagd want zij had ook bij Lena’s huwelijk voor Lena getuige mogen zijn. Nu durfde Frida niet voor Lena te kiezen omdat er traditiegetrouw vaak een zus of broer getuigde. Flip vroeg zijn oudste broer te getuigen. Toen leek het Frida dat ze haar oudste zus moest vragen: “Hoe lijkt het je om te getuigen op ons huwelijk?’, vroeg ze Joke terwijl ze de trouwjurk paste die Joke aan het naaien was. “Leuk Frida, dat wil ik graag doen hoor, maar sta nog even stil om de lengte goed af te spelden”. Dus dat was ook geregeld, als een soort beloning voor het naaien van haar trouwjurk.
Flip wist niet wat Frida op de trouwdag zou dragen, hij toonde zich er ook niet nieuwsgierig naar. “Je bent zeker wel benieuwd naar wat ik aan zal hebben, hè Flip”, veronderstelde ze om te geloven dat hij zich daar ook mee bezig hield.
Frida genoot van de aandacht van de ambtenaar die in hun een verliefd stelletje zag. Zo wilde ze ook dat de mensen haar en Flip zagen, net als andere gelukkige paartjes. Daar geloofde ze zelf ook in. Straks zou dat helemaal haar bestemming vinden als ze getrouwd waren. Ze voelde zich geweldig en overlaadde Flip met kussen.
Moeder had echte bruidsuikers gekocht en Bart had een bord gemaakt met daarop ‘In ondertrouw, Flip en Frida, Gefeliciteerd en veel geluk. Hoera, hoera.’ Dat zagen ze staan in het portiek bij de voordeur. Bart maakte een foto van het gelukkige paar naast zijn bord. Iedereen leefde mee.
De locatie van de receptie en diner was reeds besproken. Niet zo’n dure locatie want ze hadden weinig geld maar wel gezellig naast een park. Samen met moeder had Frida dat geregeld en Flip ging ermee akkoord. Fijn dat hij zo makkelijk was, wel miste Frida enige inspraak van hemzelf. Flip nam aan geen enkele activiteit deel, liet alles gebeuren. Frida schepte erover op dat zij zo vrij werd gelaten, dat Flip geen druk op haar uitoefende, dat hij veel beter was dan wat ze bij andere stelletjes zag. Veel mannen wilden de baas spelen over hun meisje. Frida begreep niet dat ze dat pikten, dacht daarbij aan Lena, zij zou daar niet tegen kunnen. Gelukkig mocht zij zelf alles regelen en bepalen.
Overigens voelde ze wel een vage onrust want Flip moest toch zelf zorgen voor zijn trouwpak. Hij zou dat in Sneek huren, ook zou hij zelf voor haar bruidsboeket moeten zorgen en de huwelijksreis moeten boeken want ze wilde dat hij dat als een verrassing voor haar zou houden. “Ik ben zo benieuwd welke huwelijksreis je voor ons uitzoekt, of heb je er al een geboekt?” , vroeg ze dan om hem eraan te herinneren.
Op een avond later in die week had Frida een afspraak gepland met de dominee die hen zou trouwen. Van dat gesprek verwachtte ze wel wat. Tenslotte was het huwelijk een serieuze verbintenis waarin het geloof voor haar centraal stond. De laatste tijd merkte ze dat Flip meer bezig was met het geloof en daarover nadacht. Hij sprak meer dan voorheen over zijn overleden moeder. Zij was een wedergeboren christin geweest die haar geloof praktiseerde bij de ‘Vergadering van Gelovigen’. Volgens zijn tante Aatje, zus van zijn moeder, was Flips moeder een bescheiden heel lieve vrouw die veel te jong was gestorven. Die tante had Flip een poosje opgevangen, zij leefde ook helemaal in het geloof. Zodoende wist Flip genoeg daarover. Soms leek het Frida of ze Flip’s moeder moest zijn. Ze mocht dan een regelaar zijn maar beslist geen moederlijk type. Die rol paste haar niet.
Op het gebied van levensvisie en geloof liet Flip zich wel beïnvloeden door haar, zonder dat hij veel prijsgaf van zijn eigen gedachten daarover.
Hun huwelijk zou door God worden ingezegend, wat kon er dan nog mis gaan?
********************
Het bezoek aan de dominee verliep anders dan Frida had gedacht. De dominee bleek in de war over de afspraak en leek weinig tijd te hebben. “Mag ik jullie koffie aanbieden? Een ogenblikje dan, ik kom zo terug”, hij liep weg en Frida en Flip zaten in de spreekkamer te wachten. “De koffie moet nog geplukt worden, geloof ik”, zei Flip en Frida lachte: “Ja, het duurt wel lang”. Wat moet ik straks eigenlijk bespreken, vroeg ze zich plotseling af, daarover heb ik niet met Flip gesproken. Gelukkig, daar was de dominee met twee kopjes koffie. Hij zal het wel weten. Nadat er wat algemeenheden waren uitgewisseld en de dominee naar hun werk had gevraagd en waar ze gingen wonen, kwam er een serieuze vraag: “Waarom willen jullie in de kerk trouwen?” Nou daar had Frida wel een antwoord op: “Omdat wij een zegen willen over onze verbintenis en een gelovig leven willen leiden”. Hoewel Frida levendig over haar geloof vertelde, verliep het gesprek stijf en stroef. Waarom gaat de dominee niet gezellig bij ons zitten, hij blijft op de punt van zijn bureau hangen terwijl wij in makkelijke lage stoeltjes zitten’, dacht Frida ‘en Flip, zeg jij nu ook eens wat’. Ze voelde zich erg alleen, alsof het een zaak was die enkel haar aanging.
“Hebben jullie al nagedacht over een tekst voor jullie inzegening?” “Nee, we hebben geen tekst uitgezocht”, zei Frida die het jammer vond dat ze daar helemaal niet bij had stilgestaan. Ze had best een mooie tekst willen uitzoeken maar zoiets moet je samen doen. Dat lukte haar niet met Flip. “Zal ik dan een tekst uitzoeken, vinden jullie dat goed?” vroeg de dominee. “Ja dat is prima, hè Flip?” Frida dacht ‘misschien is het juist goed zo, dan nemen we niet zelf een tekst maar krijgen we er een, dan heeft de tekst een bijzondere waarde, alsof God die dan zelf aan ons geeft. De dominee is tenslotte een soort plaatsvervanger van, door God aangesteld als herder van zijn gemeente. Alles wat er de laatste tijd gebeurde voelde voor Frida wat vreemd aan. Ze was ervan overtuigd dat ze goed handelde in de sfeer van haar opvoeding, tot tevredenheid van haar ouders hetgeen maakte dat ze zich geaccepteerd voelde. Ze voelde zich echt een kind van God maar die jas die moeder voor haar genaaid had bleef kriebelen, zat niet goed, was niet mooi. Ze had geen ander.
Zo goed als alle zaken waren geregeld, de trouwkaarten en uitnodigingen waren reeds langer geleden verstuurd. Er kwamen al felicitaties binnen.
Flip zou nog een paar dagen werken en Frida ging mee om hun huis klaar te maken voor bewoning zodat ze na de huwelijksreis daar direct in konden trekken. Ze maakte hun koffers klaar voor de reis en nam afscheid van Flip, die tot de trouwdag in Stavoren bleef. “Vergeet niet tijdig je trouwkostuum te passen, het moet goed zitten”, zei Frida nog op het laatst. Ze wilde niet dat er iets fout zou gaan en voelde een grote verantwoording voor de gang van zaken. Ja, iemand moest het toch doen? Ze wist ook wel dat ze best wat kon. Moeder was nu aardiger tegen haar en blij dat ze binnenkort ‘onder de pannen’ zou zijn.
Eindelijk was daar de grote dag. Frida had de laatste weken thuis geslapen, haar kamer in Amsterdam was reeds verleden tijd. Flip zou ’s morgens naar haar ouderlijk huis komen om haar, zijn bruid, op te halen. Alles ging ongeveer zoals de traditie het wilde, in elk geval was moeder tevreden. Vroeg in de ochtend had ze een afspraak met de schoonheidsspecialiste die in de buurt woonde, deze had haar opgemaakt en haar lange haar opgestoken. Eigenlijk vond Frida dat ze het zelf beter had gekund, mooier zelfs, maar dat durfde ze niet te zeggen. Haar gezicht was te opvallend opgemaakt, met te veel rouge op haar wangen en haar opgestoken haar zat scheef, maar daar kwam de sluier overheen. Dat gedoe was nog duur ook, zonde van het geld. Een fotograaf hadden ze ook niet besteld vanwege hun smalle beurs. Bart was bereid een fotoreportage te maken en vond dat leuk om te doen.
De familie van Flip, opa’s en oma’s, een paar tantes, ooms en nichtjes waren inmiddels gearriveerd. Eva en Lena zouden naar het stadhuis komen en daarna blijven. Moeder was druk met koffie zetten en taart snijden waarbij Suze en Elly haar hielpen, Gerrit sjouwde stoelen bij in de salon. Bart en Anja vermaakten zich met de visite. Herman zou wat later komen met Livia, zijn vrouw en zoontje Kris. Vader, waar was vader? O ja, ze zag hem met haar toekomstige schoonvader door te tuin lopen. Het was zo gezellig, nu moest zij naar boven om zich te kleden en op Flip te wachten.
Joke hielp haar te kleden met bruidsjurk- en sluier. “De jurk zit me gegoten Joke, hij staat goed hè?” “Ik ben niet ontevreden over m’n werk”, zei Joke terwijl ze de sluier vastmaakte. “Wat ben je toch handig Joke, ik ben blij dat je me helpt”. Frida voelde zich prachtig en zenuwachtig, hoe zal het gaan? “Is Flip er nog niet?” Joke keek uit het raam: “Nog niets te zien, ik ga nu naar beneden om moeder te helpen”, zei Joke en liet Frida alleen achter. Flip moest de eerste zijn die haar zag. Beneden hoorde Frida de familie, druk en zoemerig door het huis gaan. Ze wilde daarbij zijn.
Het duurde lang en ze liep steeds naar het raam om naar buiten te kijken. Het weer was mooi voor oktober, een beetje bewolkt maar de zon kwam er geregeld door. Ja, daar kwam een auto aan, ze herkende de gehuurde auto, dezelfde als Flip had gebruikt bij het verhuizen van haar spullen naar Stavoren. Ze voelde zo’n spanning; vanaf vandaag zou alles anders, beter worden.
Flip stapte uit, ze zag dat zijn pak goed zat en gelukkig had hij een bruidsboeketje bij zich, in de andere hand een hoge hoed met handschoenen.
Wat zag hij wit en wat is hij mager of kwam dat door dat zwarte jacquet? Nu liep hij het tuinpad op naar der voordeur, nog even en hij zou haar zien. Ze ging zitten en luisterde naar de geluiden die uit de hal kwamen. Zou hij verrast zijn als hij haar zou zien? Allerlei gedachten buitelden door haar hoofd. Nu zou hij toch wel romantische gevoelens krijgen als hij zijn bruid zag, haar innig liefdevol kussen en blij met haar zijn…. de deur ging open, Frida stond verlegen lachend op en keek Flip vol verwachting aan: “Wat duurde het lang voor je hier was, maar ik ben zo blij dat je er bent”. “Dag schat, neem me niet kwalijk maar ik ben hondsberoerd”, hij kuste Frida op de wang waarna hij lusteloos op een stoel ging zitten. Daar zat dan de bruidegom, spierwit, met het roze bruidsboeketje op zijn schoot, Flip keek ernaar “O ja, dit is voor jou Frida”, hij gaf haar het boeketje. “Mooi Flip, prachtig zelfs”, ze nam het aan en showde zichzelf voor de spiegel: “Hoe zie ik eruit Flip, vind je me mooi?” “Je heel mooi”, zei Flip wat afwezig.
“Hoe kom je nu zo beroerd Flip, heb je iets verkeerds gegeten? Slecht geslapen?” “Ik weet niet hoe het komt, ik heb normaal gegeten en inderdaad wat kort geslapen, maar waar ik zo misselijk van ben, weet ik niet”.
“Wat erg nu, heb je een aspirine ingenomen?” “Ja, ik heb er vanochtend één genomen, misschien gaat het straks wel wat beter”. “Nou dat hoop ik maar voor je, wat heb ik het met je te doen op onze mooiste dag”, leefde Frida mee, hoewel ze vreselijk teleurgesteld was over dit eerste moment.
“Zullen we maar naar beneden gaan? De familie wacht op ons, geef me een arm, daar gaan we dan”, zei Frida terwijl ze naar de trap liepen en bovenaan bleven staan. De hele familie stond in de hal naar hen te kijken: “Daar hebben we dan eindelijk het bruidspaar”, Frida keek in al die lachende gezichten, er werden foto’s gemaakt terwijl zij en Flip langzaam van de trap af schreden. Op de onderste traptree liet Flip zich zakken, voelde zich misselijk en trok nog witter weg dan hij al was. Verontschuldigde zich voor zijn toestand. “Hoe komt dat nu, was je gisteren ook al niet lekker, het lijkt wel of je koorts hebt”, vroeg moeder. Flip bleef het antwoord schuldig, hij wist het niet. Moeder kwam met twee aspirines en een glas water aanzetten: “Hier, neem dit nu direct maar in dan zal het over een klein uur wel beter gaan”.
In de salon werd koffie met gebak geserveerd, het was druk en gezellig. Cadeaus werden aangeboden en uitgepakt: schemerlamp, tafellinnen, theedoeken, pannen, schalen en bestek. Anja en Elly maakten het dressoir leeg en stalden alle geschenken daarop uit. “Wat zie je er prachtig uit Frida, waar heb je die bruidsjapon gekocht?” “Die is niet gekocht, Joke heeft hem zelf genaaid”, vertelde Frida trots. “Wat knap van haar”, vond schoonmoeder “die brede rand Brusselse kant maakt het helemaal af”.
Frida had het helemaal naar haar zin, als je naar haar keek straalde ze, ze was echter wel bezorgd om Flip. Het leek erop dat hij begon op te knappen, ‘dat moet ook anders neemt hij nog maar twee aspirines’, dacht Frida.
“Komen jullie naar buiten”, riep moeder “de zon schijnt nu, dan maken we wat familiefoto’s”. Het gezelschap toog naar de tuin en stelde zich op. Flip en Frida vooraan in het midden, de familie eromheen. Toen nog foto’s met wederzijdse ouders, vervolgens met de opa van Frida en de oma van Flip.
Gelukkig trok Flip wat bij, hij zag niet meer zo inwit en kreeg meer praatjes. Frida was zo benieuwd waar ze na de bruiloft met Flip heen zou gaan, ze had geen idee. Had Flip wel een reisje geboekt, hun huwelijksreis? Daarover had ze romantische dromen gehad, vol spanning en verlangen. Ze hoefde niet te weten waarheen maar stel dat hij niets geregeld had? Ze moest het weten, vroeg zachtjes aan Flip: “Niet zeggen waarheen, maar je hebt toch wel een reisje geboekt voor vanavond?” Hij fluisterde: “Daar ben ik nog niet aan toegekomen, schat”. De teleurstelling die Frida toen voelde! “Niet aan toegekomen? Hoe kan je dat erbij laten zitten, waar wil je me vanavond naartoe brengen?” Eigenlijk kon ze wel huilen, aan letterlijk alles moest zij denken. “Het spijt me echt schat, ik had het te druk”. “Wanneer ga je dat dan doen? Je kunt niet op het allerlaatste moment zoiets regelen”. Ze kon het wel uitschreeuwen of in snikken uitbarsten maar ze wist zich te beheersen.
Het was toch maar goed dat ze hier even naar gevist had, anders hadden ze vanavond na het feest voor gek gestaan, moesten ze waarschijnlijk thuis slapen. Het idee dat ze dan wel samen met Flip in het zolderbed zou mogen vervulde haar met afschuw. Hun huwelijksnacht zo dichtbij moeder, ze moest er niet aan denken.
“Het komt wel goed schat, dat los ik wel op”, fluisterde Flip was en het volgend ogenblik smoesde hij wat met Cor van Suze over drukte en tijdgebrek: “Wil jij voor deze eerste nacht een hotel bespreken? Daarna reizen we door naar België en regel ik ter plekke een hotelletje”. Dat wilde Cor wel, lacherig kwam hij even later terug en vertelde aan Flip waar hij voor het bruidspaar geboekt had: “Aan het water, mooie kamer”, ving Frida op. “Bedankt Cor”, lachte Flip die er weer een grap van probeerde te maken: “Je hebt toch wel op mijn naam geboekt hè?” “Maak je geen zorgen Flip, jullie worden samen verwacht en krijgen de bruidssuite”. “Geweldig Cor”, samen schoten ze in de lach vanwege de rare situatie. Flip wist van iets beschamends weer wat geks te maken. Frida was opgelucht om de oplossing maar hevig teleurgesteld en verdrietig dat haar eigen Flip zelfs hier niet voor gezorgd had.
Zo ontstonden er heel wat anekdotes in de loop der tijd. Wanneer die de ronde deden lachte Frida noodgedwongen mee.
********************
Om half twaalf werd het huwelijk voltrokken op het stadhuis. Voor het bruidspaar was een trouwauto gehuurd, de familie ging met eigen vervoer of stapte bij anderen in een auto waar nog plaats was. Bart maakte van elk paar een foto in de voortuin van het huis. Bij het stadhuis aangekomen bleven voorbijgangers staan om te kijken, tussen het kijkend publiek zag Frida Eve en Lena staan, ze lachten haar toe en Frida zwaaide blij naar ze. De plechtigheid ging snel voorbij, voor Frida was de kerkdienst belangrijker.
Weer thuisgekomen werden er belegde kadetjes gegeten waar haar vriendinnen nu ook bij waren. Het was zo fijn om die weer te zien want het was al een lange tijd geleden dat ze elkaar spraken. Frida betrapte zich erop dat ze het met haar vriendinnen eigenlijk veel leuker had dan met Flip, maar dat kon ze zichzelf niet toegeven. Dat mocht niet waar zijn.
De hele dag ging toch enigszins in een roes voorbij, ze lette ook steeds op Flip, of hij zich wel goed voelde. Een gebeurtenis tijdens de kerkdienst bleef haar helder voor de geest staan. Dat betrof de tekst die de dominee voor hun huwelijk had gekozen en waarmee hij zijn toespraak begon, Rom. 8 : 28: “Wij weten nu dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepen zijn”.
Frida was geschrokken van deze tekst ‘hoe komt de dominee erbij deze tekst te kiezen, wat weet hij van mij?’. Ze voelde zich betrapt, doorgeprikt. ‘Die dominee weet helemaal niets van mij en zeker niet van ‘alle dingen’. Bovendien; had God niet reeds ‘alle dingen ten goede doen medewerken?’ Alle narigheid en misstappen waren toch voorbij en had God haar niet een lieve man gegeven? Ze was God daar juist zo dankbaar voor, dat ze niet in verkeerde handen was gevallen, dat ze nu een gezin mocht stichten met Flip. De hele trouwdienst piekerde ze hierover en was er niet meer bij met haar hoofd. ‘Moet dit huwelijk medewerken ten goede? Wat is er mis mee? Ze had een heel andere tekst verwacht, zoiets als: twee is beter dan één’ of: ‘een drievoudig snoer verbreekt men niet licht’. Frida zag deze verbintenis voor het leven als een veilige haven en een afsluiting van haar wanhopige zoektocht naar liefde.
Voor haar was dit een nieuw begin vol beloften en mogelijkheden om goed te kunnen leven, zonder alle vroegere gevaren die haar bijna fataal waren geworden. Ze zou Flip gelukkig maken, hem helpen minder gesloten te zijn, hij was eenzaam. Haar eigen nood telde niet, deed er niet toe. Ze was al meer dan verdiend gezegend.
Misschien is de dominee niet zo zeker van ons huwelijk gezien de keuze van zijn tekst, dacht Frida. Maar wat zeur ik nu? Het is toch een mooie tekst en zo waar! Het viel haar op dat het einde van de tekst: ‘die volgens zijn voornemen geroepen zijn’ haar ontroerde. Zij een geroepene, terwijl ze heel haar jeugd meende een verworpene te zijn.
Het feit dat ze gevoeld had dat God haar aannam en vergeven had werd weer bevestigd. Daar was ze zeker van en vervulde haar nog altijd met de meest dankbare gedachten en gevoelens. Vreemd dat ze zich daarin niet begrepen voelde. Haar geloof was echt en waarachtig, haar nieuwe leven met Flip zou dat ook worden.
Na de kerkelijke huwelijksvoltrekking ging het gezelschap rechtstreeks naar het hotel waar de receptie om vijf uur zou beginnen. Flip zei weinig, voelde zich beslist niet optima forma maar de aspirines hielden hem op de been.
Op de receptie kwamen veel mensen, vooral ook vrienden, kennissen en buren van vader en moeder. Daarnaast ook nog tantes, ooms, neven en nichten, maar het meest contact zocht Frida met Eva en Lena door naar ze te lachen Jammer dat ze eigenlijk geen gelegenheid had meer met ze te spreken. Eva was nog niet getrouwd, ze had het plan naar Zwitserland te gaan.
Tante Coby en oom Kees kwamen ook, feliciteerden hen hartelijk. Oom Kees probeerde haar zelfs op de mond te zoenen en hield haar hand stevig vast. Later zat hij vanaf zijn plaats Frida steeds strak aan te kijken. Frida ging expres bij Flip op schoot zitten om oom Kees te tonen dat ze hem niet nodig had en gelukkig was. Wat denkt hij wel, dacht Frida.
Haar baas Kas kwam met de nieuwe secretaresse, een volslanke knappe jonge vrouw met diep decolleté. Kas had Frida reeds een extra maandsalaris gegeven maar gaf hen nu een bijzondere poster uit 1000 en één nacht mee voor hun woning.
Daarnaast een vriend van Flip van vroeger, met zijn vrouw. De vriend waarmee hij door het bed was gezakt, zijn vader had Flip toen voor ‘homo’ uitgemaakt.
Frida genoot van de receptie, de gezelligheid, de praatjes met iedereen. Jammer dat Flip zo timide en op de achtergrond blijft, dacht Frida, hij kan zo leuk zijn. Ik mag het hem niet kwalijk nemen dat hij zich niet goed voelt.
Tijdens het diner werden er wat toespraakjes gehouden. Vader had een aardige anekdote waarin hij vertelde dat Frida een ondernemend klein kind was geweest en de schuine glasplaat die over de plantenkas in de tuin lag, aanzag voor glijbaan en er zodoende doorzakte. Maar ook dat Frida nogal filosofische vragen stelde over God, de eeuwigheid en wat ‘niets’ is. “Niets is toch alles, niets bestaat toch niet?”, zou ze tegen vader hebben gezegd.
Het werd een gezellig diner waar Flip en Frida aan het hoofd van de lange tafel zaten. Ze vond het jammer dat ze niet dichter bij haar vriendinnen zat.
Plotseling werd Flip misselijk en vluchtte naar het toilet. Hij moest overgeven, Frida rende achter hem aan om hem bij te staan, hij zag er slecht uit. “Neem nog maar een aspirine schat, je moet nog een eind rijden straks”.
Na het diner werd het abc-spel gedaan: alle gasten hadden een letter uit het alfabet gekregen en daar een cadeautje bij gekocht met een klein rijmpje van de betreffende letter. Goed halverwege het alfabet werd het een beetje langdradig, 26 presentjes uitpakken neemt nogal wat tijd. Ter afsluiting nog nagepraat bij een kopje koffie.
Het was voorbij, deze dag. Flip en Frida zouden vertrekken, hun koffers lagen al in de auto, ze namen afscheid. Vervolgens liepen ze naar de auto, waarachter lege blikken aan touwtjes vastgebonden waren aan de bumper, zodat ze met veel lawaai weg zouden rijden.
De achtergebleven familie zwaaide hen vrolijk uit. Frida zag de afstand groter worden bij het terug zwaaien. Ze had zich deze dag zo goed gevoeld bij alle belangstelling, ze wilde niet eens bij hen weg gaan. Toch was het nu zover dat Flip en zij man en vrouw zouden worden. Ze verlangde dat met heel haar wezen.
Ze keek nog eens om naar al die lachende gezichten en zwaaiende armen. Ze dacht aan wat ze nu van Flip en haar zouden denken, toen een stemmetje in haar zei: “Je houdt ze allemaal voor de gek”. Daar schrok ze van: “Wat een rare gedachte, hoe kom ik daar nu bij?.”
In het hotel aangekomen, ging Flip in bad en toen hij eruit kwam direct in bed. Hij voelde zich nog niet lekker. “Welterusten schat, slaap maar goed” Flip had haar zelfs niet aangeraakt of welterusten gekust. Frida viel stil huilend in slaap.
Hoe had ze kunnen verwachten dat het anders zou worden. Frida wilde met alle geweld dat ze goed had gekozen, dat ze de allerbeste liefste man had die er voor haar kon bestaan. Dat riep ze van de daken om haar teleurstelling te overschreeuwen. Dat haar man haar niet begeerde, lag natuurlijk aan haar. Ze was niet lief genoeg, maar ze was toch mooi en aantrekkelijk om te zien? Zag Flip dat dan niet? Nee Frida, zei ze tegen zichzelf, het gaat om de binnenkant, niet om het uiterlijk. Je bent van binnen niets waard en dat is wat telt. Flip accepteert je omdat jij hem accepteert en zelfs de hemel in prijst. Hij zegt toch zo vaak dat je ‘klasse’ hebt?