Ik ben de luis
Moest mij verstoppen
En vond een plekje
In de kraag van haar bontjas
Dicht bij moeder.
Tijdens de preek in de kerk
Droomde ik gerust tegen haar aan
Dat merkte ze toch niet
Dan had ik even een luizig bestaan.
Thuisgekomen begon het spel opnieuw,
Dan kreeg ze last van kriebel
Klopte haar jas steeds uit
Ik bleef zitten waar ik was.
Ze kon zich niet van mij ontdoen
Ik wilde bij haar zijn.
**************************
Veel heb ik geschreven over mijn moeder en hoe ik me bij haar voelde.
Het was of ze mij gedurig van zich afsloeg als een lastige vlieg. Ik herinner me niet ooit door haar geknuffeld te zijn, dat ze me prees of lief aankeek. Ik prikkelde haar diepst verborgen gevoelens die het daglicht niet mochten zien. Alles wat ik zei of deed kon op haar afkeuring rekenen. Zo onrechtvaardig en ik daagde haar uit om te overleven, om gezien te worden. Moeder reageerde ook steeds feller. Ik hoor nog altijd haar woorden: kreng, serpent, je verpest mijn leven en als ze naar me keek trok ze haar neus op. Dat begon al ver voor mijn tiende jaar.
Het was te erg en ik werd ervan doordrongen dat ik niets voorstelde, het leven niet waard was. Dat bleek ook toen ik op eigen benen moest staan, de verpleging in. Dat ging me slecht af. Ik deed veel fout in de sociale omgang, was bang voor mensen. Wist niet hoe het hoorde, zocht op een verkeerde manier naar liefde want echte liefde verdiende ik niet.
In de kleutertijd werd ik reeds misbruikt, liet mij aanraken, zocht streling en dat hoorde niet. Ik was een slecht kind en als iemand dat al wist dan was dat moeder. Daarom deed ze zo lelijk tegen mij. Ze mocht mij niet lief vinden, dat was ik nu eenmaal niet.
In die tijd dat ik in de verpleging werkte capituleerde ik en moest moeder gelijk geven. Het lukten mij niet me waar te maken en mee te doen zoals anderen dat doen. Alleen bij God was redding, de enige boodschap die ik als kind geloofde. Het ging tenslotte om het eeuwige leven. Daarin vluchtte ik en schreef vader en moeder een brief waarin ik vroeg om vergeving van mijn lastig-zijn. Dat ik blij was dat ze mij een christelijke opvoeding hadden geven, dat God de enige was die verlossing kon geven. Dat ik van ze hield en een goed leven wilde leiden met Gods hulp…
Ik herinner mij dat het een mooie lieve brief was en dat ze er blij mee zouden zijn. Vol verwachting kwam ik thuis, de brief stond niet achter de vaas waar de post gewoonlijk stond en moeder deed ontwijkend, dat vader hem had, hem moest vragen. Ik wachtte tot vader erover zou beginnen. Niet dus. Toen durfde ik er vader niet meer naar te vragen. Er was een geladen spanning. Zo raar wezenloos voelde ik me toen, niet te beschrijven en ik ben weggegaan. Nooit kon ik een gesprek met ze hebben.
In de verpleging ging het ook niet echt goed. Toch werd Magda mijn beste goede humoristische vriendin. Ze hield van me, zoiets voel je en ik hield van haar. We hadden zoveel plezier als we samen waren, altijd lachen. Ze moest lachen om hoe ik me gedroeg en met een kleine subtiele beweging deed ze me na. Dan moest ik zo vreselijk om mezelf lachen. We hadden wel serieuze gesprekken maar weinig over persoonlijke problemen, daarvoor hadden we het te fijn bij elkaar. We waren nog geen twintig en leefden van verwachtingen. Die tijd met Magda was de beste tijd van m’n leven, ik had een leven met haar kunnen delen. Maar alles was nog erg onbewust. Mijn geloof speelde toen al een héél grote rol omdat ik geloofde dat ik de zonde tegen de HG had gedaan. Dat zalige hemelse gevoel had er iets mee te maken, maar hoe en wat? Vanaf mijn 6e jaar dacht ik dat ik voor eeuwig verloren was. Nu denk ik dat ik het misbruik èn m’n boze moeder, de angst en alles wat ik niet begreep zich samen pakte op het moment dat de zondagsschooljuf over ‘de zonde die nooit vergeven kon worden’ ging vertellen. De bliksem trof me en schoot door m’n ziel.
Vanaf die tijd leefde ik in onbeschrijfelijke angst. Want eens zou ik voor eeuwig in de hel komen. Dus onderhandelde ik voortdurend met God om vergeving.
Magda geloofde niet, was daar niet in opgevoed. Ik vond haar zo goed, zo eerlijk en oprecht dat ik de gedachte niet kon verdragen dat ze niet in de hemel zou komen. In mijn ogen was ze meer een kind van God dan ik, dus ze moest van mij gelovig worden. Ik dwong haar er bijna toe. Mijn gedrevenheid tegenover haar wat laconieke houding alsof het niet over dood en leven ging. Ik zie ons nog in het zolder bed bij haar ouders liggen en ik smeekte haar te geloven omdat we zonder Gods redding verloren zouden zijn, voor eeuwig. Dat kwam bij Magda niet zo heftig aan als ik het bracht. We spraken er lang over. Ik viel toen huilend in slaap. Magda, integer als ze was, hield zich rustig en stil.
Toen we 21 waren gingen we samenwonen op een grote zolderkamer in Amsterdam, vlakbij het Leidseplein. Magda werkte in een apotheek en deed die opleiding. Ik werkte bij Schröder op een expertise- en taxatiebureau. Ik flirtte met de baas.
Er ging met mij nog heel veel mis en ik vertelde Magda niet wat er met me gebeurde. Ze zou me verafschuwen en geen vriendin meer willen zijn. Intussen was ik gelukkig als we samen waren en voelde ik me veilig bij haar. Al dat slechte van me zou ik afleren en niet meer doen.
Het was zo heerlijk dat we om dezelfde dingen konden lachen en een kleine hint al voldoende was om elkaar te verstaan.
Maar toen, op een ochtend, was Magda misselijk. Het bleek dat ze in verwachting was. Ik wist helemaal niet dat ze ‘dat’ deed. Dat deed ik toch alleen? Nee, ik deed dat niet, liet dat doen, ik was niet van mezelf. Als ik met haar over trouwen sprak omdat ik ooit graag wilde trouwen, dan hoor ik haar nog zeggen: “ik weet niet of ik dat wel wil, ik denk dat ik misschien iets heel anders wil doen, studeren denk ik”. Dat kon ik moeilijk begrijpen omdat ik niet zou weten wat ik moest als er geen man kwam. De gedachte alleen te blijven was onverdraaglijk.
En nu was zij in verwachting en niet ik! Vanaf die tijd had Magda het heel moeilijk. Ik wist wel dat ze af en toe naar Evert ging maar ze hadden geen ‘verkering’ , wel een soort vriendschap en ze was zeker niet verliefd en Evert op haar ook niet. Hij was altijd gecharmeerd van vrouwelijke bonnetterie typetjes met hoge hakken, jurkjes en kousen, oorbellen etc. Ik zag het contact met Magda meer op intellectueel niveau. Ze kenden elkaar van een jeugdinstelling op Lage Vuursche waar Evert vervangende dienstplicht deed en Magda toen ook stage liep.
Magda was sportief, altijd een lange broek, trui, molières. Ze vond het vreselijk om een jurk of rok te dragen. Over Evert wil ik alleen zeggen dat hij een betweter was en redelijk zelfingenomen. Niets voor Magda, maar hij kwam uit een heel gelovige familie, dat weer wel. Twee zussen in het klooster!
Ze hebben ‘het’ dus gedaan. Maar dit was niet de bedoeling.
Ik vond het vreselijk voor Magda, leefde met haar mee maar voelde me machteloos en alleen gelaten zelfs. Dat deed er niet toe, ik was weer teruggeworpen in mijn eenzaamheid en angst.
Magda moest trouwen en zich aanpassen aan Evert en zijn familie. Daar deed ze van meet af aan haar best voor maar Evert was totaal niet aardig voor haar. Hij vond haar niet mooi, maakte rare opmerkingen over haar uiterlijk. Ze voldeed nu eenmaal niet aan Everts verlangen. Ze waren tot elkaar veroordeeld want deze twee hadden niet voor elkaar gekozen. Zo ging dat in de jaren zestig. Niets aan te doen. Evert kreeg een juweel van een vrouw maar zag dat niet. Ik bedoel met juweel Magda’s zachte integere karakter. Ik vond Evert toen zo lelijk, om hoe hij met Magda omging. Ze kon niets goed doen en ik zei er niets van omdat ik dat te pijnlijk voor haar vond. Evert erop aanspreken kon ik zeker niet want Evert deed zeer neerbuigend tegen me. Ik had al wel gemerkt dat hij jaloers was op het plezier dat wij hadden, hij begreep niets van onze uitbundige lachbuien.
Magda werd anders, ging zich steeds meer voegen naar Evert en dat begreep ik ook wel. Maar ik miste onze uitstapjes wel nu Evert er bij was.
Ik herinner me dat ze hun flat in Zwolle aan het inrichten waren, de baby was nog niet geboren en ik was bij Magda en Evert. We gingen Zwolle in om een en ander te kopen. Ondermeer een speciaal botervlootje zoals Evert dat wenste. Hij was heel dominant wat betreft de spullen die hij in huis wilde hebben. Het moest precies zus of zo zijn. Magda was zo anders maar ze verzette zich niet. We gingen de ene winkel in, andere uit, geen botervlootje naar hun zin. Ik weet nog dat ik de slappe lach begon te krijgen omdat de situatie ertoe nodigde en ik voor me zag hoe Magda en ik erom hadden kunnen lachen. Maar ik kreeg Magda niet aan het lachen, ze deed net zo serieus over het botervlootje als Evert.
Magda was ongelukkig maar sprak zich er niet over uit en werd steeds stiller. Met mij was het al niet veel beter. Ik was bang, miste haar maar sprak dat ook niet uit. We claimden elkaar nooit.
Ik wist toen nog niet van mezelf dat ik een zeer beschadigde en traumatische jeugd achter me had. Mijn ongelukkig-zijn was helemaal eigen schuld en eigenwaarde had ik niet.
Zo raakten we uit elkaar en ik voelde wel dat Evert mij niet graag zag.
Ze hadden genoeg aan hun eigen problemen. Evert had het moeilijk als onderwijzer van MOB.kinderen. Hij kon dat niet aan. Magda zat vast als moeder terwijl ze zo graag wilde studeren. Het verbaasde me dat ze zo slecht voor zichzelf opkwam. In mijn ogen wist ze alles beter dan ik en ook wat ze wilde, maar ze kreeg geen ruimte en ze is een type dat altijd de vrede probeert te bewaren. Als ze zich had laten gelden waren ze in het begin al gescheiden. Dat was geen optie in die tijd.
Toen was ik erg alleen op mijn kleine zolderkamertje in de 2e Helmerstraat 191. De grote kamer kon ik niet alleen betalen, die was toen 120 gulden, de kleine van 2 bij 2 mtr. kostte me 60 gulden.
Het was voor mij erg moeilijk om alleen te zijn, dat kon ik niet en wist vaak niet waar ik het zoeken moest. In de stad dus, op straat, in cafés om contact te maken. Meestal op en rond het Leidseplein. Natuurlijk kreeg ik wel aandacht van mannen maar ik wilde liefde, echte liefde. Die moest ik daar niet zoeken en als ik naar inloop gelegenheden van de kerk ging durfde ik niet veel. Ik voelde me niet goed genoeg voor die stijve studentjes, ze mochten niet weten hoe ik was en ik hield de boot af. Ik kon alleen maar goed flirten met onbekenden waar ik niets van te duchten had, waar ik mee speelde want ze lieten me toch vallen.
Maar als er een jongen serieus werd, kreeg hij geen kans.
Niemand wist hoe ik toen leefde. Ik vond dat ik een dubbelleven leidde. Een verkeerd armoedig en ongelukkig leven en dat goede leven hoorde bij vroeger, de familie, bij mijn keurige grote mond. Bij alles wat ik geleerd had en waarbij ik me had aangepast. Maar ik wist me innerlijk geen raad. Stel je voor dat mijn familie achter mijn verborgen ongeluk en gedrag zou komen? Ik nam teveel medicijnen in, wilde dood.
Dat gebeurde bijna, maar net niet.
Nu ben ik 75 jaar en werd gedreven deze herinneringen op te schrijven. Het verbaast me eigenlijk dat ik nooit zoveel over Magda en mij heb opgeschreven. Het was, terugkijkend, een heel belangrijke mooie tijd die ik altijd heb willen vasthouden en gaandeweg trachtte terug te vinden. Ik wilde niet geloven dat het voorbij was.
Nu weet ik dat het voorbij is en nooit meer terug komt. Wat me teleurgesteld heeft in Magda is dat ze geen gedachte wilde uitwisselen over ons leven, onze vriendschap. Ik probeerde al heel lang tot een diepgaander gesprek met haar te komen, maar dan stond Evert er tussen. Via e-mail lukte het ook niet. Altijd ontwijkende antwoorden.
Op hun vijftigjarig huwelijk waren Albert en ik uitgenodigd, maar wat hadden we nog samen? Alleen maar het oude verleden waar Magda niet graag aan herinnerd wilde worden. Ze heeft haar ware aard verloochend om de relatie met Evert te redden. Ik heb haar altijd gerespecteerd maar vond haar te goed voor Evert.
Ik had wat op papier gezet om hen toe te spreken, maar vergat het papier en ging vrijuit over mijn herinneringen.
Dat werd een succes, de gasten lachten, die moedigden me aan, ik voelde me heerlijke op het podium en vertelde zo het één en ander over vroeger van Magda. Het meeste stond wel op het papier dat ik in m’n hand had en dat raadpleegde ik om verder te gaan. Een schoonzus van Magda trok het papier uit m’n hand en zei me gewoon zonder dat papier verder te gaan. Dat deed ik toen omdat de gasten er plezier in hadden. Ik vond dat Evert wel wat liever kon zijn tegen Magda. Dat zei ik ook. Dat herinner ik me als fout.
Ik dacht een bijdrage te hebben geleverd maar niets bleek minder waar.
Dat ontdekte ik pas veel later. Ik gaf na afloop het geschreven optreden aan Magda. Iemand zei na afloop tegen me: “goed dat u dat gezegd hebt”.
Ik probeerde dit nadien uit te praten met Magda, maar ze ontweek elk contact. Tenslotte heb ik een brief van haar waaruit blijkt dat ze geschokt was door mijn “act”. Soms heb ik te weinig tact!
Het zei zo en ik begrijp het maar moet inzien dat Magda zich uitgeleverd heeft aan Evert en zichzelf ondergeschikt heeft gemaakt. Nu was ze trots dat ze dit met Evert bereikt had. Maar het was geenszins zijn verdienste.
**************************
Met mij ging het niet goed toen ik alleen woonde en werkte in Amsterdam. Geen vriendinnen meer. Soms kwam mijn zus Gerda op de scooter langs, ze werkte als onderwijzeres in Hoofddorp. We zaten een bLauwe maandag nog samen op de gymnastiekvereniging Kracht en Vriendschap. We mogen dan Kragt heten, veel vriendschap was er niet tussen ons, wel een bloedband. Dat is altijd anders dan kennissen en vrienden, die kies je meestal zelf of je wordt gekozen. Ook niet altijd leuk maar van een bloedband kun je je niet ontdoen.
In die tijd ging het redelijk goed tussen ons maar als we thuis waren ging het niet goed. Gerda was altijd chagrijnig en reageerde dat vooral op mij af, in Amsterdam deed ze dat niet. Daar gingen we koffie drinken in American Hotel of we kochten soms kleren. Gerda kocht eens een paar keer hetzelfde als ik. Zo hadden we eenzelfde jas en jurk. Ik zat er niet mee maar verbaasde me dan over haar onzekerheid. We zijn zelfs samen op vakantie geweest in Oostenrijk. We ontmoetten op die reis twee vriendinnen en Gerda is nog bevriend met een van hen. Het was een leuke vakantie.
Toen we samen een weekend thuis waren, ging het weer mis. Die zondag was moeder naar de kerk met de anderen die thuis waren, o.a. Corrie en verloofde Fred. Degenen die thuis waren zorgden dan voor het opruimen van het ontbijt, stofzuigden de kamer en zetten de koffie klaar voor na kerktijd.
Nog in bed hoorde ik Gerda al driftig aan het werk in huis en ik zou haar helpen maar vreesde haar boze reactie al dat ik te laat was. Ze snauwde me toe: “nou hoeft het niet meer, ik heb het al bijna klaar en zo is het altijd met jou”. Vervelend want ik wilde best wel helpen, maar zo ging het nu eenmaal. “Zal ik de koffie inschenken voor de anderen als ze uit de kerk zijn?” “Nee, dat doe ik ook wel”, zei ze nijdig.
Toen we na kerktijd bij elkaar in de salon zaten bracht Gerda de koffie rond, ik pakte een kopje van het blad “dat kopje is van mij”, zei Gerda.
“Waar is mijn kopje dan?” “Jij krijgt geen koffie van mij”.
Er volgde geruzie en de spanning liep op. Ik bedacht me niet, gooide het kopje dat ik in de hand had naar Gerda toe, over haar jurk: “hier heb je je koffie” en ik liep weg naar het station om naar Utrecht te gaan.
Fred (van Corrie) liep nog achter me aan, wilde dat ik terugkwam. Dat deed ik niet want het was toch altijd mijn schuld. Niemand durfde optreden tegen Gerda, die vond zichzelf goed en verdient geprezen te worden voor het werk dat ze thuis deed. Op haar chagrijn sprak niemand haar aan.