Het is erg moeilijk om te schrijven hoe ik over liefde denk. Als kind begreep ik niet wat dat was. Liefde en aandacht was voor goede gehoorzame kinderen.
Daar voldeed ik niet aan, ook niet als ik dacht dat ik iets wel goed had gedaan want het kon altijd beter. Er mankeerde altijd wat aan. En God had Jezus gezonden om voor onze zonden te sterven. Wij waren zondaars dus je mocht niet goed over jezelf denken. Alleen God was goed en hij hield van gehoorzame lieve kinderen, oudkomers waren belangrijkers dan kinderen.
Moeder was altijd boos op me, ze zei dat ik lastig was, noemde me een kreng en serpent. Dat vond ik erg en begreep het niet want ik deed niets, zat soms gewoon aan tafel en opeens siste ze dat in m’n oor. Zo raar en ik schrok erg, ik was pas zeven jaar.
Waarom was moeder altijd boos? Behalve als er andere mensen bij waren, dan deed ze aardig, dan was ze mooi, maar thuis was ze nooit aardig. Mopperen, gejaagd, druk, ook tegen vader die ons zei moeder goed te helpen. Want moeder had heel veel werk met zes kinderen. Later kwamen er nog twee broertjes bij. Natuurlijk had vader gelijk, vader was goed en eerlijk. Voor moeder waren we beducht vanwege haar onvoorspelbare buien. Broer en zusjes hielden zich stil, ik doorbrak de spanning door juist iets te doen en dan ontlaadde zich de spanning tegen mij. Ik kreeg vaak de schuld. Dat was niet leuk maar ik was nu eenmaal geen lief kind.
Als kind neem je het leven zoals het komt, je weet niet anders en ook niets beters. Je houdt van je familie, bent er afhankelijk van. Ik herinner me wel dat ik het zo erg vond dat moeder altijd, ja ik zeg bewust altijd, zo op me schold. Nooit een lief woord, nooit een aanhaling, ik herinner me niet ooit op haar schoot te hebben gezeten. M’n jongere zusjes soms wel, die mochten zelfs bij haar in bed slapen als vader weg was. Mij vroeg ze dat nooit en ik wilde dat ook niet, ik vond het naar als ze me aanraakte. Vader vond het leuk dat ik zo goed kon tekenen en stelde moeder voor mij op tekenles te doen en niet op orgelles. Ik weet nog dat m’n hart een sprongetje maakte omdat ik er heel blij van werd.
Moeder vond het een belachelijk voorstel van vader, wat denkt hij wel, dat kind moet eerst leren luisteren! Daar komt niets van in.
Dat gebeurde dus niet, moeder ging meestal tegen vader in. Vader niet tegen haar. Maar vader was wel goed, moeder eigenlijk niet maar ze geloofde wel in god en soms huilde ze, hief haar handen op en zei dat ze het van God moest hebben, of zoiets. Dan zag ik dat ze dat echt meende. De kerk en het geloof waren het belangrijkste. Daar geloofde ik ook in maar God vond mij niet goed genoeg. Dat was erg en ik was ook erg bang. Ik vroeg God mij goed te maken zodat moeder van me kon houden. Maar ik begreep wel dat ze niet van me hield dat mocht niet van God.
Dit waren zo mijn kinderlijke gedachten en ik was erg bang voor god. Als ik geen kind van hem werd zou ik naar de hel gaan. Met niemand kon ik over mijn angst praten, ik was veel te bang om dan te horen dat ik echt naar de hel zou gaan. Niemand mocht weten dat ik een slecht kind was. Ik begon moeder uit te dagen, deed mijn mond open en ik hoorde mijn broer eens tegen mijn grote zus zeggen: “Ria zegt wat wij denken”, maar ze hielpen me nooit behalve dat ze zeiden dat ik mijn mond moest houden.
Ik schrijf dit op om een indruk te geven van mijn opvoeding en het gezin waarin ik opgroeide. Dat is lang geleden, nu ben ik 79 en denk veel na over alles wat er gebeurd is in mijn leven. Ik kom vaak uit bij de liefde die er niet was bij mijn familie maar dat wist ik vroeger niet. Ik vond mijn familie goed, alleen ik was slecht, een schandvlek zei m’n moeder.
Alleen God kon redden en ik dacht erg veel aan God en hoe het leven in elkaar zat. Ik begreep er niets van, ik begreep wel dat het allemaal eigen schuld was. In de kerk werd over de uitverkiezing gepreekt, dat alles in ons leven door God verordineerd was en vast stond. Hij wist alles, ook hoe ons leven zou verlopen en dat wij geheel afhankelijk waren van zijn wil. Ja, als klein kind brak ik m’n hersentjes over die vragen maar erover praten kon niet. Te moeilijk, daar had ik nog geen woorden voor. Er werden thuis geen gesprekken gevoerd anders dan over eten, slapen, de kerk, het werk, het vele werk van moeder en de huishoudelijke regels. Vader zei dat we op school ons best moesten doen, moeder had daar geen interesse voor, het huishouden draaide alleen om haar, dat was heel zwaar.
Maar moeder kon wel lekker koken en heel goed naaien, het huis was heel schoon. Ik vond haar mooi en knap. Jammer dat ze mij niet lief vond en altijd zo mopperde.
Gelukkig had ik een vast vriendinnetje en daar speelde ik heel veel, daar was ik welkom, ze vonden me grappig en origineel. Deden nooit lelijk tegen me, maar ze geloofden niet en wisten niet wat goed en kwaad was in Gods ogen. Ze spraken over heel veel dingen in de wereld, maakten ruzie met elkaar, haar broer vloekte soms heel erg.
Maar toch was het er fijn, veel leuker dan thuis, blijer, er werd gelachen. In de zomer woonden ze in het zomerhuis achter hun huis dat verhuurd werd aan vakantiegasten. Twirke’s vader was doodgeschoten in Indië, na de oorlog en ze was de jongste van zeven kinderen. Soms deed haar moeder vreemd, dat kwam door het Jappenkamp. Daar was Twirke geboren. We waren even oud en gelijk jarig, tweeling-vriendinnen waren we en we konden heel leuk samen spelen. Bij haar was het niet zo netjes als bij moeder, alles was anders maar ik voelde me wel veilig. Thuis niet, maar het eten was thuis lekkerder, het huis netter en alles op tijd. Bij Twirke ging nooit iets op tijd.
Ik was blij met mijn vriendin want iedereen vond Twirke leuk, ook mijn familie, maar ze was wel mijn vriendin.
Mijn angst had ik diep weggeborgen voor de mensen, die angst veroordeelde mij. Alleen als ik in bed lag kwam die naar boven en dan bad ik of God me wilde vergeven en mij een kind van hem wilde maken.
Er was nog een vreemde gebeurtenis die me bezig hield en waar ik niets van begreep. Op een nacht kreeg ik zomaar een heel heerlijk zalig gevoel over me. Onbegrijpelijk heerlijk, helemaal onbestaanbaar en nieuw. Ik dacht dat ik in de hemel was maar toen het weg ging, dacht ik dat toch nog steeds en dan zou dat voor eeuwig zijn, voor eeuwig.
Dit was dus de hemel, ik wist het zeker maar hoe kon dit? Daar wilde ik weer komen, weer dat gevoel krijgen, ik verlangde naar de hemel en wist zeker dat God mij dat gevoel had gegeven want het kwam zomaar uit het niets. Waarom gaf God me dat? Het was zo zalig, boven alles verheven en heilig. Hoe kon God dit aan me geven terwijl ik geen goed kind was. Dit gevoel was zo mooi en goed. Onbeschrijfelijk en het bleef steeds bij me en deed me steeds verlangen. Dat kan God niet geven aan een slecht kind.
Het maakte me erg in de war, ik denk dat ik zes jaar was en wist me er geen raad mee. Ik kon het niet aan vader of moeder vertellen want het was zo erg intiem, we konden nooit persoonlijke vragen stellen, dan ging er van alles verkeerd. Gevoelens bestonden niet.
Één keer vroeg ik het aan een vriendinnetje dat bij me speelde, ze heette Cootje, of ze ook wel eens zo’n vreemd gevoel had van onderen. Ik vroeg het heel voorzichtig maar ze begreep m’n vraag niet, toen wist ik dat ze dat niet kende. Nooit sprak ik er meer over maar ik dacht er altijd aan. Ik verlangde er zo naar. Hoe kon ik dat krijgen?
Ik had wel herinneringen aan opa die aan me zat maar dat verbond ik niet aan dat heerlijke. Wat opa deed vond ik raar. Ik dacht toen letterlijk: “0pa, dat hoort toch niet”, maar dat kon ik niet tegen moeder zeggen, die vond alles wat ik vroeg gek of niet waar. Opa was een belangrijk man, ik was een raar kind. Een vreemd sujet zei ze.
Ook herinner ik me dat ik bij een buurjongetje ging spelen die een schommel in de schuur had en dat ik op de schommel wilde, hij wilde er niet af en ik stelde voor dat ik op zijn schoot ging zitten en dat deed ik met mijn beentjes aan weerszijden. Toen stelde ik voor dat ik mijn broekje uit zou doen. Hoe ik daarbij kwam weet ik niet maar ik herinner het me en deed mijn broekje uit, verstopte het in het kolenhok en ging bij het jongetje op de schommel zitten. Mijn rokje viel over mijn bibs en ik dacht dat niemand het zou zien. Toen hoorde ik mijn grote zus roepen dat we gingen eten en ik moest komen. Ik ging van de schommel af en mijn zus kwam eraan. Ze zei dat ze op mij wachtten en ik liep naar haar toe in de hoop dat ze niet zag dat ik geen broekje aan had. Maar dat zag ze wel en tilde mijn rokje op:”Wat is dat, waar is je broekje?” En ik rende naar het kolenhok, pakte m’n zwart geworden gebreide katoenen onderbroekje en trok het aan. Ik was bang dat m’n zus dat thuis zou vertellen maar dat deed ze niet.
Dit zijn wat kinderlijke herinneringen. Er waren er meer die ik niet begreep. Ik begrijp nu dat ik een gevoels-verwaarloosd en misbruikt kind was. Maar lange tijd was dat verdrongen en ontkende ik dat. Ik wist het echt niet meer en zo er iets terugkwam in mijn herinnering, dan was dat onzin.
Dan lag dat op mijn conto want ik wilde dat, ik had rare foute dingen gedaan waarvoor ik me moest schamen.ik was slecht, dat was een feit en dat maakte moeder me gedurig duidelijk.
Ik was een eenzaam bang kind, leefde wat in m’n fantasie. Van m’n omgeving en mensen om me heen herinner ik me weinig, behalve de nare gebeurtenissen heb ik geen mooie blijde herinneringen. Het leven was een hel maar ik moest doen of het goed met me was. Het kostte me veel energie overeind te blijven! Maar dat moest..moest.
Dat was mijn werkelijkheid en verdiende ik ook. Toen ik nog in Noordwijk woonde had ik Twirke nog als mijn vriendin. Ik kon niet vertrouwelijk praten want mijn angst ging over de hel, over God, over de predestinatie waar ik niets van begreep en mij geen uitweg bood. Bij Twirke geloofden ze niet, ze zouden me niet begrijpen maar ik voelde me daar wel veilig. Ze waren aardig tegen me, er werd gepraat, geruzied en gelachen, ik hoorde erbij.
Mijn problemen waren te moeilijk voor woorden, mijn angst nam bij hen wel af. Twirke en ik konden heel goed samen spelen, we waren veel bij elkaar en Twirke was vrolijk en geliefd. Ze lachte veel om mij, om mijn manier van doen en praten. Thuis kreeg ik doorlopend kritiek en een boze moeder die me een secreet noemde.
Waarom wist ik niet, nu denk ik dat mijn aanwezigheid haar reeds irriteerde want ik vroeg veel aandacht en was erg aanwezig. Daar was ik me als kind heel niet van bewust.
Moeder was altijd gejaagd, geïrriteerd, boos en klagerig. Alles in ons gezin draaide om moeder. We zagen niet hoe druk ze het had, hoeveel werk ze had, we moesten beter luisteren en helpen. Natuurlijk had moeder gelijk, ze was onze moeder en vader ging achter haar staan.
Vader was een gerespecteerd onderwijzer en ouderling in de kerk. Moeder werd geprezen omdat ze haar kinderen zo keurig kleedde, haar huis en de bedden zo schoon waren. Een knappe familie waren we en zondags na de kerk was er geregeld koffievisite. Ik dacht ook dat we een belangrijke goede familie waren. Dat ik daarbij hoorde, daar was ik trots op.
Maar als de visite weg was begon het gefit, geklaag en haar boosheid weer om ruimte te vragen. Dan was het heel naar en ik kreeg de schuld, begreep niet wat ik zo verkeerd deed en ging tegen moeder in. Dat heb ik wel geweten. De andere kinderen hielden zich dan juist stil, die ontsprongen de dans. Ik kreeg de volle laag.